Een zonnesluier over het Bezuidenhout

Zou het toeval zijn dat uitgerekend een beeldend kunstenaar betrokken was bij het winnende team van de vorig jaar uitgeschreven prijsvraag voor het ontwerp van een zonnecentrale aan de Bezuidenhoutseweg in Den Haag?...

De Gorinchemse kunstenares Vera Galis en haar broer Babet Galis, hij is architect in Delft, drapeerden een luchtige voile van staal en zonnepanelen over de twee gebouwen waarin onder andere het directoraat-generaal voor Energie van het ministerie van Economische Zaken huist. Dat levert niet alleen een flink vermogen aan schone elektriciteit op. Het geeft de twee panden samen ook weer de architectonische schaal die in deze Haagse allee vol ministeries en imposante spiegelpaleizen de laatste jaren de norm is geworden.

Voor wie ooit de portfolio van Vera Galis zag, met onder meer een zwevend object in de hal van het ministerie van Milieubeheer, komt het ontwerp van de zonnegenerator nauwelijks als een verrassing. IJle constructies met draden en vlakjes zijn haar op het lijf geschreven. Alleen: in het plan voor het Bezuidenhout zijn de metalen plaatjes vervangen door frameloze glazen zonnepanelen op een raster van stalen balken. Elk glazen paneel omvat 35 zonnecellen van tien bij tien centimeter, die hun stroom via weggewerkte leidingen naar de installatie in het gebouw afgeven. Het dak is ermee volgezet, en naadloos loopt de constructie over in de open glazen wand die een paar meter uit de gevel hangt en zo een zwevend atrium vormt.

Het geheel, zeggen de ontwerpers in een wat andere taal dan energie-ingenieurs doorgaans spreken, is als de luchtige kruin van een oude zware boom. De gebouwen zijn de stam. Het vlies van zonnepanelen de bladeren, die tegelijk schaduw en beschutting bieden en energie leveren. Het vergt de onbevangenheid van een kunstenaar om bij zonnecellen niet aan loodzware panelen te denken maar aan een wiegende bladerkroon.

Inpassing van zonnecellen in de bebouwde omgeving gold tot nog toe als een hardnekkige voetnoot in het achterhoofd van energiedeskundigen. Nederland, zo formuleerde eerder het ministerie van EZ, moet over tien jaar zeker tweeëneenhalf miljoen vierkante meter zonnecellen hebben staan. Maar waar moet dat dan allemaal worden opgesteld, was de bange gedachte?

Op daken, zo ver mogelijk aan het gezicht onttrokken? In heel nieuwe verschijningsvormen, zoals stroom leverende gevel-elementen en fotovoltaïsche dakpannen? Of gewoon overal waar het maar even kan, ook al is het eigenlijk geen gezicht, al die panelen? Willen architecten en Nederlanders daar eigenlijk wel aan?

In Rotterdam zijn in het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) de resultaten te zien van de besloten prijsvraag Zonnecellen op het Bezuidenhout, een opdracht die vorige jaar werd uitgeschreven door de Rijksgebouwendienst. Maak, was de opdracht aan zes teams, een toonaangevende en markante zonnecentrale van minimaal vijftig kilowatt (bij standaardbelichting) op basis van de twee gebouwen aan het Bezuidenhout, de nummers 2 en 4/6.

De diversiteit van de ingezonden ontwerpen mag gerust opzienbarend worden genoemd. De zorg om de inpasbaarheid van zonnecellen in de gebouwde omgeving lijkt in één klap verleden tijd. Hangen de Galissen een verbindend vlies over de gebouwen, Jan Pesman van bureau Cepezed in Delft bouwt om de twee kantoren een futuristische taartpuntvormige kas van zonnepanelen. En Emiel Lamers gebruikt lange, horizontale stroken zonnepanelen om beide gebouwen op een veel conventioneler manier met elkaar in verband te brengen. Beide laatste architecten kregen een eervolle vermelding en de gelegenheid een aantal aspecten nader te laten uitzoeken.

De ligging van de nummers 2 en 4/6 ten opzichte van de dagelijkse gang van de zon bood Tjerk Reijnenga van BEAR Architecten in Gouda de gelegenheid twee immense zonnepanelen scheef op beide daken te plaatsen. De hellinghoek krijgt nog extra accent door op dezelfde manier op beide gevels smalle stroken zonnepanelen te plaatsen. Dat is zeker niet universeel toepasbaar, waarschijnlijk de reden dat Reijenga geen prijs won, maar leidt wel tot een zeer strak geheel, al blijven de gebouwen gewoon los staan.

De overige twee ontwerpen, een open kratachtige serre om beide gebouwen met een voorgevel vol horizontale zonnepanelen van Machiel van der Torre en de zwevende horizontale kragen met rijen achteroverleunende zonnepanelen van René Kemna hebben de minste verrassingen te bieden. Bij de eerste overheersen de architectonische overwegingen, bij de tweede biedt de zonnecentrale juist weinig architectonische verbetering.

Vooral de eenvoud en helderheid hebben de jury naar het ontwerp van de familie Galis geleid, schrijft rijksbouwmeester prof. ir. Wytze Patijn in de brochure bij de expositie. Maar daarbij komt zeker ook dat het idee veel gemakkelijker dan de andere ontwerpen ook op andere bestaande gebouwen kan worden toegepast. Het energievlies komt, na nadere studies en verdere ontwerprondes, vrijwel zeker voor realisatie in aanmerking.

Dat kan ook voor de zonnecel-ingenieurs leerzaam worden. Gangbare zonnecellen zijn door hun antireflectiecoating doorgaans zeer uitgesproken azuurblauw, een kleur die Galis naar eigen zeggen pijn aan de ogen doet. Hij voert besprekingen met de leverancier of er niet een zwarte of zilveren variant te realiseren is. Dat kost waarschijnlijk rendement en maakt de zonnestroom dus duurder, maar je neemt de architectuur serieus of je doet het niet.

En zo is ook de wens van frameloze zonnepanelen geen trivialiteit. Alle productieprocessen zijn ingericht op glazen panelen die in een aluminium frame zijn vervat. Weglaten vereist een manier om de glasplaten aan de rand voor tientallen jaren te verzegelen.

Toch lijkt de inpassing van zonne-energie in de stad met acceptabele technische concessies geen probleem. Verreweg het grootste deel van die tweeëneenhalf miljoen vierkante meters zullen rond 2007 in nieuwbouw zijn geïntegreerd, voornamelijk in en op daken. Maar ook in het bestaande stadslandschap versmelt op termijn de technologie met de gebouwen.

Zodanig zelfs dat het wat teleurstellend kan uitpakken voor een ministerie dat met zonne-energie aan de weg wil timmeren. Om toch de aandacht te vestigen op de panelen komt in de visie van de Galissen daarom aan de overkant, in het voetgangersgebied dat is gepland langs de diepe verkeersgracht van de Utrechtsebaan, een fontein waarvan de pomp rechtstreeks is verbonden met de zonnecentrale van de nummers 2 en 4/6. Schijnt de zon, dan klatert er veelbetekenend een fiere straal. Alleen de nacht krijgt die klein.

Martijn van Calmthout

Zonnecellen op het Bezuidenhout;

Nederlands Architectuurinstituut, Rotterdam

Tot 1 juni: di. t/m za. 10.00-17.00 uur; zon- en feestdagen 11.00-17.00 uur