Een wansmakelijke femme fatale

In zijn nieuwe roman lijkt het alter ego van Geerten Meij-sing eindelijk de ware te hebben gevonden. Maar het gaat slechter en slechter, en uiteindelijk hoop je dat hij ooit nog eens het geluk zal vinden....

Daniëlle Serdijn

‘Maar dit keer was anders.’ Klinkt als een bezwerend excuus voor iets waarvan je eigenlijk wel weet dat het op dezelfde onfortuinlijke manier zou aflopen als altijd. Toch begin je. Omdat de voortekenen anders zijn, denk je. Maar dat is niet zo.

‘Maar dit keer was anders’ is de openingsregel van Siciliaanse vespers, de nieuwe roman van Geerten Meijsing. Het is een doeltreffende zin, want, met alle associaties die het oproept, herbergt het ongeveer het hele verhaal. Het zal niet anders gaan. Het zal gaan zoals het altijd gaat. Andere routes lijken er ook niet te bestaan wanneer het wederom over Erik-Jan Provenier gaat, Meijsings alter ego, die we eerder tegen kwamen in romans als Tussen mes en keel en Dood meisje. Alter ego’s zijn boeiende figuren in de romankunst: het is de schrijver, maar het is hem ook weer niet. Het prikkelt een lezer ertoe om te denken dat iets waar zou kunnen zijn. Tegelijkertijd heb je niks aan de blote feiten, omdat ze juist pas zin, betekenis en amusementswaarde krijgen in dienst van het verhaal. Niet iedereen weet dat. Sommige lezers verkneukelen zich al bij de gedachte dat wat Meijsing, of om het even welke andere schrijver, te vertellen heeft, op werkelijkheid berust. Maar daarmee doe je een roman tekort, hoeveel opwinding de feiten op zichzelf misschien ook mogen wekken.

In Siciliaanse vespers is Provenier voorbij z’n vijftigste levensjaar. Hij woont op Sicilië, in Syracuse. Z’n dochter Chiara, die we nog kennen uit de roman Malocchio, is inmiddels volwassen, studeert en heeft haar eigen besognes. Provenier heeft de handen vrij voor de liefde, hoewel hij daar zelf nauwelijks meer in gelooft. Hij heeft last van z’n hart, kampt met overgewicht en is in vrouwen zo teleurgesteld, dat hij zich heeft voorgenomen er niet meer aan te beginnen.

Maar dan. Ineens is er weer het contact met een oude vlam. Zij, Elisabeth, die zich Lee of Wolf laat noemen, is de veertig net gepasseerd. Na een huwelijk met een zakenpief, waaruit twee dochtertjes werden geboren, is Lee weer vrij. Tot op zekere hoogte dan, want Lee heeft een vaste minnaar. Maar die is getrouwd.

Om te herstellen van een abortus, lezen we tussen neus en lippen, besluit ze haar oude vriend Provenier op te zoeken in Syracuse. En vanaf daar ontwikkelt de roman zich zoals de vele andere, goed gecomponeerde Meijsing-verhalen dat deden.

Provenier raakt ervan overtuigd dat het deze keer anders is, dat het nu eens wel zal lukken. Maar het gaat zoals altijd, in een mooie balans: van kwaad tot erger, richting afgrond, onontkoombaar als in een klassieke tragedie. Met Provenier als tragische held, en Lee als femme fatale. Tijdens een reis per auto – Meijsings geliefde Citroën – van Syracuse naar Amsterdam wikkelt de liefde zich af. Hoe noordelijker ze komen, hoe kouder zij wordt. Eenmaal thuis blijkt Lee’s bedrog.

Lee is een echte Meijsing-vrouw. Hoewel zij zich ook laat lezen als een commentaar op de leeghoofdige consument. Op het eerste oog is ze goed verzorgd, maar ze heeft een verraderlijke hang naar een banaal soort luxe. Zo wil Lee graag een Guccitasje. Maar om het statussymbool te bemachtigen gaat ze naar zo’n treurige outletstore. Haar wangen zijn glad gespoten met botox, maar haar ‘koelkast is gevuld met rommel van de Aldi’. Tel je al die eigenschappen bij elkaar op, dan zie je een uithangbord van wansmaak. Naast een doorgewinterde hedonist als Provenier, die uitsluitend geniet van het beste dat kunst en cultuur hebben voortgebracht, oogt Wolf dan ook beslist armoeiig. Alleen, híj ziet het in aanvang niet. Of wil zijn ogen ervoor sluiten.

Zozeer als de licht hysterische Lee een prototype is – een moderne belle dame sans merci, tikje ordinair en net over het hoogtepunt van haar schoonheid heen, maar daarom juist wel lekker –, zo is Provenier dat ook. Ook hij wordt bij elk boek dat Meijsing schrijft, een man met steeds krachtiger contouren, een man die zijn ondergang niet kan ontlopen omdat hij nu eenmaal altijd voor foute vrouwen zal vallen. Het zal nooit anders zijn. Een lezer rekent daarop. Desondanks hoop je dat Provenier het geluk ooit nog eens mag vinden. Een fijne huishoudster, een goed pensioen, en vooruit, een lieve vriendin. Waar Meijsing dan over schrijven moet, is een ander verhaal. Daniëlle Serdijn

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden