Voorpublicatie Aanelkaar

Een voorproefje uit Aanelkaar van Campert en van Kooten: ‘We laten onze fantasie de vrije loop’

‘Ik wil je voorstellen om samen een boek te schrijven’, schreef Remco Campert op 17 november 2017 aan zijn vriend Kees van Kooten. ‘We zijn vrij om te schrijven wat we willen. We laten onze fantasie de vrije loop. Wel moet er de noodzaak van het schrijven in zitten. Zonder elkaar zouden we het niet geschreven hebben. Voel je er iets voor?’ Van Kooten voelde er iets voor, en het resultaat verschijnt volgende week onder de titel Aanelkaar. Bij wijze van voorproefje alvast twee brieven, over hun eerste kennismaking.

Beeld Silvia Celiberti

15 jan 2018

Beste Kees,

Ik probeer me te herinneren wanneer en waar wij elkaar voor het eerst ontmoetten, maar mijn geheugen faalt. Daar heeft niet iedereen last van. Henk Hofland bijvoorbeeld had een ijzersterk geheugen. Die wist alles nog uit zijn jeugd, al kan niemand natuurlijk controleren of het klopte. In de loop der jaren schijnt men de herinnerde ‘feiten’ flink aan te dikken.

Om mijn herinnering een handje te helpen, plaats ik onze eerste ontmoeting in een wisselend decor. Een tuin, een straat, een kamer passeren de revue. Maar het werpt geen licht op de zaak. De tuin komt nog het dichtste bij, de tuin van het huis dat D. en ik in Frankrijk hadden. Maar dat is onzin, want toen kenden we elkaar al vele jaren.

Ik probeer dieper te graven in mijn geheugen, maar het weigert botweg dienst. Als ik aan mijn vroegste jaren denk, zie ik altijd een jongetje van een jaar of twee, drie dat met zijn moeder op de Hooigracht in Den Haag woont. Toen kenden wij elkaar uiteraard nog niet. Ik zat in een stoeltje voor het raam met een bord havermoutpap voor me. Meeuwen bespatten het raam. In de pap zat een vel en dat maakte me misselijk. In de gracht lagen de boten vol met kratten viooltjes die uit het Westland kwamen. Het moet voorjaar zijn geweest. Soms mis ik de onschuld van het tafereel. Later kwam de oorlog en met de oorlog de schuld. De onschuld is nooit meer teruggekomen. Denk aan Armando.

Van dat alles met enige moeite afgezien, weet ik nu nog steeds niet wanneer wij elkaar voor het eerst ontmoetten.

Remco

21-1-2018

Goedemorgen, Remco,

Jij vroeg je af waar en wanneer wij elkander voor het eerst hebben ontmoet.

Ik denk zeker te weten dat dit te Amsterdam was, op de Nieuwezijds Voorburgwal, in Scheltema, het roemruchte café van Willem de Lange, ‘de sterkste man van Nederland’. Dat kon je duidelijk voelen wanneer hij jou amicaal op je schouder hengstte. Het was daar aan de Nieuwezijds Voorburgwal een zinderend komen en gaan van journalisten, reclamejongens, schrijvers, acteurs en schilders. En dat van beiderlei kunne. Ik geef je wat namen, om je een vertederde glimlach te ontlokken: stamgasten waren, onder regelmatig wisselende anderen, jouw vrienden Frank Lodeizen en Guus Boissevain, Mark Brusse, Wim T. Schippers, de zusjes Van Garrel (Betty en Letty), Trino Flothuis, Hans Culeman, Armando, Jan Cremer, Wim van der Linden, Lieneke van Schaardenburg, Jacques Gans, Hans Sleutelaar, Phil Bloom, Gied Jaspars, Eelke de Jong, Johnny van Doorn, Kitty Courbois, Rijk de Gooyer, Hans Verhagen, Wim de Bie, Ik zei de Gek en de door jou al genoemde Henk Hofland. En niemand was étonné de se trouver ensemble, maar veeleer heureux.

In welk jaar greep aldaar onze eerste, toevallige ontmoeting plaats? Ik houd het op 1965. In dat jaar verhuisde ik van Den Haag naar Amsterdam, omdat ik emplooi had gevonden bij het Lurelei-cabaret van Eric Herfst en Jasperina de Jong, die overigens nooit bij Scheltema kwamen. Nog een kwarteeuwtje verder terugkijkend, stuit ik op het hartverwarmende toeval dat ik als klein kleutertje regelmatig een bezoek aan die Hooigracht van jou en je moeder bracht. Daar dreef mijn overgrootvader van moederszijde, hij heette Jan Blommers, een Koetshuis met één karos en twee paarden.

Het huisnummer heb ik nooit geweten. De dochter van die koetsier, mijn oma, kon tegen het einde van haar leven niet meer spreken, maar zij verstond ons nog wel. Wanneer wij bange, troostend bedoelde zinnetjes zeiden in de trant van ‘Wat heeft u toch een mooi lang leven gehad, opoe’, dan twinkelden haar ogen, maakte haar rechterhand met het zakdoekje erin een vluchtig wuivend gebaar en zuchtte ze: ‘Pfffft!’

Je kunt dit geen woord noemen, Pfffft, maar het was een pijnlijk helder staaltje van non-verbale communicatie: ‘Pfffft. Zo snel is het allemaal gegaan, ik waarschuw jullie maar even, lieve kinderen, het leven is voorbij voordat je het weet, Pfffft.’ Pfffft

Kees

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.