Een van ons

Aan identificatie valt nauwelijks te ontkomen op de tentoonstelling Erasmus in Beeld. In Rotterdam blijkt hoe fris de ideeën in zijn geschriften nog zijn....

Michaël Zeeman

Tot de vrolijkste passages uit De Lof der Zotheid behoort de beschouwing die Erasmus wijdt aan oude bokken die nog graag wat aan groene blaadjes sabbelen. De thematiek heeft een zekere actualiteit gekregen in dit tijdperk van ‘de tweede leg’ of ‘de derde worp’, waarbij men, met dank aan de cardiologie en de gedemocratiseerde beschikbaarheid van viagra, heren op hun pensioengerechtigde leeftijd ineens weer achter de wandelwagen aantreft, met daarin niet hun kleinkinderen maar de jongste lichting van hun eigenste gebroed. ‘Je komt overal nog mensen tegen’, schrijft meer dan een half millennium terug Erasmus, ‘zo oud als Methusalem, die er nauwelijks meer als mensen uitzien, die mummelen en ijlen, tandeloos, grijs en kaal zijn, of om met Aristophanes te spreken: smerig, krom, armzalig, gerimpeld, kaal, tandeloos – en snel verliefd.’

Daar wordt onmiskenbaar dat er een columnist verloren is gegaan in de geleerde humanist; jammer dat er nog geen kranten waren, toen, of wetsartikelen tegen onnodig grieven. ‘Die figuren zijn desondanks nog zo levenslustig en willen er zo graag jeugdig uitzien, dat de een zijn grijze haren verft, de ander zich een pruik aanschaft, een derde een vals gebit heeft (dat wellicht van een varken afkomstig is), een vierde dodelijk verliefd wordt op een jong meisje en in galanterie het nog wint van vele jongeren. Want, hoewel aftands en al met één been in het graf, huwen ze menigmaal een piepjong vrouwtje, zelfs al is deze onbemiddeld en al moeten zij haar gunsten met anderen delen. Ja, dat is tegenwoordig zo algemeen, dat er niet eens veel ophef van wordt gemaakt.’

Zelfs het vervolg, waarin de oude vrouwen aan bod komen, ‘die meer dood dan levend zijn’, schrijft Erasmus, ‘en die er uitzien alsof ze uit de doden zijn opgestaan en die men kan horen zeggen dat het leven zo kwaad nog niet is, zo krols als jonge katten, zijn altijd met schoonheidscrèmes in de weer, wijken nimmer van de spiegel, verwijderen het overtollig haar en zijn zwaar gedecolleteerd al is de boezem slap en verwelkt, drinken te veel en zoeken het gezelschap van jonge meisjes’, is nog altijd vitaal genoeg om er een lawine verontwaardigde lezersbrieven mee te bewerkstelligen, nu ja, lezeressenklachten op de site.

Men ziet het voor zich – letterlijk zelfs, want in Rotterdam zijn ze zo snugger geweest om ook dat aspect van Erasmus’ leefwereld en verbeeldingswereld te thematiseren op de tentoonstelling Erasmus in beeld. ‘Ongelijke liefde’, heet het in de uitgestreken taal van de kunsthistorisch gesanctioneerde etikettenplakkers, en op de schilderijen van Lucas Cranach de Oude en zijn tijdgenoot Hans Baldung Grien is te zien hoe die 16de-eeuwse spotters dat verschijnsel beoordeelden. Van beide kanten, bij Lucas Cranach: zowel de grijze geilaard die het jonge mokkel met de marmeren handjes met zijn als een gebruikt condoom zo gerimpelde handen betast, als het oude wijfje met het ruim zakkende decolleté dat haar rimpelknuistje in de hand van de baardeloze knaap legt.

Mooi materiaal, dat de knisperende vinnigheid van Erasmus’ Lof der Zotheid aanschouwelijk maakt en in één moeite door de tijdloosheid van de thema’s van zijn spotlust documenteert. Het kan niet anders of de tentoonstellingsmakers hebben een goede tijd gehad, eerst met de verrassingen die de weinig gelezen Erasmus hun te bieden bleek te hebben, vervolgens met de schilderijen die zich daar ogenschijnlijk moeiteloos bij lieten zoeken. Befaamd zijn de krabbels die Hans Holbein de Jongere in zijn exemplaar van het boek maakte – invallen met de kracht van karikatuur –, zo befaamd en zo vaak gereproduceerd, dat het geen ramp is dat dat exemplaar in Rotterdam niet te zien is.

Want de sardonische portretten van belastingontvangers, wisselaars en vrekken, van, kortom, de 16de-eeuwse verschijningsvormen van wat tegenwoordig mannen met een bonusregeling en een gouden handdruk zijn, zijn er wel. Eén van de meest hilarische van Marinus van Reymerswale – het exemplaar uit de National Gallery in Londen; hij beeldde het thema vaker uit: in alle nationale musea tegenover de grote aandelenbeurzen van de wereld hangt er wel een – is er, waarop de cententellers een feestmuts hebben opgezet gekregen. Die leidt echter nauwelijks af van hun verbeten bekjes – zoals op het in tweeën gezaagde paneel van Jan Provoost de onderkinnen van de vrek geen kans hebben bij de graatmagere dood die hem komt halen. Mooi cultuurhistorisch materiaal, dat De Lof der Zotheid en de passages daarin over de geldlust ineens op het lijf van duitendieven als Rijkman Groenink lijken te projecteren.

Het idee was te laten zien hoe Erasmus zich tot de beeldende kunst verhield en wat de beeldende kunst van zijn tijd over hemzelf te melden heeft. Men koos zijn portretten – en men bepaalde vier thema’s uit zijn biografie om er de universaliteit in de schilderkunst van zijn tijd mee te ontvouwen. Dat zijn, behalve de lof der zotheid, geleerdheid en opvoeding, oorlog en vrede en, ten slotte, kerk en geloof. Vijf kabinetten, met schilderijen, prenten, tekeningen en post-incunabele boeken, vijf keer in al zijn eenvoud raak. Wie er in thuis is, haalt er zijn hart aan op, wie van de straat is krijgt in ravissante vormen van beeldcultuur een cursus vaderlandse geschiedenis, Europese ideeëngeschiedenis en geschiedenis van de reformatie.

Zou het Rotterdams zijn, gewichtige thema’s aanstekelijk opstellen? Er was een enquête, een paar weken terug, waarvan de uitkomst was dat een aanzienlijk deel van de bevolking daar Erasmus voor de ontwerper van de brug van Ben van Berkel hield, met als onbeantwoorde vraag waarom een universiteit, een regeling voor studenten om in het buitenland te studeren en een prijs die dit jaar naar een kosmopoliet ging dan naar een bruggenbouwer waren genoemd. Het toeval van de vergissing, die meer over de kwaliteit van ons onderwijs zegt dan over het historisch bewustzijn van Erasmus’ huidige stadsgenoten, heeft een wonderlijk metaforisch neveneffect: bruggenbouwer. ’t Is geen gekke betiteling voor Nederlands eerste fulltime kosmopoliet.

Op de portretten die er van hemzelf te zien zijn, dat van Quinten Massys die in opdracht van de geportretteerde zelf werkte, dat van Albrecht Dürer en de verscheidene die Hans Holbein van hem maakte, is hij steevast de deftig geklede geleerde met het smalle gezicht. De kap op, de mantel aan – hoe schrijf je toch met natte inkt als je zulke wijd vallende mouwen hebt? – de blik op het papier of vanonder de half geloken oogleden weemoedig de ruimte in, gekleed in het ontzag dat hij voor zijn boeken had en gekleed om ontzag te wekken. Hij ziet er, met die ingevallen wangen, altijd uit of hij zich net tussen het onbesuisde trekken en de afspraak met de orthodontist in bevindt, iets van het kauwen op antieke voorbeelden en andermans twisten moet hem zijn gebit gekost hebben. Maar die hele reeks op rij, zo vertrouwd als de individuele portretten ook zijn, bewerkstelligt een zekere intimiteit. Erasmus is een van ons, een bastaard uit het drassige land van boeren en vissers die de grote wereld met al zijn praal en hoogmoed aan gene zijde van de taalgrenzen versteld heeft doen staan. Wat de onbeschaamdheid van Rembrandt anderhalve eeuw later op diens zelfportretten is – de rode mopsneus en de verbouwereerde blik – is de vastberaden weemoed die Erasmus voor zichzelf liet ensceneren.

Intimiteit en vertrouwdheid, aan identificatie valt nauwelijks te ontkomen: van ons, tot en met zijn gemopper over het belabberde onderwijs dat hij genoten heeft, tweede kabinetje, aan toe. Iets leren doe je niet in de Lage Landen met hun suffe en sadistische onderwijzers, daar heb je een Erasmusbeurs voor nodig – en hoplakee, daar gaat hij, vijf eeuwen vooruitlopend op die regeling, naar Parijs, naar Bologna, naar Venetië, naar Leuven, naar Bazel en naar Freiburg im Breisgau. Hij trekt zijn spoor met de boeken die hij in al die steden laat uitgeven, in de eerste decennia van de 16de eeuw die tevens de eerste decennia van de volwassen geworden boekdrukkunst zijn. Hij is lector en corrector van de allergrootste drukkers-uitgevers van zijn tijd, en wat zijn ze nog altijd adembenemend van typografische vormgeving en papierkwaliteit, de boeken die hij schrijft en die zijn vrienden en patroons Aldus Manutius in Venetië en Johannes Froben in Bazel op zijn gezag drukken.

Edities van klassieke voorbeelden, gezuiverd van het middeleeuwse vuil en accuraat geredigeerd naar de normen van het humanisme, edities van de bijbel, met commentaren om de kerkstrijd van de reformatie te helpen sussen, literair werk en pedagogisch werk, voor leerling en leerling-vorst beiden. De tijd lijkt er geen vat op te hebben gehad, zo kraakhelder zijn de pagina’s, zo zuiver de choreografie van letters op papier. Je zou bijna over het hoofd zien dat de ideeën die erin zijn vastgelegd al even fris zijn.

Komt het oorlogvoeren en komt de kerkstrijd – en opnieuw komt hij dichtbij, dichtbij ons. In de kostelijke verzameling prenten die de botsing der beschavingen documenteert, de christenheid van Europa die het in 1529 in Wenen zwaar te verduren heeft van de mohammedaanse Turken. Jan Cornelis Vermeyen graveerde Muley Ahmed, een Berber met een snorretje, voor de ruïnes van Rome, Erhard Schön maakt van Suleyman de Grote en zijn vrouw Roxanna houtsneden als tarotkaarten, naar de Zeden en gewoonten van de Turken moeten de gemeenteleden van de huidige Mevlana-moskee toch met lichte verbijstering kijken. En of je Muley Hasan en zijn gevolg aan de maaltijd van diezelfde Vermeyen nog zonder pardon in de Jyllands Posten zou kunnen krijgen moet ik nog zien.

Erasmus, echter, predikte de vrede en de eendracht, en weigerde de consequentie te trekken van zijn even geleerde als morele godsdienstkritiek. Voor wie enig benul heeft van wat er na zijn dood gebeurde – de geestelijke uit een klooster bij Gouda, die zonder de laatste sacramenten in Bazel stierf en werd bijgezet in de door de beeldenstorm Reformatorisch geworden voormalige kathedraal – zit er een enorme opsteker in dat wat lauwe pappen en nathouden van die oer-Hollandse kosmopoliet, die de boel zo graag bij elkaar gehouden had.

Hoe kun je onderstrepen dat zo’n tentoonstelling in al haar eenvoud en historische precisie een ontzagwekkende, pedagogische actualiteit heeft en dat de twee heldere opstellen waarmee de catalogus opent - Hans Trapman over leven en werken van Erasmus en Peter van der Coelen, de conservator van de tentoonstelling, over Erasmus en de beeldende kunst - zo achter de canon van de vaderlandse geschiedenis geniet kunnen worden? Misschien door op die misselijke verminking van Erasmus’ portret te wijzen, de vervloeking met een pen die iemand die wij niet meer kennen op een gravure van zijn portret uitleefde. Zo broos is het, al die milde redelijkheid van het laagland, al die goedmoedige spotzin, al die zin om andermans kinderen een behoorlijke scholing te geven, al die tegenzin om mekaar de tempel uit te vechten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden