Een russisch drama. Iedereen jaagt op de schat van Chardzjijev

'Collectie? Een gek woord voor een berg ongeordend papier, besmeurd met hondenpoep en muizenkeutels.' Nikolaj Chardzjijev bracht in zijn lange leven een verzameling moderne Russische kunst en literatuur bijeen, die een onschatbare waarde vertegenwoordigt....

BOVEN WOONDE meneer. Beneden zwaaide mevrouw de scepter. De bovenverdieping bestond uit de slaapkamer, de badkamer, de eetkamer en de bibliotheek. Nikolaj Ivanovitsj Chardzjijev kwam nooit de trap af. Hij lag in bed of rommelde in zijn papieren en gebruikte elke middag stipt om twee uur de lunch, die naar Russische gewoonte de hoofdmaaltijd vormde en uit drie gangen bestond.

De communicatie met de buitenwereld verliep via Lidia Vasiljevna Tsjaga, zijn vrouw. Buitenstaanders werden bij hoge uitzondering toegelaten en de bibliotheek was verboden terrein. Mevrouw en meneer hadden veelvuldig contact via de huistelefoon. 'Nikolaj Ivanovitsj', riep Lidia Vasiljevna zo hard mogelijk, want hij was hardhorend, 'hoe vaak moet ik u nog zeggen dat u drie pillen moet slikken. Drie'

De Amsterdamse slavist professor Weststeijn, die het hoogbejaarde echtpaar in 1993 naar Nederland had gehaald, kwam regelmatig langs. Omdat Lidia Tsjaga zich eenzaam voelde, kocht professor Weststeijn een teckel voor haar. Echt zindelijk werd Lapa - 'Pootje' - niet opgevoed. De vaste vloerbedekking op de benedenverdieping fungeerde vaak als toilet.

Lidia Tsjaga, beeldhouwster van beroep, was een excentrieke vrouw. Ze koesterde allerlei onuitvoerbare wensen - zo moest er een schip gekocht worden, waarmee ze naar Jaffa kon varen -, en gedroeg zich grillig en despotisch. 'Kom hier, breng hier, haal weg', zo commandeerde ze de verzorgers.

Tsjaga was, evenals haar man, achterdochtig. Ze beschuldigden Weststeijn - die gepromoveerd was op de Russische futuristische dichter Chlebnikov - ervan dat hij waardevolle handschriften en boeken uit hun archief stal. Russische emigranten, juristen en financiële adviseurs, die tijdens het eerste jaar van hun verblijf in Nederland bij hen over de vloer kwamen, kregen eveneens verwijten naar het hoofd geslingerd.

Zij vertrokken met ruzie of werden de deur gewezen. In het najaar van 1994 trad een tweede ploeg emigranten en adviseurs aan. Zij bleven tot het bittere einde, totdat eerst Lidia Tsjaga eind 1995 stierf en vervolgens Nikolaj Chardzjijev. Beiden liggen begraven op Zorgvlied aan de Amstel.

Chardzjijev had zich zijn lange leven gewijd aan het redden en bestuderen van Russische literatuur, tekeningen en schilderijen van tijdgenoten. Hij ging om met de beroemdste dichters, schrijvers en kunstenaars die de Sovjet-Unie voortbracht: met de dichters Achmatova, Mandelsjtam, Chlebnikov, Charms, Majakovski, met de kunstenaars Malevitsj, Tatlin, Lissitsky, Filonov, Gontsjarova en vele, vele anderen.

Maar het communistische regime beschouwde al spoedig de uitingen van zijn meest creatieve geesten als staatsgevaarlijk en ontaard. Het bewind vervolgde, martelde en vermoordde hen en nam hun werk in beslag. Chardzjijev liet zich zijn passie niet ontnemen. Uit de klauwen van de staat redde hij hele literaire nalatenschappen, honderden tekeningen, schetsen, gouaches, aquarellen en schilderijen van de avant-gardisten. In de Stalin-tijd legde hij daarmee zijn leven in de waagschaal.

Zijn appartement in Moskou was volgestouwd met een verzameling die haar gelijke niet kende. Kunstenaars, vrienden en liefhebbers mochten wel eens komen kijken. Zodra het politieke klimaat verzachtte, probeerde Chardzjijev zijn avant-garde kunst tentoon te stellen. Hij wilde dat de werken in Rusland te zien waren en waardering ondervonden. Heel soms lukte het hem een kleine expositie te houden.

Natuurlijk was de overheid op de hoogte en deed zij regelmatig pogingen Chardzjijev ertoe te bewegen zijn archief en collectie over te dragen, maar de kunstliefhebber vertrouwde de staat voor geen cent. Ook nadat het communisme gevallen was, piekerde hij er niet over zijn verzameling af te staan. Hij en zijn vrouw werden verteerd door angst, nu niet meer voor een inval van de politie of geheime dienst, maar voor boeven. In het 'wilde Oosten' hoefde Chardzjijev niet op enige bescherming te rekenen. Bezoekers waren niet meer welkom. Chardzjijev en Tsjaga leefden in steeds groter isolement, als gevangenen van hun eigen kunstcollectie.

De faam van de verzameling had zich intussen ook onder kenners in het Westen verspreid. Weststeijn, een Zweedse collega-slavist en de Keulse galeriehoudster Gmurzynska deden het Russische echtpaar een voorstel. Chardzjijev en Tsjaga zouden worden uitgenodigd voor een congres in Nederland, en daar vervolgens blijven. Hun collectie zou hen achterna reizen. In ruil voor de uitvoer - die volgens een Russische wet neerkwam op smokkel van nationaal kunstbezit - zou de galeriehoudster vier doeken en twee gouaches van Malevitsj houden en daarvoor aan Chardzjijev 2,5 miljoen dollar betalen, waarvan hij in Nederland zou kunnen leven.

Zo geschiedde. In november 1993 arriveerden de 90-jarige Nikolaj Chardzjijev en zijn 83-jarige vrouw Lidia Tsjaga in Amsterdam. Ze werden ondergebracht in een suite in het Hilton-hotel en verbleven daar drie maanden. Daarna kochten ze voor 710 duizend gulden een dubbel huis in Amsterdam-Zuid. Ze vestigden zich daar in afwachting van de komst van de collectie.

Maar het echtpaar werd opgeschrikt door een bericht uit Moskou. Een zekere Dmitri Jakobson was op het internationale vliegveld van Moskou gepakt door de douane, terwijl hij koffers met een groot deel van Chardzjijevs archief bij zich had. De regeringskrant Izvestija bracht het nieuws in april 1994 sensationeel en betichtte Chardzjijev en zijn westerse helpers van ontvreemding van Russische kunstschatten.

Het beeldende-kunstgedeelte van de collectie en de niet-geconfisqueerde archiefmappen kwamen - via Duitsland - wel in Nederland aan. Lidia Tsjaga nam de kisten in ontvangst. Het transportbedrijf Gerlach, gespecialiseerd in kunst, sloeg de kisten veilig op.

Altijd is beweerd dat Chardzjijev weigerde zijn verzameling te inventariseren. 'Hij deed geheimzinnig over de collectie, omdat hij bang was', zegt mr. Michael Privé, voorzitter van de Culturele Stichting Khardjiev (de stichting hanteert de Franse transcriptie van de naam). Anderen zeggen het hem voor en na, omdat niemand de volledige collectie ooit te zien kreeg.

Maar uit stukken die in bezit zijn van de Volkskrant blijkt dat Chardzjijev persoonlijk enkele maanden na zijn komst in Nederland de inhoud van de kunstcollectie heeft gecontroleerd. Achter elk van de 1355 items op de elf pagina's tellende lijst, die waarschijnlijk in eerste instantie was opgesteld als transportlijst, staat de paraaf van de eigenaar. Zo tekende Chardzjijev voor zeven schilderijen van Malevitsj, waaronder een hele grote met donkerrood trapezium, 140 tekeningen en 20 gouaches. Ook staan er tientallen werken van Larionov, Gontsjarova, Matjoesjin, Filonov, Tatlin en Lissitsky op de lijst. Niet alles is omschreven, maar er is voldoendeom als wegwijzer te dienen. De collectie heeft behalve een enorme marktwaarde, ook een onschatbare kunsthistorische betekenis.

Chardzjijev zag in Amsterdam een van zijn lievelingsdoeken terug: 'Rood Vierkant' van Kazimir Malevitsj. Dit had altijd in zijn Moskouse appartement boven zijn bureau gehangen en nu kreeg het als enige schilderij een plek in het huis op het Olympiaplein.

Het literair archief, bestaande uit tientallen kartonnen mappen, en de boekenverzameling belandden bij Chardzjijev in zijn bibliotheek. Hij klaagde dat talloze boeken en documenten ontbraken, schreef wanhopig naar de directrice van het Russische literair archief RGALI en vroeg wat er geworden was van de geconfisqueerde boedel. Koeriers en literatuurwetenschappers betichtte hij van diefstal.

Dat najaar van 1994 vertrekt de eerste ploeg verzorgers met slaande deuren. Meteen komt een vrachtauto van Gerlach voorrijden. De kunstcollectie wordt uitgeladen en op de bovenverdieping gestald. De eerste ploeg suggereert dat dit gebeurt op instigatie van hun opvolgers, die zo makkelijk toegang tot de collectie krijgen. En dan lijkt te gebeuren waarvoor de Chardzjijevs juist bang zijn geweest: dat de collectie in handen valt van profiteurs.

Boris Abarov wordt de spil in het huishouden van de Chardzjijevs. Hij is een toneelregisseur uit Moskou, die zo'n vijftien jaar geleden naar Amsterdam verhuisde. In zijn gevolg bevindt zich de Amsterdamse pensioenadviseur en zakenman Jan Buse, die de financieel raadgever wordt van Chardzjijev en Tsjaga. Wanneer mr. Privé, de huidige alleenbestuurder van de stichting, erbij betrokken raakt, is niet duidelijk.

In elk geval bestaat er een connectie tussen Buse en Privé, want een BV van Buse staat geregistreerd op het woonadres van Privé. Het notariskantoor Lubbers en Dijk, waar Privé dan nog werkt, handelt alle juridische transacties van het Russische echtpaar af.

En dat zijn er vele. Op 27 juli 1995 richt Abarov de firma Ivanhoe 95 BV op, die als activiteiten het beheren en beleggen van vermogen opgeeft. Onder de oprichtingsakte staat ook de beverige handtekening van Lidia Tsjaga, maar alle zakelijke handelingen lopen via hem. 9 november 1995 is de datum van oprichting van de Stichting Khardjiev, waarin de collectie wordt ondergebracht. Als oprichter staat Buse geregistreerd, als eerste bestuurder Nikolaj Chardzjijev. Doel van de stichting is: 'Het beheren, conserveren, exploiteren en bijeenhouden van de collectie.'

Twee dagen eerder, op 7 november, valt Tsjaga van de trap en overlijdt aan de gevolgen. Chardzjijev is diep geschokt en ligt boven hulpeloos aan zijn bed gekluisterd. Hij wil haast niemand zien - ook geen ongeruste Russische vrienden uit Parijs. Net als in Moskou is hij de gevangene van zijn collectie.

Abarov formaliseert in januari dat hij de enig overgebleven aandeelhouder van de BV Ivanhoe is, laat de BV Ivanhoe tegen een bedrag van 500 duizend het huis van Chardzjijev kopen en benoemt Buse tot zijn gevolmachtigde. Inmiddels zijn er in de Russische pers opzienbarende verhalen verschenen, waarin wordt gesuggereerd dat Abarov de hand heeft gehad in de dood van Lidia Tsjaga door haar een duwtje van de trap te geven. Volgens Abarov zelf is deze lasterpraat geïnspireerd door frustratie van het Russische ministerie van Cultuur, dat zijn kans ziet vervliegen de kostbare collectie terug te halen.

Abarov: 'Mevrouw flirtte met de mensen van het ministerie. Die kwamen op bezoek. En zij leek bereid enkele schilderijen te geven. Maar na haar dood verbood meneer met ze te praten. Als ze van zich lieten horen, was hij woedend. De hele nacht riep hij: 'Schoften, schoften! Ze krijgen niets''

Ook in Nederland zijn er figuren wakker geworden die denken dat er iets te halen valt. Twee Russische emigranten, van wie Abarov er één goed kent, bedreigen Abarov en Buse. Ze weten dat Abarov de erfgenaam van Tsjaga is geworden en azen op een miljoenenbuit. Als ze niets loskrijgen, stappen ze naar het weekblad Moskovskie Novosti dat prompt Abarov afschildert als de baarlijke duivel, die Chardzjijev martelt en gevangen houdt. Abarov verwacht een inval en bergt de meeste kunstwerken in een kluis op.

Een Parijse kennis van Chardzjijev ruikt onraad en probeert hem over te halen samen met zijn collectie naar de Franse hoofdstad de verhuizen. Maar volgens een van de verzorgers van Chardzjijev was ook deze helper niet onbaatzuchtig: 'Hij stelde een deal voor. Als ik voor Chardzjijev bleef zorgen, zou hij de collectie mee naar Parijs nemen. In ruil kreeg ik een paar kostbare stukken en het huis.'

Na een maandenlange lijdensweg sterft Chardzjijev op 10 juni 1996, hij is dan bijna 93 jaar oud. Dezelfde dag treedt notaris Privé aan als voorzitter van de Stichting. 'Dat was logisch', zegt hij. 'Ik was als executeur testamentair benoemd. De Stichting behoorde tot de boedel en die moest ik dus ook afwikkelen. De afwikkeling doe je in je eentje, dus het bestuur ook.'

Maar de statuten van de stichting spreken andere taal. Chardzjijev had Abarov aangewezen als zijn opvolger, en uitdrukkelijk gestipuleerd dat het bestuur moest bestaan uit tenminste drie personen: naast Abarov een kunsthistoricus en een politicus. Bovendien zou er een raad van toezicht moeten komen. Die is er nooit gekomen, en het bestuur bestaat nog steeds uit één man, Privé.

Abarov zegt dat hij genoeg had van de dreigementen en lasterpraat. 'Ik was opgelucht dat het voorbij was. De laatste maanden van Chardzjijevs leven waren voor mij een nachtmerrie, een straf. Alsjeblieft, meneer Privé, doet u het maar.' Hij is heus geen miljonair geworden, zegt hij, hij heeft slechts drie huizen geërfd (twee in Amsterdam, en een in Moskou), waaraan hij na aftrek van successie 'een kleinigheid' overhoudt. En de collectie? 'Collectie?', zegt Abarov. 'Dat is een gek woord voor een berg ongeordend papier, besmeurd met hondenpoep en muizenkeutels.'

Privé wijzigt de statuten van de stichting drie maanden na de dood van Chardzjijev. Het woord bijeenhouden is geschrapt, het woord selecteren is toegevoegd, het in bewaring geven aan Nederlandse musea is weggelaten en elke verwijzing naar een raad van toezicht is verdwenen. Het huis aan het Olympiaplein wordt verkocht. BV Ivanhoe wordt geliquideerd.

Privé, die intussen zijn notariaat heeft neergelegd, gaat onderhandelen met de Russen over teruggave van het literair archief of een deel ervan. De Russen, vertelt hij, beschuldigden hem ervan stukken uit het archief te plukken en op de markt te verkopen. Dat hij niet openbaar maakt wat zich in de collectie beeldende kunst bevindt, heeft dezelfde reden als Chardzjijev ooit had: vrees dat onguur volk afkomt op een schat, die volgens hem alleen in de fantasie bestaat. 'U heeft geen idee hoeveel boeven er rondlopen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden