Een zwakke, hardwerkende, virtuoze snob

Een scherpe karakteristiek volgt pas in de allerlaatste regels van het boek. De spreker is John Sparrow, de befaamde Warden of All Souls in Oxford....

Harold Nicolson heeft altijd zijn kost moeten verdienen; nadat hij uit de diplomatie was getreden - bijna gechanteerd door zijn vrouw Vita Sackville-West en haar vriendin Virginia Woolf, een stokende bemoeial zonder weerga - werd hij broodschrijver, in kranten, tijdschriften en boeken. Hij bleek een virtuoos, het volk dat hij minachtte voorlichtend, levend te midden van joden en negers die hij haatte. De verdwaalde 18de-eeuwer werd in veel opzichten zegsman van een andere tijd. Zijn gevierdheid en zijn gezag staan haaks op zijn aard, waarvan de ziel een oud kasteel was.

Hij werd blijvend beroemd door de drie delen dagboek die zijn zoon Nigel uitgaf en door het wonderlijke, wat gênante boek dat de zoon schreef over het huwelijk van zijn ouders, Portrait of a Marriage. Dat huwelijk was de gelukkig uitgevallen symbiose van een lesbienne en een homo. Zij was als veroveraarster mateloos, hij was een meer bedaarde homo, een sjiekere ook, zeker zachter. Hij had, als in zijn hele leven, wel een ruggengraat, maar die boog altijd van onzekerheid door.

Misschien was hij in alle opzichten de allerhoogste middelmaat en daardoor geschikt voor de vele prestigieuze bestuursfuncties die hij heeft uitgeoefend, voor het schrijven van miljoenen woorden aangenaam proza (wat een groot en tegendraads schrijver en journalist is zijn tijdgenoot Malcolm Muggeridge), voor het huwelijk met een hoogadellijke heerseres. Zijn onmiskenbare eerzucht was in sommige opzichten een vorm van masochisme. Zijn politieke loopbaan is er een voorbeeld van: als lid van de fascistische partij van Mosley (tot zijn dood heeft hij om die onberadenheid getreurd), als Lagerhuis-lid voor New Labour, in de tijd rond de Tweede Wereldoorlog. Eigenlijk was hij als 18de-eeuwer het meest geschikt voor het ideaal van gentleman of leisure (eigenlijk een tautologie): alles doen, maar niets hoeven.

Vita Sackville-West kreeg in 1983 een uitstekende biografie van Victoria Glendenning; Harold Nicolson had al twee jaar eerder zijn biografie, in twee delen. De auteur was James Lees-Milne, een geestgenoot en intieme vriend van Nicolson, een zeer geestige dagboekschrijver, met de humor van de decadent en het estheticisme van de rooms-katholiek. De biografie was een elegant vriendenboek, in mijn herinnering rijk aan anekdotiek. Na ruim twintig jaar is er nu een nieuwe biografie, volgens goed Engels gebruik. Het boek heet Harold Nicolson en de auteur is de in Jeruzalem werkzame historicus Norman Rose. Het is een van de eerste boeken over Nicolson die niet uit de vrienden- en familiekring komen, waar de rituelen rond de adoration mutuelle haast voorbeeldig werden uitgevoerd.

Rose's biografie is een historische; het leven van Nicolson tot 1945 wordt geplaatst in de politieke geschiedenis van Engeland en, ten dele, van Europa. Nicolsons carrière als diplomaat maakt de historische omkadering mogelijk. In de flarden sociale geschiedenis wordt een totaal verdwenen wereld zichtbaar: die van de hogere klassen. Een schitterend staaltje ervan is een advies van de minister van Buitenlandse Zaken, de grote Arthur Balfour, aan zijn diepe ondergeschikte Nicolson. De laatste voelt zich overwerkt bij de Vredesconferentie in Parijs in 1919. Balfour schrijft hem:

'Ga onmiddellijk terug naar de Majestic (zijn hotel, F.), als je daar aankomt, ga je meteen naar bed. Bij de lunch drink je een fles Nuits St George en je eet zoveel als je kunt. Dan slaap je tot vier uur. Dan lees je wat boeken die ik je zal lenen. Als diner gebruik je champagne en ganzenlever - een licht diner dus. Je herhaalt deze behandeling tot zondag drie uur; dan rijd je alleen naar Versailles en terug. Zondagavond dineer je - altijd alleen, dat is essentieel - bij Larue en ga je naar een toneelstuk. Maandag ben je genezen.'

Hij was 's maandags genezen. Rose slaagt erin de geschiedenis en het persoonlijk leven met elkaar te verbinden. Al die grote geschiedenis: ze benadrukt ook nog eens de betrekkelijke kleinheid van Nicolson. Dat de biografie na 1945 - Nicolson is uit de politiek - minder interessant wordt (hij is nu op zichzelf aangewezen) kan duidelijk zijn. De laatste twintig jaar raffelt de auteur dan ook een beetje af. Wat de biograaf nalaat is een andere dan een politieke omkadering. De dagboeken van Nicolson wijzen het uit: hij ontmoette haast alle groten van kunst en cultuur. Hij observeerde hen scherp. Die sociaal-culturele kant van zijn bestaan ontbreekt nagenoeg geheel. Alleen de vaste vrienden, bijna allen homo's als hijzelf, keren steeds terug.

Op de zwakke kern van Nicolsons karakter legt Rose vaak de nadruk, op diens gevoel van mislukking ook - hij wist de nagestreefde hoogte niet te hebben gehaald -, op zijn bijna afstotende klassenbewustzijn niet minder. (Zijn oudste zoon Ben, die een belangrijk kunsthistoricus zou worden, heeft zijn ouders nooit hun snobisme vergeven; voor de tweede zoon, Nigel, nog niet lang geleden gestorven, was dat klassenbewustzijn een aangename waaier in zijn lange leven; Nigels zoon Adam is een groot reiziger; hij maakte films over de Atlantische kust van Engeland; ik heb er een paar gezien: hij heeft de zachtheid en naïveteit van zijn grootvader.)

Wat goed zichtbaar wordt: de grote - en voorbeeldige - werkkracht van Nicolson, ook een gevolg van zijn vele interesses en zijn hang woordvoerder te zijn. Leven was voor hem ook formuleren (hij was ook een goed causeur). Zijn literaire werk is in 1944 vernietigend goed gekarakteriseerd door Edmond Wilson. Hij noemt hem 'bevroren in de tijd', zonder contact met de echte wereld, met een Engelse geschiedenis als een jongensboek in zijn hoofd en een klasse-dédain voor de dichters over wie hij schreef.

'Well-brushed and well-bred' staarde hij als kind al door de ramen van de ambassade. Dat is zo gebleven. Ik vrees dat Wilsons oordeel over het werk - en dus ook over de persoon - waar is. De biografie van Rose zou weleens de laatste kunnen zijn en daarmee ook de laatste over een tijdvak en een klasse. Hoewel: de fascinatie van Engelsen voor het lege leven van de hogere klassen is van een verbijsterende hardnekkigheid. Verbijsterend: zij vereren door wie ze worden of werden veracht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden