Een spiegel die beelden absorbeert

KLEINE KINDEREN, onbeschreven ikjes, spelen zich een identiteit. Het spel is een reis door ruimte en tijd, met speelgoed als sleutel....

De meeste kinderen hebben geen flauw benul waar en wanneer hun identificatiemodellen leefden, maar ze worden razend als een vikingbijl in een wigwam belandt, of een lasergun in handen van een kruisriddertje. Wie speelt ís een volbloed squaw of ruimtereiziger, niet een of andere stomme hybride, want dat is een niemand.

Sybren Polet (1924) is iemand die tijdens vijftig jaar schrijverschap het kinderspel met wisselende identiteiten en het schotsje-springen door de tijd heeft volgehouden. In de jaren zestig en zeventig schreef hij 'ontregelende' romans als Breekwater en Mannekino, met als hoofdpersoon de kameleontische, Elckerlyc-achtige Lokien, waarin bewust iedere 'werkelijkheidsillusie' werd doorbroken. Polet schreef Ander Proza, en dat betekende bij de les blijven: als je goed en wel in het verhaal zat, werd je ruw geworpen in een andere 'laag', een afsplitsend bewustzijn, of een toekomsttafereel. Na De geboorte van een geest (1974), een nog nauwelijks te volgen 'kadercollage', was het een tijd stil rond Polet.

In 1994 kwam hij terug met drie snel na elkaar verschijnende, verrassend leesbare boeken. Polet gaf zich onbekommerd over aan een groot talent, dat van verhalenverteller. In het laatste, Stadgasten (1997), zwerft Perdok, dezelfde als Lokien, of Lokien Perdok uit eerdere boeken, door een springlevend Amsterdam, in heden, verleden en toekomst. Een stad op een kruispunt van tijdseenheden, waarin een wezen pas een individu kan zijn als hij zich gevormd weet door een verleden, en zich realiseert naar welke grenzeloze, virtuele toekomstmogelijkheden hij op weg is.

In zijn nieuwe, omvangrijke boek De hoge hoed der historie, geen roman, maar evenmin een bundel willekeurige verhalen, doet Polet in wezen hetzelfde, maar zijn greep is wijder, de inzet is groots. De inhoud van de hoge hoed is verbluffend, een hoeveelheid materiaal die volstaat voor een fors en gevarieerd oeuvre, maar Polet stopte het, met voelbaar schrijversplezier, samen in één band. De verteller van dit 'geschiedboek' omvat een reusachtige hoeveelheid tijd en ruimte: van een brassende groep nietsnutten in het Romeinse keizerrijk onder de sadistische Nero tot aan het leven op de planeet 'Terra' en naburige beschavingen in de Melkweg, enkele millennia na ons.

Tussen die twee uitersten bevinden we ons bij de vroegmiddeleeuwse sagenvertellers op Groenland en in het devote gevolg van een laat-middeleeuwse christelijke monnik met genezende krachten, lezen we de brieven die een adellijke onderdaan van de Zonnekoning schrijft aan zijn minnares, rijden we met een gedesillusioneerde, door de samenleving uitgespuwde groep punks in een karavaan door het Amerika van Reagan, en zwerven we met een groepje jonge antropologen door een 'Francia' van de nabije toekomst, een kaalgeslagen land dat na een verwoestende kernoorlog zijn taal en cultuur opnieuw moet uitvinden. Onder andere. We strijken neer op dertien vlakjes van een lange tijdsbalk, daar waar de schrijver zijn penpunt toevallig liet neerkomen.

De vertellingen zijn niet allemaal even boeiend. Soms lijken het leerzame verhalen voor de oudere jeugd, zoals het verhaal dat op Groenland speelt, en de wat kinderachtige sf-verhalen. Zorgvuldig geschreven, in een bij de tijd en het onderwerp passende stijl en taal, zijn alle verhalen wel. Enkele geschiedenissen springen eruit en zijn te lezen als sublieme korte romans. Zoals 'De illusionisten', een mooi verhaal over een nazaat van een geniale boekhouder die ooit baron James de Rothschild, rijkste man van Frankrijk, zijn geld afhandig maakte en naar Amerika vluchtte. Na een wonderlijke carrière als fotograaf, bijbelverkoper en studiomagnaat trouwde deze Luke Carpenter met een Nederlandse vrouw. Hun zoon zou de Philips-gloeilampenfabriek groot maken. Diens zoon Félix Lucien, ook een talentvol ingenieur, wandelt in de jaren twintig onrustig door Parijs, scheurt wat in zijn Bugatti, doet wat aan moderne kunst, rommelt net als zijn grootvader met aandelen, en wil niet terug naar het familiebedrijf.

Deze Félix, ook nog een ver familielid van Karl Marx, is een van de personages in dit boek die de taak van de schrijver overneemt: betekenis geven aan een serie willekeurig lijkende, opeenvolgende gebeurtenissen. Zin smeden uit onzin, een systeem opleggen aan het toeval, waardoor het toeval niet beheersbaar wordt, maar wel een verhaal. En daardoor 'geschiedenis'. Félix is 'een wandelende jood met een gloeilamp in zijn hoofd'. Maar het spook dat door de wereld waart, is 'het spook van het geschiedbewustzijn', en hij begrijpt wat zijn taak is: een film maken over het leven van grootvader, zoon en kleinzoon. Alledrie oplichters en lichtbrengers, letterlijk en figuurlijk. Drie illusionisten, die uit de snelle opeenvolging van onbeweeglijke beelden een suggestie van leven en bewegen toverden.

Ook de detective Perdie Lockshire in de amusante Sherlock Holmes-parodie 'Thou art the man' manipuleert de gebeurtenissen. Hij is 'een geseculariseerde God' die valkuilen graaft voor de misdadiger en zo zijn verhaal beïnvloedt, zegt Perdie: 'De detective schept in zekere zin de omstandigheden louter door er kennis van te nemen en hierdoor alleen al bepaalt hij mede de afloop.' De misdaad die hij in dit verhaal oplost, is een bizarre. Een vader vermoordt al zijn kinderen, tientallen bastaards die hij verwekte en als werknemers aanstelde in zijn fabriek. Als Perdie en zijn assistent elkaar aan het slot van het verhaal in de arrestantenwagen aankijken, weten ze dat zij als scheppers in hun eigen val zijn gelopen.

De vertellers in deze verhalen zijn allemaal tweelingbroers van Lokien Perdok. Zij heten Loytinck, Loquin, Luke, Lucien, Likwina, Perdie of Loki, al naar gelang hun tijd eist, en zij hebben gemeen dat zij waarnemers zijn van hun tijd en tegelijk morrelen aan de tijd. Mischien zijn ze wel steeds dezelfde geest, die telkens in een ander bewustzijn stapt, een jas die lekker zit tijdens één periode en dan weer wordt afgelegd. Al deze vertellers zijn zich bewust van hun plaats in de geschiedenis, een continuüm waarin alles - kunst, kennis, verlangens, emoties - pas betekenis krijgt in het licht van wat eerder is gebeurd. Wie zich niet kan spiegelen, zwalkt rond als een zombie.

In het verhaal over de overlevenden van een kernoorlog zijn een paar antropologen de enigen die uit oude leerboeken en naslagwerken iets van hun geschiedenis hebben teruggehaald. Zij ontdekken in de woningen die andere overlevenden uit afval hebben opgebouwd een Ruysdael, een Fragonard en Louis Quinze-meubilair: rommel, gevonden in spookachtige musea. Kunst is in een wereld zonder verleden gewoon bouwmateriaal, van dezelfde orde als eveneens nutteloos geworden kunstgebitten, computerdiskettes en straalkacheltjes.

Erotiek is in deze woestijn zonder beschaving verdwenen; seks is niet meer dan een paar minuten grommend paren. Het is het enige huiveringwekkende verhaal in dit boek, maar de optimistische verteller houdt de moed erin: het komt heus wel weer goed met de geschiedenis. Kijk maar, op de puinhopen telen de overlevenden weer groente, ratten koesteren ze als huisdiertjes en ze ontwikkelen alweer een paar houterige rituelen. Je kunt de aarde verwoesten, maar de geschiedenis laat zich niet onderschoffelen.

Het laatste verhaal wordt verteld door een 'psidelver', een soort spion in een verre toekomstwereld die kan neerdalen in de 'bewustzijnsvelden' van bewoners van andere planeten. Die kennis geeft hij door aan de Centrale Instantie van een Confederatie van Melkwegplaneten, opdat er begrip tussen alle wezens groeit en de vrede in de Melkweg verzekerd is - een bekend thema uit de wezenloze sf-series die je dagelijks op tv ziet. Maar de psidelver ontdekt in de breinen die hij bezoekt een ander, interessanter sentiment: 'Mensen willen een verleden. Dus geef ze een verleden.'

Het lijkt hem ideaal als historische taferelen uit alle tijden naar believen thuis kunnen worden opgeroepen. Dan is de geschiedenis een eeuwigdurend verhaal, op iedere willekeurige plaats te beginnen en te beëindigen. Het is ook het ideaal van de schrijver Polet, 'een spiegel die de beelden van mensen niet terugkaatst, maar absorbeert'. Een 'taalspiegel'.

De hoge hoed der historie is een hoogst vermakelijk boek vol superieur kinderspel en taalspel. Want spel blijft het. Nergens meet de verteller zich de rol aan van ziener of onheilsprofeet. En nog altijd schrijft Polet Ander Proza, al was het maar omdat geen enkele andere schrijver zich zo losjesweg durft te vergrijpen aan enkele millennia geschiedenis.

De experimentele schrijver, nu undercover opererend met het mombakkes van de traditionele verteller, werkt nog altijd ontregelend. Na lezing van deze dertien wonderlijke verhalen is de gewelddadige twintigste eeuw niet meer dan een kwalijk incident, en de lezer slechts een pluisje in de voering van een tovenaarshoed. Met z'n allen zijn wij hedendaagse pluisjes misschien goed voor één leuk poppetje voor de kinderen van de toekomst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden