Een trombone die kan zingen en fluisteren

Hoe luiden de drie bekendste symfonieorksten van Nederland de nieuwe eeuw in? Driemaal raden. Het Concertgebouworkest speelt de Achtste Symfonie van Mahler (correct)....

Alle drie correct. De Mahleruitvoeringen en de première van Gerard Brophy moeten zich nog afspelen. Het RPhO was vrijdag aan de beurt. In de Doelen, waar een avond lang muziek klonk van twintigste-eeuwers.

Omdat het RPhO naar goed Rotterdams gebruik al gauw te maken heeft met morrend publiek zodra er sprake is van twintigste-eeuws repertoire, mochten abonnementhouders tevoren hun keuzes kenbaar maken door een inzendactie. Het wensconcours werd aangevuld met een welhaast splinternieuw Tromboneconcert van Luciano Berio, gecomponeerd voor de Zweedse virtuoos Christian Lindberg, en aangekondigd als 'het laatste werk van de twintigste eeuw'.

Rotterdammers die Gershwin als twintigste-eeuwse trouvaille op de verlanglijst hadden staan zullen het misschien niet beamen, maar er was reden iets te verwachten van deze Nederlandse première. Van de veertien Sequenza's die Berio componeerde voor solo-instrumenten zónder orkest, is die voor trombone een van de indrukwekkendste. Wat Berio uit de trombone haalde (en door de toeter liet zingen en fluisteren) grensde anno 1965 aan het ongelooflijke, en heeft nog niets van zijn zeggingskracht verloren.

Tegenover de extremen van de sequenza, frappeert het nieuwe concert door zijn vloeiende lijnen en oorstrelende klankpalet. De orkestbezetting bleek afgestemd op timbres die de ronde trombonetonen als een fluwelen handschoen omvatten, met saxofoons, vijf klarinetten en evenzoveel fluiten in een houtsectie met maar één hobo en één fagot. Kopersecties die de trombone nu eens in de rede vallen, dan weer vergroten tot één supertrombone: het is een slagwerkloos orkest, dat Berio hier aan het werk zet. Met weinig violen, maar met veel lage strijkers, die akkoorden neuriën of een quasi-tongklakken van de trombone subtiel kracht bijzetten.

De constructie ervan zal wel een verhaal apart zijn. In de vorm laat zich symmetrie vermoeden, verlopend langs de hoofdlijn beweeglijk-langzaam-beweeglijk, en met als eind- en uitgangspunt een lange toonherhaling. Wat zich in een roes leek te voltrekken vergde overigens het uiterste van Lindbergs speeltechnische vermogens.

De nieuwe Berio werd gesecondeerd door, driemaal raden, de volgende Rotterdamse hartewensen: de Piet Hein-rapsodie (fout), de Rhapsody in blue (fout); het Warschauconcert van Addinsell (fout). Ook Stravinsky ontbrak.

Poulenc was er wel. Van hem klonk Les animaux modèles, een suite waarin sprake is van een verliefde leeuw en een 'man van middelbare leeftijd en zijn twee maîtresses'. Hindemith was van de partij met zijn gemoedelijke Ragtime, en Schönberg was er ook - zij het in de onschuldige rol van bewerker. Marcel Boone zong de baritonpartij bij Schönbergs orkestratie van Der Nöck, een ballade van de brave, in 1869 overleden liedcomponist Karl Loewe.

Dat de twintigste eeuw in Rotterdam een rekbaar begrip is, bleek ook uit de keus van Blumine, een verworpen symfoniedeel van Mahler uit 1888. Maar doordat de Loewe-ballade nog nooit met orkest was uitgevoerd, dirigeerde Jan Latham-Koenig toch ook weer een wereldpremière.

De maîtresses bleken hem bij voorbaat in een joechhei-stemming te hebben gebracht. Zozeer, dat er bij Hindemith weinig meer te bekennen was van een klankbalans. Ook de leeuw en de krekel gingen schuil achter ruw gepenseelde promenadeklanken. Kennelijk was alle aandacht aan de nieuwe Berio besteed, en dat mocht ook wel. Het was vrijdag het enige stuk waar de twintigste eeuw zich niet voor hoefde te generen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.