Een traditionalist aan de wieg van vele legenden

Hij vond zichzelf te traditioneel om deel te nemen aan al die vernieuwingsbewegingen waar hij met zijn neus bovenop stond....

PAUL CITROENS modellen keken er altijd weer van op als hij het papier op zijn tekenplank prikte en begon te schetsen. Hij werkte niet stil en ingetogen, maar met veel kabaal en expressie. Het was geen theater. Hij had op het Bauhaus geleerd hoe je moest tekenen - organisch, lijflijk. Hij legde er zijn hele ziel en zaligheid in; zuchtte, steunde, maakte op en aanmerkingen. 'Wat een veranderlijke kop! Kijk nu eens aan. . . nee, niet zo, ja, juist', hoorde de schrijver Rico Bulthuis hem mompelen.

En Alfred Kossmann herinnerde zich hoe hij al tekenend in zijn Berlijns stadsaccent zei: 'Ja, je gezicht een beetje naar rechts. Nicht zuviel. So, ja, so ist es, so ist es, ja.' 'En intussen', schreef Kossmann later, 'gebaarde zijn houtskool op papier, schoof hij met zijn duim lange streken houtskool en liet hij zijn gezicht triomf, aandacht, ontevredenheid uitdrukken, in snelle vlagen, orgastisch kreunend en jubelend.'

Citroen zocht de psychologie van zijn modellen en de weerslag van hun persoonlijkheid op hemzelf. De vrucht van die confrontatie was een intens, emotioneel proces - het moest met gevoel en niet met verstand. Zijn ogen lieten het model niet los, zijn pen kwam niet van het papier. Hij was - een paar jaar lang - fotograaf, maar fotografie vond hij geen kunstvorm, omdat 'het schuiven van een machine tussen eerste innerlijke emotie en voltooid kunstwerk niet de organische groei toelaat waarvan het leven van een kunstwerk afhangt.'

Op het eind van zijn leven gaf hij nog eens de sleutel van zijn werk: 'Weet je waarom het voor de meeste schrijvers moeilijk is om schilders te begrijpen? Ze beseffen niet dat tekenen en schilderen uit je vlees en bloed komt. Daarom hebben de meeste schrijvers geen verstand van schilderen. Ze snappen niet dat ons werk lijflijk is. Wij moeten vanuit ons materiaal werken. Vanuit ons tastgevoel.'

Paul Citroen (1896-1983), dé portrettist van de eerste decennia na de oorlog, wordt opeens herdacht met twee boeken en een begeleidende tentoonstelling. Zijn fotografisch werk is opgenomen in de serie Monografieën van Nederlandse fotografen. En van de 7000 getekende portretten die hij moet hebben gemaakt - in die naoorlogse hoogtijdagen zo'n 150 per jaar - is de reeks van 49 portretten van schrijvers die het Letterkundig Museum bezit, gebundeld in de reeks Achter het Boek.

Hij werd in Berlijn geboren, zoon van welgestelde Nederlandse ouders, die zich na het gymnasium inschreef op de Kunstakademie in Berlijn, waar hij les kreeg van de schilders Max Liebermann en Adolphe Menzel. Hij verkeerde een paar keer in baanbrekende gezelschappen. Eerst in de kringen rond de roemruchte galerie Der Sturm, waar hij de schilders van Die Brücke, Der Blaue Reiter en de futuristen ontmoette, later aan het Bauhaus in Weimar waar hij een paar jaar studeerde.

Beide keren miste Citroen de aansluiting met de avant-garde. Hij wilde wel, maar kon niet. Hij werd gegrepen door het werk van de Brücke-schilders, maar vond zichzelf een te traditioneel kunstenaar, gaf er zelfs een tijd het tekenen en schilderen helemaal aan. In zijn Bauhaus-periode waarin hij weer opnieuw begon, gebeurde iets soortgelijks. Hij leerde er tekenen en schilderen naar de moderne opvattingen van de gedreven vernieuwer Johannes Itten, maar verliet z'n leerschool omdat de nadruk hem daar te veel op het constructieve en niet op expressie lag.

Hij kende Kandinsky, Klee, Grosz en Kokoschka, het stormachtige bohème-leven van Berlijn in de jaren twintig, wilde er deel van uitmaken en zocht er zijn weg. Maar voor het expressionisme van de kring rond Der Sturm was hij niet gedreven genoeg en voor het modernisme van het Bauhaus te conservatief. Hij werd een man van het midden.

'Ik was als een vlinder', zei Citroen later, 'die hier en daar aan de kunst proefde, als een zwerver die hier of daar verpoosde, zonder zich blijvend te vestigen.' Toch vond hij zijn plaats in de historie van het modernisme met de collages van zijn Grossstadt-visioenen, die hij - lang voor de film Metropolis - in de jaren twintig maakte.

Eind jaren twintig vestigde Paul Citroen zich definitief in Nederland. Hij ontwikkelde zich in de crisistijd tot een verdienstelijk fotograaf, maar hield er weer mee op toen hij ging doceren. Schilderen en tekenen was zijn passie, de fotografie maar even. 'Daar waar het bij tekenen interessant begon te worden', zei hij later, 'hield het bij fotografie op. Tekenen heeft rechtstreeks met je lichaam te maken en fotografie niet.'

Citroen werd een geliefd portrettist, die van alle kanten opdrachten kreeg, een voorbeeld voor velen. En hij heeft aanzienlijk bijgedragen aan de vernieuwing van het kunstonderwijs in Nederland. Eerst met de oprichting in 1933 van de Nieuwe Kunstschool in Amsterdam, Citroens Bauhäuschen, een vrije en ongesubsidieerde academie die naar het grote voorbeeld uit Weimar een nieuw levens- en kunstideaal uitdroeg. En later in een gedreven docentschap aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag.

Jan Wolkers maakte hem er vlak na de oorlog mee. 'Een belevenis! Het was onmogelijk om dat nog ooit te vergeten. Op ravenwieken schoot hij door de geschiedenis van de kunst. Van de slangengodinnen van Kreta met hun uitdagende siliconenborsten uit hun opengespleten gewaad tot aan de kunstenaars van Das Bauhaus (. . .) Het was adembenemend, ook voor hem. Soms spottend zijn joods-duits accent overdrijvend, dan dodelijk ernstig als hij het over de schilders van Die Brücke had. Dan weer zo vurig begeesterd dat je bang was dat hij tot een schilderij van Kandinsky uit elkaar zou spatten. Er werden lijnen getrokken als regenbogen en het rookspoor van sissende vuurpijlen.'

0 ITROEN HAD de wereld gezien, de grote kunst, aan de wieg van de legende van de vernieuwing gestaan, en had een ander verhaal te vertellen dan wat gewoonlijk op een academie werd gedoceerd.

Het is mooi dat hij - zo veel jaar later - wordt geëerd met een dubbelhommage in boekvorm. Er wordt een liefdevol en gedetailleerd beeld van hem geschetst in Paul Citroen: Schrijversportretten, waarin zijn gloriejaren als diepte-portrettist worden bezongen.

Paul Citroen was geen vleier. Toen Maurits Dekker z'n portret te zien kreeg, schrok hij: 'Je bleek een gedrocht van mij te hebben gemaakt. Een min of meer menselijke en zelfs niet oninteressante kop, maar een gedrocht. Toch maakte die lelijke ouwe kerel van jou mij een beetje vertrouwder met de aansteller, de mooie jongen, die mij mijn leven lang uit de spiegel heeft aangekeken.'

De serie monografieën van Nederlandse fotografen, waarvan Paul Citroen (1896-1983) het zevende deel vormt, schonk eerder aandacht aan het levenswerk van Sanne Sannes, Pieter Oosterhuis, Koen Wessing, Emmy Andriesse, Piet Zwart en Jan Versnel. De betekenis van hun werk en hun invloed op de ontwikkeling van de fotografie in Nederland is evident. Hun werk is persoonlijk, gedreven en vernieuwend. Citroen is in die reeks een buitenbeentje.

Hij was maar een paar jaar fotograaf, van 1929 tot 1935 - meer door de crisistijd gedwongen dan uit hartstocht. Vlak voor zijn Bauhaus-jaren heeft de camera hem even in de greep gehad, hij werd meegesleept door het enthousiasme van vernieuwende vrienden.

Citroen heeft bijzondere portretten gemaakt, stillevens en interieurs, waar een nieuwe tijd en een nieuwe horizon uit spreekt. Maar elke keer wanneer je denkt dat hij die nieuwe tijd zal binnenstappen en de deuren naar die horizon zal opengooien, deed hij weer een stapje terug. Hij ging nooit zo ver als die vernieuwende vrienden.

Als fotograaf exposeerde hij niet (op één keer na), hij publiceerde niet en had geen invloed, bij zijn collega-fotografen was zijn werk onbekend. Zijn biografie in de monografie zit vol kanttekeningen: hij werd nooit zo door de fotografie gegrepen dat hij een eigen camera aanschafte, een duidelijke grens tussen hobby en (bij)verdienste is er in zijn werk niet te trekken, hij had geen eigen studio en en richtte zich, zo gauw het kon, direct weer op zijn geliefde teken- en schilderkunst.

Hij was - in zijn foto's - spontaan, onconventioneel en vrij. Hij trok zich weinig aan van de techniek - wist er ook weinig van -, ging liever op zijn gevoel af. Hij hield van een bijzondere lichtval en wist zijn modellen te bevrijden van een pose, liet ze zich vrij en onbetrapt voelen, alsof hij zichzelf als fotograaf had weggecijferd. Het leverde een reeks bijzondere en ongedwongen foto's op, ze zijn curieus en romantisch, maar dat is iets anders dan een groots en baanbrekend oeuvre.

Paul Citroen (1896-1983), zevende deel in de reeks 'Monografieën van Nederlandse fotografen'. Uitgeverij Focus, * 95,-. ISBN 90 72216 93 8.

Paul Citroen: Schrijversportretten (samenstelling Stance Eenhuis). Uitgave: Letterkundig Museum, Den Haag; distributie uitgeverij Bas Lubberhuizen, * 29,50.

ISBN 90 73978 88 2.

Paul Citroen, fotografie en getekende schrijversportretten. Expositie in het Nederlands Foto Instituut, Witte de Withstraat 63, Rotterdam, tot en met 10 mei.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden