Een volgepakte zaal bevriest met Galván

Had Nederland wel een Flamencobiënnale nodig? Er zijn vaak genoeg reguliere optredens. Maar steengoede nu-flamenco en avant-garde trokken dit weekend toch weer volle zalen....

Van onze verslaggever Robert van Gijssel

Hij is klein van stuk, heeft iets van een buikje, zijn haar wordt dun. Eigenlijk is Israel Galván een beetje een onooglijk mannetje. Zo bekijk je de danser als die op een simpel stoeltje naast zijn zanger en gitarist concentratie zit op te bouwen voor zijn voorstelling, een van de eerste van de vierdaagse Flamencobiënnale in Utrecht en Amsterdam.

Dan, als zanger Fernando Terremoto een diepe klaagzang inzet, staat Galván op. Hij toont het publiek zijn profiel, en een uitgestoken hand. De hand blijft in de lucht hangen, op buikhoogte. Galván klakt met zijn tong: de hand zakt tien centimeter. Klak: nog tien centimeter. Klak, klak, klak: Galván laat zich nu frontaal zien, heft een arm boven zijn hoofd en bevriest weer. De volgepakte zaal bevriest met hem, en je voelt bijna hoe de monden openvallen. Wat is dit?

Israel Galván (Sevilla, 1973) wilde voetballer worden. Zijn ouders lagen dwars: dansen zou hij. Toen Galván zijn verzet opgaf en de flamencodans serieus begon te nemen, liet hij zich sterk beïnvloeden door de grote Spaanse danser Vicente Escudero. Deze in 1980 overleden volksheld vernieuwde in de jaren dertig de flamencodans radicaal, onder invloed van de kubisten en dadaïsten in de beeldende kunst. Escudero improviseerde en schilderde met zijn lichaam, en was volgens Galván een danser die ‘nog flamenco maakte van de manier waarop hij zijn eten kauwde’.

Als navolger voegde Israel Galván alledaagse bewegingen (aftellen, zweetwissen) toe aan de oeroude palos (vormen) van de flamenco. In zijn voorstellingen onderbreekt hij de vloeiende traditionele lijnen die veelal zijn ontleend aan het stierengevecht (de uitdaging van de torero, de stier valt aan) om geometrische vormen op het toneel te zetten. Die zijn tegelijkertijd bizar, grappig en ontroerend mooi: een machohouding bijvoorbeeld wordt ineens erg ontwapenend als een been, heel breekbaar, een stukje naar links beweegt en daar drie tellen blijft staan. In Spanje wordt Galván gezien als gewaardeerd avant-gardist én weirdo, in Nederland was hij de sensatie van de eerste biënnale voor de flamencokunst. Twee dagen na Galváns eerste optreden in het Utrechtse Rasa op donderdag waren zijn palos nog altijd het voornaamste gespreksonderwerp.

Het Nederlandse flamencopubliek bestaat grofweg uit twee bloedgroepen: gitaarheren en cursusdames. Die dames vormen zo ongeveer de ruggengraat van de flamencocultuur in Nederland. Zij onderhouden met hun cursusdeelnames een beroepsgroep van flamencodocenten, en bieden organisatoren van dansvoorstellingen steevast volle zalen. Het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ, Bimhuis en het Utrechtse Rasa hadden over toeloop dan ook niet te klagen, en de eerste dagen van de biënnale werden vooral de cursusdames bediend. Met de vernieuwing van Galván, het classicisme van Rafael de Carmen, het eigentijdse ballet van Belén Maya, en met de gracieuze klassieke dans van de Cubaanse Yasaray Rodriguez. Vooral de voorstelling van Rodriguez werkte als peptalk in op de cursisten: na afloop werd in de foyer van de Utrechtse zaal ernstig gespeculeerd over workshops en ‘opfriscursusjes’.

De gitaarheren lieten zich zaterdag pas zien, bij de twee concerten in Rasa van de klassieke gitaarvirtuoos Miguel Angél Cortés, en het in Nederland nooit eerder getoonde trio van Juan Manuel Cañizares. Deze geldt als een van de belangrijkste eigentijdse Spaanse gitaristen, naast Gerardo Nuñez en Vicente Amigo.

Bij zijn Nederlandse première was te horen dat de vernieuwing van Cañizares eigenlijk nauw aansluit bij die van de danser Israel Galván. Cañizares is een meester in het stilzetten en weglaten. Middenin zijn harmonieuze uiteenzettingen laat Cañizares soms abrupt stiltes vallen, waardoor zijn laatste akkoord als het ware bevriest. Hij wekt een ongekende spanning op door zijn akkoorden op momenten gedempt te tokkelen, om dan weer voluit en knoerthard uit zijn snaren te laten ratelen.

Het trio van Cañizares, met semi-akoestische bas en percussie, speelt zo jazzy dat het met flamenco soms weinig meer van doen lijkt te hebben. Het concert vormde met het optreden van de fluitist Jorge Pardo en zijn trio op zondag in Amsterdam het in de moderne flamenco onmisbare jazzdeel van dit festival.

Voor aanvang van de ‘eerste Nederlandse Flamencobiënnale’ kon je je afvragen of zo’n tweejaarlijks evenement, naar analogie van de grote biënnale in Sevilla, hier een doel dient. Nederland is sinds de jaren tachtig een flamencogek land, en je kunt de reguliere voorstellingen als afficionado nauwelijks bijhouden. Paco de Lucia, Eva Yerbabuena, Tomatito, Vicente Amigo; de grootheden lopen de deur plat van de grote Nederlandse zalen.

De organisatie had zich wijselijk voorgenomen een aanvulling te bieden op het gangbare aanbod, met avant-garde, jong en zelfs Nederlands talent en een aantal premières.

Die heldere keuze leverde dus open monden op (Galván), puur feest (Rodriguez) en steengoede nu-flamenco (Cañizares). De thematische aanpak en randprogrammering, met lezingen, masterclasses, films en documentaires waren daarnaast voer voor de cursisten, en daarmee – en met de volle zalen – is het bestaansrecht van een flamencobiënnale wel aangetoond. De dans als diavoorstelling van Israel Galván blijft in ieder geval moeiteloos twee jaar hangen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden