Een ultieme poging te behagen

Van alle mogelijke levens kies je er maar één - als er al iets te kiezen valt. De onbestemde kern die een kind, zodra hij ontdekt dat hij zijn moeder niet is, 'ik' noemt, zeult hij mee tot in het graf....

Aleid Truijens

Deze naamloze ik-figuur lijkt op Van Dis als een tweelingbroer, maar hij is een romanpersonage. Een jongen uit het keurige, benepen Halfstad in het Gooi. Na zijn eindexamen wil hij acteur worden, hij ís een acteur. Maar als hij tijdens de toelatingscursus voor de toneelschool door morsige Brecht-adepten wordt uitgelachen om zijn romantische voorkeur en zijn negentiende-eeuwse pathos, besluit hij dat de hele wereld zijn podium zal zijn. Hij zal zijn begeerde rollen niet spelen, hij zal ze leven.

Want applaus zal er klinken. 'Waarom maak je je zo groot?', vraagt zijn jeugdvriend Werner hem vermoeid. 'Omdat ik groot ben', is het antwoord. Groot moet een jongen zijn, die door zijn vader werd gekleineerd en geslagen, die door de vader van een 'kniekousmeisje' van het grindpad werd gejaagd. Wraak: 'Buik in, kop op. . . en rustig lopen: zo komt een heer de eetzaal binnen. Ik speelde een opkomst waar de hele Toneelschool een puntje aan kon zuigen.' Applaus klinkt als liefde.

Van Dis geeft zijn roman als motto een citaat mee uit Couperus' roman Metamorfoze: 'En al zoû ik nu eens schrijven een boek, waarvan de held een modern auteur was; al zoû ik dien held laten schrijven werken, die verwant aan de mijne waren, de held zoû ik niet zijn, zijn kunst niet de mijne: en de roman zoû een roman blijven, niet dan een roman, en zich nooit realizeeren tot autobiografie.'

Natuurlijk is dit citaat een waarschuwing: pas op, dit is mijn leven niet. Maar de keuze voor Couperus is om een andere reden veelzeggend. 'Ik leef een metamorfoze', zegt diens hoofdpersoon. Deze Hugo is niet in staat zijn 'lijfsverlangen' en zijn 'zielsverlangen' te verenigen. Hij kan niet liefhebben, speelt daarom iedereen en is niemand, en dat wordt hem noodlottig. De ik-figuur in Dubbelleven lijkt een dubbelganger van Hugo, maar híj overleeft.

Couperus kon niet zijn wie hij was, een homoseksueel die zich in sterke mannenarmen wilde storten. Daarom trouwde hij met zijn nichtje, en zorgde hij dat hij geen tijd had om te leven. Hij schreef zeventig boeken in veertig jaar. Zijn 'ik' smeerde hij uit over tientallen personages. Moeiteloos versmolt hij met de zenuwzwakke Eline Vere, met een feministe die hunkert naar haar mannetjesbeest, met een androgyne Romeinse keizer. Zo leefde hij zijn 'metamorfozes'. En de lezer met hem.

En daarin zit hem het verschil tussen deze schrijver en Van Dis, hoezeer ze ook op elkaar lijken, de dandy uit Den Haag met zijn lakschoentjes, en die uit Hilversum met zijn beroemde dassen. Allebei een half 'Indische' achtergrond, opgegroeid tussen een moeder en zussen, in een keurig, even gehaat als gekoesterd milieu. Maar Van Dis laat een afsplitsing van zichzelf vele rollen spelen in één roman; Couperus had er zeventig voor nodig. Zoon of elfje, bal of rebel, homo of hetero, hoer of hoerenloper, wereldverbeteraar of crimineel, leernicht of lieveling van alle moeders, de jongen kan niet kiezen. Hij wil het allemaal, en hij werkt zijn rollen in ijltempo af.

De volle klerenkast van zijn vader is een mooi uitgangspunt: man van de wereld in maatpakken, aristocraat in een rijbroek, huiselijk type in een sjamberloek, de types liggen voor het oprapen. Enkele eigentijdse attributen als een fluwelen nichtenbroek en een ruig leren jack doen de rest. Zijn krachtigste tovermiddel is een ordinair gouden patserskettinkje, dat hij onzichtbaar draagt onder zijn andere vermommingen. Samen met die stoere wederhelft voelt hij zich veilig. Glorieus opgetuigd kan hij naar buiten, hup, de zelfkant verkennen. Zich laten oppikken door brute mannen, verveelde dames uit Zuid verwennen en, als het geld op is, gewoon maar portefeuilles jatten. Nergens hoort hij bij, geen rol zit hem als gegoten. Maar dat moet ook zo. Het spel is uitstel van executie.

Het moet, want de jongen is een narcist. Narcist uit noodzaak. Van het gevoelige jongetjes dat hij was, werd niet genoeg gehouden, en nu moet hij het zaakje zelf opknappen. Hij verlangt naar 'duizend kusjes op zijn oor, aaitjes, fluisteringen', maar die krijgt hij niet, omdat hij zelf niet kan liefhebben. Hij is minnaar en geliefde in één; zijn spiegelbeeld is zijn andere helft. Met de leren rijbroek van zijn vader gaat hij voor het raam staan. Dubbelliefde: 'En ik zag mezelf dubbel. Voorkant en rug. De spiegel achter mij reflecteerde in het raam. Kont en kruis hoog in de stad. Ik voelde me weer sterk.'

Buiten, in die stad, is de hele wereld zijn spiegel. 'Kijk, ze moeten om me lachen, ze luisteren naar me', dat voelde hij als kind wanneer hij met een handdoek om een stemmetje deed. 'Alle ogen op mij gericht en er toch niet zijn', dat is de essentie, en het moet duizendvoudig herhaald. Alles wat de hoofdpersoon onderneemt, is een poging om reacties af te dwingen. Vinden ze hem mooi, lief, stoer, geil? Hij stort zich in een actiegroep, identificeert zich met de geknechte Grieken, gooit zelfs een bom - en kijk, ook die rol lukt. Hij treft zichzelf aan in een smerige woning, bovenop een bak koude bami, naast een slons die zich bevredigt terwijl haar dochtertje toekijkt. En de enige reden waarom hij zo diep zakt, is dat hij zichzelf overal wil ervaren, het liefst in de drek.

Want anders valt er niets te voelen. De ik-figuur denkt dat hij het vermogen heeft om mee te trillen met andere zielen, maar dat is een misvatting. Als hij een zwerver ziet, ís hij die zwerver. Als hij Bekentenissen van Zeno leest, rookt hij achter elkaar pakjes sigaretten leeg, bij De Toverberg zit hij te rillen in een deken. Een mooie arbeidersjongen in de trein: Reve. Hij als dief: Genet. Maar hij gaat niet op in anderen, hij is een huls die zich vult met stereotypen. Het enige wat er binnen al die vermommingen trilt, is zijn eigen gewonde ego. Zonder bevestiging gaat het niet. Als hij vindt dat het afgelopen moet zijn met zijn luie leven, dreunt Rilke's 'Du musst dein Leben ändern!' door zijn kop; voor zijn biseksualiteit vindt hij steun bij Plato. Een acteur ontsnapt nooit aan zijn rol.

De overtuigende beschrijving van een jongen die gevangen zit in zijn eigenliefde maakt van Dubbelliefde een volmaakte studie in narcisme. Een met een enorme vaart en precieze timing geschreven portret, met prachtige, soms hilarische scènes, zoals het loven en bieden in een nachthol van de bohème, of de scène waarin vaders in wasbenzine gedrenkte rijbroek vlam vat. Schitterend theater. Maar daarmee nog geen geslaagde roman.

Deze geschiedenis van een jongen die de grote stad verkent, is een merkwaardig statisch boek. Er zit geen ontwikkeling in dat karakter, of in die afwezigheid van een karakter. De man die aan het eind van de roman de gouden ketting toespreekt - als Frits van Egters zijn konijn in De Avonden - wordt door het Cartier-sieraad uitgescholden: 'Kan je wel, de kat in het donker knijpen, en voor de buitenwereld mooi weer spelen.' Maar hij kan zijn leven nu eenmaal niet ändern. Om de hoon van de wereld voor te zijn, hoont hij, via de ketting, zichzelf. Hij blijft onkwetsbaar achter zijn schild. Zelfs als hij besluit schrijver te worden, en zijn rollen uit te leven op papier, weet je: het zal altijd een wanhopig spel blijven.

De buitenwereld dringt niet tot de ik-figuur door, en niet tot de lezer. Alles wat er aan 'jaren zestig' de roman is binnengesleept, maakt een onechte indruk. De arrogante hemelbestormers, de marxistische leesgroepen, het opgefokte politieke 'bewustzijn', de universitaire werkgroep met een 'groepscijfer' - alles klopt, tot in de kleinste details. Maar waarom blijft het zo'n dooie boel? Amsterdam, met zijn pooiers, hoeren en junks wil maar niet tot leven komen. Het is een decor met wisselende zetstukken.

Die tragiek, de gevangenschap van de ik in zijn broze theater, is een mooi thema. Maar het pijnlijke is dat ook Van Dis, de schrijver achter de jongen, niet door het schild weet heen te breken. Hij doet een goede poging. Hij voert tegenstemmen op, zoals die van Werner, de enige vriend. Werner zegt dingen als 'Je stelt je op als het middelpunt der aarde', en verwijt hem 'hysterische empathie' en 'projectie'. Maar Werners kritiek is te hard. De schrijver neemt zijn hoofdpersoon in bescherming. De jongen die het onmogelijke verlangt - 'die harde handen zachter maken', de wrede militaire vaderhanden - verdient immers liefde. De schrijver durft niet in zacht, halfverzonnen vlees te snijden. En de lezer krijgt het mes op de keel: houd van hem!

De laatste tegenstem is die van de schrijver. In een nawoord noemt hij zijn bronnen. 'Ik wil de geschreven bronnen van Dubbelliefde graag met mijn lezers delen', schrijft hij innemend. Die boetedoening roept een passage uit de roman in herinnering. Daarin geeft de ik-figuur zijn betaalcheques als gestolen op bij de politie, om ze vervolgens in vermomming te gaan verzilveren. Hij krijgt spijt en geeft zichzelf aan. Als de vriendelijke rechercheur vraagt naar zijn vader, barst hij in tranen uit. Dat bewijst dat hij een goeie jongen is, een jongen met een geweten. Een jongen die eigenlijk meer 'kusjes, aaitjes, fluisteringen' moet krijgen dan iemand die nooit door de hel van de vernedering is gegaan.

En zo spreekt Van Dis ons aan het eind toe als een zuiver mens. Een schrijver die 'bestaat uit vele lezers', maar een schrijver met een geweten. Dat laatste, kokette gebaar bewerkstelligt de laatste metamorfose: die van een roman in een ultieme poging te behagen. Iedereen, ook de tot parelkettingmatrones uitgegroeide 'kniekousmeisjes' die zo graag lezen over verloedering, zolang die maar beveiligd wordt door het opschrift 'literatuur'. De ontmaskering is een verleidingspoging, en ach, daar is natuurlijk niets op tegen. Ze zal ook dit keer wel weer lukken.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden