Een zevendelige cursus Reve voor beginners

Tien jaar nadat Gerard Reve is overleden blijken jongeren hem niet meer te lezen. Omdat De Grote Volksschrijver opgemerkt moet blijven worden, hier een cursus Reve voor beginners.

Gerard Reven Beeld HH

Tien jaar geleden overleed Gerard Reve - God hebbe zijn ziel. Onder lezers van vijftig en ouder heeft de volksschrijver nog altijd een grote schare toegewijde fans. Bij het horen van de naam Reve veren ze verheugd op en beginnen op plechtige en een beetje slepende toon over machtige roedes en jongensheuvels te praten. Ze hebben het over de Geheime Opening van een of andere ezel, dreigen met tuchtigingen en sluiten af met een opgewekt 'moedig voorwaarts'. Maar worden Reves boeken door jongeren nog wel gelezen? En is zijn oeuvre de moeite van het lezen nog waard?

Het antwoord op de tweede vraag is volgens ons een volmondig ja. Het antwoord op de eerste vraag is nee, zegt hoogleraar boekwetenschap aan de UvA Lisa Kuitert: 'Het is wel een beetje over met Reve. Op middelbare scholen wordt hij helemaal niet meer gekozen; door het afschaffen van de verplichte literatuurlijst zakt de canon van de literatuur sowieso weg. Schrijvers als Reve, Hermans en Mulisch gelden nu als klassiekers.' Onder studenten tref je nog wel Reve-lezers aan, volgens Kuitert: 'Maar het zijn er niet veel. Degenen die hem lezen zijn vooral mannen, en opvallend vaak heel goeie studenten voor wie Reve een soort geheimtip is.'

In de campagne Nederland Leest van de CPNB en openbare bibliotheken, waarbij elk jaar in november één boek breed onder de aandacht wordt gebracht, werd Reve tot dusver genegeerd. Bij uitgeverij De Bezige Bij, waar Reve in 1947 debuteerde met De Avonden maar na een conflict vertrok - de schrijver maakte met al zijn uitgevers ruzie - zijn nog vier titels van Reve leverbaar: De Avonden, De ondergang van de familie Boslowits, Werther Nieland en Op weg naar het einde. Deze week verschijnt Nader tot U. Van De Avonden worden nog zo'n kleine tweeduizend exemplaren per jaar verkocht, van de overige titels tussen de duizend en tweeduizend exemplaren per jaar. De gedichten verschijnen volgend jaar in een nieuwe editie. Het Verzameld Werk dat uitgeverij L.J. Veen in 2006 uitbracht is alleen nog antiquarisch te krijgen. Kuitert: 'Zo'n uitgave van het verzameld werk is meestal het begin van het einde.'

Hoogste tijd, kortom, voor een cursus Reve voor beginners. Tip 1: laat De Avonden nog even liggen en begin met Reves brieven: 'Het leven is een ware hel, en zal het wel blijven ook, zolang de schepping geprolongeerd wordt. Eén troost is, dat al die ellende gratis is, en niets kost.'

Moedig voorwaarts. Leve Reve!

(Tekst gaat verder onder de video)

1. De Avonden

Zijn leermeester Jacques Presser, vermaard historicus, noemde De Avonden onmiddellijk na verschijnen in 1947 'ongetwijfeld een meesterwerk'. Zelf is Gerard Reve levenslang blijven aarzelen over zijn ­debuutroman. Nog in 1985 vond hij het boek 'erg primitief geschreven'. Ook na aftrek van pose en ironie moet die opmerking als oprecht worden beoordeeld. Een roman als ­­De¿Avonden heeft Reve - die zich aanvankelijk Simon van het Reve noemde - nadien niet meer uit de kroontjespen laten vloeien.

Presser was niet de enige die de kwaliteiten van het boek terstond onderkende. Volgens Anna Blaman verdiende de roman 'onze onderscheidende aandacht' en Annie Romein prees de 'diepte' van de tekst. Ook Godfried Bomans noemde het boek 'in zijn soort een meesterwerk'. Die soort moest dan wel als 'eenvoudig afschuwelijk' worden gekenschetst. 'Hoe komt het, dat men het nochtans in één adem uitleest?', vroeg Bomans zich af.

Simon Vestdijk beantwoordde die vraag indirect door te wijzen op de 'bevrijdende humor' en het 'zeldzaam navrante slot, dat de gehele roman draagt'. Vaak is ook gewezen op de kracht van de herhaling in het boek, zoals de voortdurend gemaakte grappen over kaalheid en de terugkerende dromen. Natuurlijk waren er ook negatieve reacties, maar vaststaat dat De Avonden meteen werd gecanoniseerd als opmerkelijke roman van een nog slechts 23-jarige.

Is het ook, zoals vaak is gezegd, 'de roman van een generatie'? Inhoudelijk is dat zeker waar. Aan het verhaal over Frits van Egters en zijn vrienden is, zoals broer Karel van het Reve (zelf 'Joop' in de roman) altijd heeft gezegd, bijzonder weinig verzonnen. De disclaimer voor in het boek, 'Elke gelijkenis van figuren of voorvallen in dit verhaal met werkelijke personen of gebeurtenissen is toevallig', is de enige zin 'waarin van de werkelijkheid werd afgeweken', schrijft biograaf Nop Maas. Wel heeft de auteur volgens broer Karel bewust positieve dingen weggelaten, waardoor een asgrauw groepsportret ontstond van een generatie die na de oorlog in armoedige omstandigheden opgroeit. Ook de ouders worden onbarmhartig geschetst. De ondertitel 'een winterverhaal' is feitelijk juist - het verhaal speelt de laatste tien dagen van december 1946 - maar suggereert tevens een gezelligheid die volstrekt afwezig is.

Het boek is zeker ook de roman van een generatie lezers geweest, en in feite wel van meer dan een. Nog begin jaren tachtig lazen nagenoeg alle scholieren De Avonden en in 2001 verscheen als vijftigste druk een facsimile-uitgave van het manuscript en typoscript. Jonge lezertjes, luister voor een keer naar wijze volwassenen: De Avonden is het waard opgemerkt te blijven.

Remco Meijer

Lezen:

De Avonden is er ook als strip (van Dick Matena), film (met Thom Hoffman), toneelstuk (Het Vervolg, Maastricht) en cd (voorgelezen door de auteur). Het boek verdient de voorkeur. Lees daarna Hoei Boei! van Dick Slootweg en Paul Witteman als sleutel tot de roman.

2. Reve en de brief

Het gaat te ver om te stellen dat hij de uitvinder is van de brief. Maar dat hij het genre van de persoonlijke ontboezeming tot een ongekend literair niveau heeft verheven, zonder dat te beseffen ('Ik heb altijd gedacht, dat die brieven alleen een klein publiek van decadente fijnproevers zouden bereiken'), is een feit. Begin jaren zestig bevond het schrijverschap van Gerard Reve zich in een impasse. De glorietijd van zijn debuut De Avonden lag achter hem, en zijn poging om voortaan in het Engels te schrijven had niets opgeleverd. In verzinnen was hij niet sterk. En wat hem na het mislukken van zijn huwelijk met Hanny Michaelis bezighield - zijn homoseksualiteit, en een groeiend religieus besef -, daar sprak je niet openlijk over. Laat staan dat je erover durfde te schrijven. Voor een klein publiek waagde Reve het erop; aan de lezers van het literair tijdschrift Tirade schreef hij geregeld met zijn kroontjespen een brief van een ­pagina of dertig, oorspronkelijk bedoeld als reisbrief, maar allengs uitpakkend als bekentenisliteratuur waarin hij alles kwijt kon: lange zinnen, particuliere hersenspinsels over drank, religie, de gelijkgeslachtelijke liefde, anekdoten over een gruwelijk schrijvers­congres in Edinburgh of een ontsporend schrijversfeest op huize Jagtlust. Gedragen en geestig, romantisch en rebels. In zijn brieven regisseert Reve zijn wanhoop en stelt zich voor dat God, in zelfde wanhoop, hém zoekt, zoals hij Hem.

Reve voor het Mariabeeld in zijn huis in het Friese Greonterp, 1969. Beeld Vincent Mentzel / HH

De wanhoop vloog hem ook aan bij het registreren van Zinloze Feiten (als kind hoorde hij op straat een vrouw zeggen: 'Veel groenten en weinig aardappelen, dat eet voor een man niet zo lekker', en die zin onthield hij een kwart eeuw) die hij op meesterlijke wijze als zinvolle details in zijn brieven opnam. Door de brieven in Op Weg naar het Einde (1963) en Nader tot U (1966) vestigde de schrijver zijn reputatie definitief. Hij schrijft zielsgraag het boek te willen schrijven dat alle andere boeken overbodig maakt. Daar was hij op dat moment mee bezig: wie Reve wil kennen, kan niet zonder deze twee titels. Het schrijven van brieven zou een dagelijks ritueel worden. Eerst een paar brieven, dan de romans en verhalen. Fans kregen er geen genoeg van. Er zouden tientallen brievenboeken volgen, gericht aan liefdespartners, goede vrienden, uitgevers. Niet alles is onvergetelijk, maar de brieven aan 'kunstbroeder' Simon Carmiggelt, de 'sterrenwichelende' Josine ­Meijer, 'lijfarts' Jan Groothuyse, ­fotografe Edith Visser en uitgever Bert de Groot verdienen aparte vermelding. Naar verluidt bevinden zich in de nalatenschap nog vele ongepubliceerde brieven. We zouden ze graag allemaal willen. Een openhartige brief, inzonderheid een van Gerard Reve, is een ontmoeting waar geen e-mail, sms of tweet bij in de buurt komt.

Arjan Peters

Lezen:

Nader tot U (1966). Lange brieven, recht uit het schrijvershart, afgesloten met enkele Geestelijke Liederen die tot de mooiste naoorlogse poëzie behoren.

3. Reve en de seks

Je kon Reve niet kwader krijgen dan door te zeggen dat zijn werk om 'seks' draait. Hoe kwam zo'n interviewer of criticus daarbij? Weer zo'n 'symboolblinde', net als zijn Geleerde Broer Karel. De mensen begrepen niet dat al die jongensheuvels, vossenholen en machtige roedes onderdeel waren van een mythe. Zijn thema was simpelweg: de Dood. God, Liefde en Dood waren, doceerde Reve, drie woorden voor hetzelfde.

Toch was het niet zo gek dat lezers, en gezagsdragers, vonden dat zijn werk wél over seks ging, over bestiale seks nog wel. Hij kwam erdoor in opspraak, en werd op slag beroemd.

In 1966 stond de schrijver terecht voor 'smalende godslastering'. In het homotijdschrift Dialoog had hij geschreven dat God als ezel op aarde zou terugkeren, 'miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als hij spartelt bij het klaarkomen'. Daar stonden de lezers van Dialoog, dat 'de homofiele mens' steunde, wel even van te kijken.

In Nader tot U klopt de Ezel weer bij de schrijver aan: ''Ik hou zo verschrikkelijk veel van U', zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen zou ik hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten.'

Reve werd vrijgesproken. Jammer, vond hij, hij had het 'wel sjiek' gevonden om in het gevang te gaan. Na dit geruchtmakende 'Ezelproces' was hij de held van vrijdenkend Nederland. Progressieve homoseksuelen liepen met hem weg. Met die rol was de in 1966 katholiek geworden schrijver niet blij. Natuurlijk vond hij dat homo's voor hun liefde moesten uitkomen. Tegelijk hoonde hij 'laffe taartjesnichten' en 'fluweeldragende kirders wier moeder niets mag weten'. Zijn eigen favorieten gaf hij , in een romantisch-decadente traditie, dierennamen: Tijger ('Teigetje', uit Winnie-the-Pooh), Woelrat, Jakhals, Matroos Vos.

Reve eiste het recht op een eigen verbeeldingswereld. Het Revisme, bijvoorbeeld, een liefdesdienst waarbij een aanbeden man Jongens krijgt aangeboden, 'ter tuchtiging'. Hij schiep zich een eigen God: een feilbaar wezen, dat angstig is, wanhopig masturbeert, en door de schrijver getroost wil worden. Een God die Liefde is en zich samen met tweelingbroer Satan openbaart in een Meedogenloze Jongen, maar die zijn ereplaats deelt met zijn goeiige Moeder, die bij wangedrag een oogje dichtknijpt.

Dat de allereerste publieke homo in Nederland een ongewone schrijver was, die een ingewikkeld seksueel programma en een particuliere religie voorstond, was misschien iets te veel rariteit ineens. Het werd niet begrepen, en de schrijver ging de pias uithangen.

Aleid Truijens

Lezen:

Moeder en zoon (1980) In deze roman beschrijft Reve zijn toetreding tot de rooms-­katholieke kerk, 'een zwakzinnige troep', maar niettemin 'het ware geloof'.

4. Reve en de taal

Er zoude een studie gemaakt kunnen worden van de taal die Gerard Reve bezigt. Ze zijn er trouwens al. Vaak draaien zulke uiteenzettingen om zijn plechtige wijze van formuleren, waarmede hij angst en droefheid tracht te verbloemen, en die vaak een komisch effect sorteert. Als Frits van Egters in De Avonden geen zin heeft om naar een gymnasiumfeest te gaan, zegt hij: 'De beproevingen dienen in het gelaat gezien te worden.' Ironie als bastion, om zich als onzekere overeind te houden. 'Zodra iets een naam heeft, is het bezworen', schreef Reve aan zijn kunstbroeder Simon Carmiggelt, die dagelijks in Het Parool zijn column Kronkel schreef.

Voor een gekweld mens als Reve was ironie geen vluchtweg, maar een wijze van uitdrukken die zo dicht mogelijk bij hemzelf kwam. Twijfel vermengd met ernst, en humor met dubbelzinnigheid ('wat meent hij nou écht?') kunnen iemand wezenlijker typeren dan waarheden zonder zweem van relativering.

Toen Reve het katholieke geloof omarmde, bleef hij even ironisch. Dat is ook geen tegenspraak. Een gelovige is geen wetenschapper, hij heeft geen bewijzen maar eert het mysterie door zijn zekerheden op te geven. Er is nergens anders redding of verlossing dan in bezwerende taal, die op momenten ook een bevrijdende lach kan geven. 'Je gaat dood of je blijft leven, het zit altijd goed.'

Reve draagt voor uit eigen werk in De Grote Reve Show, 1974

Schrijvers en lezers die zich ergeren aan Reve, hebben vaak vooral een hekel aan zijn trouwe fanclub, die moet gieren om alles wat de meester zegt. Als eenzame geest die de meeste krachten van buiten als een bedreiging zag, heeft Reve zich de woede van velen op de hals gehaald.

Om ironie te kunnen waarderen is een genuanceerde lezing noodzakelijk. Niet iedereen was daartoe bereid, als Reve zich behalve grappig (criticus en politicus Aad Nuis werd 'Aap Muis') ook grievend (journalist W.L. Brugsma werd 'een schurftig reptiel') of ronduit racistisch uitliet (uit het gedicht Voor Eigen Erf uit 1974: 'Gooi al dat zwarte tuig er uit!/ Ons land voor ons!/ Op, naar de Blanke Macht!').

In zijn schotschrift Het ironische van de ironie (1976) beweerde Harry Mulisch dat Reve de vreemdelingenhaat aanwakkerde, juist doordat we in die racistische praatjes niet meer konden zien waar de scherts ophield en de kwalijke waarheid begon. Dat was de keerzijde van zijn clownerieën - dat het ineens niet leuk meer was, maar alleen nog hoogst vervelend.

Gerard Reve schreef geen opbouwende boeken, maar toch 'knapt een tobber er van op, homopathisch wil ik maar zeggen, want erger kan het toch echt niet meer'. Het leven is 'een gratis verschrikking waar je door heen schijnt te moeten'.

Niemand die zulke klassieke, uitvoerige zinnen kan schrijven zonder dat je de draad kwijtraakt. Niemand die zijn kwellende herinneringen en brandende verlangens zo zorgvuldig heeft gestileerd, en van wie je ook het eeuwige geoudehoer blijvend kunt waarderen: 'Ik houd van betrokken, koel maar droog weer, met af en toe een korte regenbui, om de mensen eronder te houden en zich hun plaats te doen herinneren.'

Arjan Peters

Lezen:

Brieven aan Simon C. (1982) Reve schreef in de periode 1971-'75 openhartige, geestige brieven aan Carmiggelt, zijn 'kunstbroeder'.

5. Reve en de Grote Drie

Begin jaren zeventig heetten ze ineens de Grote Drie: Willem Frederik Hermans, Gerard van het Reve en Harry Mulisch. Jan Wolkers, Hugo Claus en Hella Haasse mochten niet meedoen boven op de apenrots van de Nederlandse literatuur. De Drie probeerden venijnig elkaar eraf te duwen. Het werk van 'Mullis is vullis', vond Reve. 'Wat Van het Reve schrijft is verachtelijk en achterlijk', meende Mulisch. Hermans zei schamper dat hij in Nederland geen serieuze concurrentie had.

De Drie hadden veel gemeen. Als adolescent hadden ze de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog meegemaakt; ze hadden weinig illusies over het mensdom. Ze bouwden ieder aan een hermetisch en immuun wereldbeeld. In hun romanwereld heersten hún wetten. Reve en Hermans zouden steeds rechtser en wrokkiger worden; beiden zouden zich eerst in Frankrijk en daarna in België vestigen. Ooit, in de jaren vijftig, waren ze vrienden. Reve was paranimf bij Hermans' promotie. Hermans, lezen we in hun briefwisseling, wilde samen naar het Boekenbal gaan, 'gekleed in vechtjassen'. Er waren zelfs plannen voor een gezamenlijke roman, Zon over Lesbos. In 1959 spatte de vriendschap uiteen. Tussen Mulisch en Reve escaleerde het in 1972. Reve had voorgesteld om Surinamers 'met een zak vol spiegeltjes en kralen op de tjoeki tjoeki stoomboot te zetten, enkele reis Takki Takki Oerwoud'. Over Mulisch schreef hij: 'Hij is een bastaard, door een alpineus goro goro tiepe, dat jarenlang in de gevangenis heeft gezeten, bij een Jemenitische water & vuurvrouw verwekt.' Hij was een doodgewone racist, vond Mulisch. In het Het ironische van de ironie schreef hij: 'Wie ironisch spreekt, zegt het tegendeel van wat hij meent, maar zodanig, dat een ander dat doorziet. Van het Reve zegt wat hij meent, maar zodanig dat de ander dat niet doorziet en denkt nog steeds met ironie te doen te hebben.' Reve bekende bij de dood van Hermans in 1995 hem een groot schrijver te vinden, maar: 'Hij viel je altijd aan, met die kop met puil­ogen.' Bij Reves dood in 2006 voorspelde Mulisch dat Reves werk snel vergeten zou zijn. 'Alles draaide om zijn stijl, maar stijl moet je vergeten als je een roman leest.' Mulisch, de langst levende, werd als enige uitgeluid als een Groot Schrijver; het leek wel een staatsbegrafenis. Hermans bleef beroemd om zijn bijtende polemieken. Maar Reve sprak tot het hart van zijn lezers, hompelaars en tobbers zoals hij. Een schrijver van 'warme mensenboeken'.

Aleid Truijens

Lezen:

De taal der liefde (1972) Wat zou Simon Carmiggelt hebben gedacht bij de gewraakte 'Takki Takki oerwoud'-passage?

6. Reve en de verrekijk

Als schrijver tel je tegenwoordig alleen mee als je het leuk doet op de televisie, hoor je weleens zuchten. Niets nieuws onder de zon: al in de jaren zestig werd Gerard Reve een nationale bezienswaardigheid dankzij de tv. In talkshows en portretten voelde hij de eisen van het medium zo goed aan, dat hem in 1969 een complete avondvullende show cadeau werd gedaan.

'Gerard Kornelis van het Reve in de Allerheiligste Hart Kerk', op 23 oktober 1969 live uitgezonden op Nederland 1 vanuit de toenmalige Vondelkerk in Amsterdam, is bedoeld als publieke huldiging bij de toekenning van de P.C. Hooftprijs. Maar de schrijver weet van de plechtigheid een ontregelend evenement te maken, precies wat 'de verrekijk' wil. Een reviaanse eredienst met naast een gewijde Bach-aria door Hermann Prey ook een smartlap van de Zangeres Zonder Naam, een goochelaar (die van een oude krant een levende duif maakt), een binnenmarcherend muziekkorps dat de hymne Nader Tot U speelt en, vooral, controversiële woorden van de rooms-katholieke bekeerling, die de kerk in kennelijke ernst zowel 'een tempel van verdraagzaamheid' als 'een poppenkast met de paus als Jan Klaassen' noemt.

Schandaal verzekerd; alleen al in de Volkskrant verschijnen binnen vier dagen zeven artikelen, onder koppen als 'Tv-programma grieft velen' en 'Heilig Hartkerk beklad'. Maar de VPRO kan veel nieuwe leden noteren en in de boekhandel is begin november geen Reve-boek meer te krijgen.

Reviaans gevoel voor kitsch en ironie in De Grote Gerard Reven Show, 1974. Beeld Kippa

Evenement

Groninger Forum organiseert zaterdag 9 april het evenement LEVE REVE!, vanaf 13.45 uur. Met medewerking van Reves voormalige liefdespartners Teigetje & Woelrat. Locatie: Pand Bebeka, Ubbo Emmiussingel 2, Groningen, toegang €5,-.

Vijf jaar later herhaalt de volkschrijver zijn mediastunt in De Grote Gerard Reve Show, met reviaans gevoel voor kitsch, camp en ironie voor de NOS geregisseerd door Rob Touber. Memorabel: de schrijver verkleed als paus die zijn gedicht De blijde boodschap voordraagt ('Ik vind dit leven al geweldig/ En straks nog het eeuwige leven in de Hemel'), en een weifelmoedige engel die de cruciale vraag stelt: 'Die Gerard Reve, belazert die de boel nou of niet?'

Dezelfde kwestie komt aan bod als Reve weer dertien jaar later de hoofdgast is van Koos Postema's Klasgenoten. In de schoolbanken tussen zijn medeleerlingen van het schooljaar 1934-1935, nu zestigers als hij, pareert de volksschrijver Postema's vragen met kwinkslagen, die als vanouds het onnavolgbare midden houden tussen ernst en ironie. Is zo'n gedicht als De blijde boodschap geen bespotting van het katholieke geloof? 'Nou kijk', zegt de schrijver, 'als de symbolen werkelijk oersterk zijn, dan kan die kerk wel een stootje hebben.'

Bij Adriaan van Dis in 1985 lukt het niet meer. Reve reageert verkrampt en wantrouwend op Van Dis' kruisverhoor. 'Soms is het beter je helden niet van nabij te zien', zegt de presentator er later over. De ironie is uitgewerkt. De schrijver gaat op weg naar het einde, zoals een van zijn romans al verkondigde: Oud en eenzaam.

Erik van den Berg

Lezen:

Verzamelde gedichten (1987) Onmisbaar, van Paradijs ('God was een Ezel en hield veel van mij') tot Getuigenis ('Vrijheid! Ziekte! Ouderdom! Lang leve de Dood!'). Gelukkig komt volgend jaar een herdruk

7. Reve en de wanen

In De Avonden leest Viktor Poort 'een klein boek met grijze linnen band'. Frits van Egters krijgt het te leen. Het heet De kleine zenuwlijder, handleiding tot een fatsoenlijk leven. Reve-vorsers vonden uit dat het boek echt bestaat. Het heet in werkelijkheid De kleine neurasthenicus. Beknopte handleiding tot een ordentelijk leven, geschreven door Herman de Cock in 1922, en is een bonte verzameling 'kleine ziektegeschiedenissen'. Ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van De Avonden gaf De Bezige Bij het in 2007 opnieuw uit.

Reve was een hypochonder die altijd bezig was met zijn psychische en fysieke gezondheid. Hij hield de moed erin met vaste bon mots als: 'Ik kak nog zonder bril' en 'Ik zie de dood met belangstelling tegemoet'. In het nawoord bij zijn Verzamelde gedichten (1987) schrijft hij over zijn werk: 'Het vertolkt de gewaarwordingen en gevoelens van een gewoon mens, zij het van iemand die niet geheel goed bij het hoofd is. Maar bestaan er mensen die dat wél zijn?'

Als Reve in brieven gewag maakte van een voltooide roman, placht hij steevast op te merken: 'Er komt weer geen normaal mens in voor.' Aan De kleine neurasthenicus ontleende hij ook de diepzwarte titel Het Boek van het Violet en de Dood, decennialang een gedroomd magnum opus en een bezwerend motief in zijn oeuvre, 'de plicht om een groot, een machtig boek te schrijven', in 2006 alsnog verschenen - ietwat teleurstellend, hoe kon het ook anders; een boek te schrijven 'dat alle andere boeken overbodig maakt', was zelfs Gerard Reve niet gegeven.

In de verantwoording bij Brieven aan mijn lijfarts 1963-1980 schrijft Reve: 'Ik was gestoord, manisch-depressief volgens eigen diagnose, en een halve of misschien wel hele alcoholist, met of zonder diagnose.' Die 'lijfarts' was Reves huisarts (later psychiater) Jan Groothuyse, met praktijk in de Amsterdamse binnenstad, naar eigen zeggen een man die het leven niet aankon: hij pleegde zelfmoord in 1983. 'Slechts wie zelf ziek is, kan heelmeester zijn', was zijn - nogal reviaanse - motto.

Reve schreef zijn kwalen toe aan het solitaire bestaan dat het schrijverschap per definitie is en het besef waarvan zijn werk ten diepste doordrongen is: de mens is in beginsel eenzaam, daar helpt geen lieve moeder aan. Tegelijkertijd had hij het isolement broodnodig om te kunnen schrijven, 'anders word ik gek'.

Toch, bij alle tobberij gaat er altijd iets blijmoedigs uit van zijn werk, je kikkert ervan op, van 'Mullis is vullis; Reve, dat is pas leven'. En sonoor klinkt nog immer zijn vaste afscheidsgroet: 'Moedig voorwaarts.'

Remco Meijer

Gerard Reven in Machelen, 2001. Beeld Marcel Molle

Lezen:

Brieven aan mijn lijfarts - 1963-1980 (uitgegeven in 1991).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden