Een 'rooie' dominee LEVENDIGE EN HELDERE BIOGRAFIE VAN JAN BUSKES

EEN MAN uit één stuk; dat is het etiket dat nog het best blijft plakken op Jan Buskes (1899-1980), ware het niet dat deze kwalificatie een persoonsverheerlijkende associatie oproept die deze dominee van het volk, van wie onlangs een biografie is verschenen, niet past....

Voor hem waren zijn godsdienstige opvattingen én zijn politieke standpunten uit één en dezelfde rots gehouwen. Hij heeft er dan ook altijd grote moeite mee gehad als het gelovige volk hem naliep en prees omwille van zijn preken en 'ondanks zijn socialisme'. Evenveel problemen had hij met ongelovigen - de antifascisten bijvoorbeeld, met wie hij voor de oorlog in het Comité Waakzaamheid actief was, of de socialisten, met wie hij zich politiek verbonden voelde - die hem juist weer hogelijk waardeerden vanwege zijn maatschappelijke opstelling, maar die zijn geloofsovertuiging dachten af te kunnen doen als een opvallende, maar vergeeflijke, want strikt persoonlijke eigenaardigheid.

Wat Buskes deed en predikte, vormde in zijn ogen echter één onlosmakelijk geheel. Het behoorde allemaal tot wat hij 'de politieke dienst van God' noemde; een term die niet van hemzelf was, maar van zijn grote voorbeeld, de Zwitserse theoloog Karl Barth, die tussen de twee wereldoorlogen een ommekeer teweegbracht in het protestantse denken over het verband tussen zondags geloven en doordeweeks leven.

Juist toen Buskes als student theologie zichzelf verscheurd begon te voelen tussen de gereformeerde orthodoxie met de bijbehorende zelfgenoegzaamheid van een christelijk geheten politiek, en een vrijzinnig religieus socialisme zonder bijbels fundament, verscheen in 1919 de vermaarde Römerbrief van Barth, die de geboorte van de moderne theologie inluidde. Barth rekende daarin af met de nationalistische burgerlijkheid van de kerk, met name die in Duitsland, en met de vanzelfsprekendheid waarmee God voor allerhande maatschappelijke karretjes werd gespannen.

Het zomaar 'christelijk' noemen van door mensen bedachte ordeningen en instituties was in zijn ogen hoogst bedenkelijk. De juiste koers lag nooit voor eens en voor altijd vast, maar moest aan de hand van veranderde situaties steeds opnieuw worden bepaald. 'Spijs en drank', noemde Buskes Barths geschrift. Het bracht hem 'het onbevangen geloof van vader en moeder' terug en stelde hem uiteindelijk in staat dominee te worden; het ambt dat hij aanvankelijk helemaal niet begeerde.

Maar in de gereformeerde kring waarin Buskes was opgegroeid en studeerde, lag Barth om begrijpelijke redenen slecht. Hij tastte immers de kern aan van heel die gereformeerde santenkraam - een eigen dagblad, universiteit en politieke partij -, die onder leiding van Abraham Kuyper op exclusief gereformeerde grondslag was gebouwd. Geen wonder dus dat de introductie van Barth in Nederland niet via gevestigde theologen plaatsvond, maar op initiatief van hun studenten.

Buskes zou nooit meer loskomen van Barth. En dat betekende een afscheid van de isolationistische denkwereld van Kuyper, de grote voorman die hij als jongeman bewonderde, en die hij als senaatslid van het VU-corps in 1920 nog naar diens graf zou helpen dragen.

Een afscheid, zij het nog geen breuk. Die kwam pas zes jaar later, toen Buskes, inmiddels dominee in Oosterend op Texel, in de kwestie-Geelkerken voor het dissidentschap koos. Deze geruchtmakende affaire had ogenschijnlijk het al dan niet daadwerkelijke spreken van de slang in het paradijs tot onderwerp, maar draaide in feite om de vraag of de synode het centrale en hoogste gezag vormde in de gereformeerde kerken, of dat naar goed reformatorisch gebruik het laatste woord toch aan de plaatselijke gemeente was. Buskes meende in navolging van Geelkerken het laatste, hetgeen ook hem in conflict bracht met de gereformeerde synode.

Hij zou Geelkerken en de zijnen volgen in een nieuw te stichten genootschap - Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband, in de wandeling 'het HV' genoemd - en werd predikant in Amsterdam, dat voor deze geboren Utrechter altijd 'zijn' stad zou blijven. Het zou niet Buskes' laatste kerkelijke overstap zijn. Min of meer uit praktische overwegingen - het HV had met grote leegloop te kampen gehad en een bundeling van krachten zou de slagvaardigheid van een kerk in bezettingstijd ten goede komen - ging hij in het oorlogsjaar 1943 over naar de Nederlands Hervormde Kerk.

Gereformeerd, HV, hervormd. Met enig recht noemt Buskes' biograaf E.D.J. de Jongh de 'rooie' dominee daarom een zwerver. Die term wekt echter de suggestie als zou Buskes in het geloof nogal eens van mening zijn veranderd. Niets is minder waar. Vanaf zijn eerste kennismaking met Barth tot aan het einde van zijn leven zijn Buskes' voornaamste geloofsopvattingen nagenoeg ongewijzigd gebleven.

Even standvastig was hij in politiek opzicht, al wisselde hij ook daar driemaal van partij. Kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verliet hij de mede door hem opgerichte progressieve en antimilitaristische Christen Democratische Unie (CDU), waarvan sommige leden een al te coulante houding jegens de nazi's dreigden aan te nemen. Na de bevrijding was hij lid van de SDAP en behoorde hij met Willem Banning tot de Doorbraak-dominees die deze partij tot de nadrukkelijk ook op progressieve christenen gerichte PvdA omvormden.

Dit neemt niet weg dat hij juist deze partij uitgesproken kritisch zou blijven volgen. Niet alleen schoot het sociaal-economisch beleid in zijn ogen nu en dan ernstig tekort, ook had hij bezwaren tegen de gewelddadige koloniale onderdrukking van het ontluikende Indonesië.

Als iets hem in zijn leven in gewetensnood heeft gebracht, waren dat vooral laatstgenoemde kwesties. Als principieel antimilitarist vóór de oorlog leerde hij de relativiteit van dat beginsel kennen tijdens de bezetting. Geweld bleef voor hem evenwel uit den boze zolang er ook nog andere wegen te bewandelen waren. De absolute streep trok hij echter bij de kernbewapening; geen doel zou ooit de inzet van deze massavernietigingsswapens kunnen heiligen.

Ondanks stevige kritiek op de PvdA zou hij tot het einde toe lid blijven. PSP en PPR, in wier gedachtegoed hij zichzelf soms misschien nog wel meer herkende dan in dat van de PvdA, waren hem als partij te klein en te marginaal. Buskes had met het bewust gekozen sektarisme van de CDU leergeld betaald.

Dr. E.D.J. de Jongh heeft met Buskes - Dominee van het volk een levendige biografie geschreven, die vlot leest maar verre van volledig is. Gelukkig maar, want zo wordt de lezer niet vermoeid met wetenschappelijk wellicht verantwoorde, maar in wezen weinig terzake doende details, die maar afleiden van de grote lijn.

Die lijn in het leven van Buskes blijkt bij nader inzien verrassend recht en consistent. Voor het geestesoog van de lezer rijst een helder, maar dankzij de persoon Buskes niettemin fascinerend dubbelzinnig beeld op van een non-conformist en een gedreven, ongeduldig man die een grondige hekel had aan halfheid en schipperen, maar die ondanks zijn scherpe tong en pen door de meesten die hem persoonlijk kenden - en dat waren er velen - een beminnelijk mens werd gevonden. Buskes bleef kortom, ondanks de breuk van 1926 die tot schande van de 'synodale' gereformeerde kerken overigens pas in 1968 werd geheeld, zeer gereformeerd; dit dan vooral in de betekenis die de katholieke letterkundige Anton van Duinkerken eraan gaf: het beschikken over 'ernst en ruggengraat'.

Beslist een voordeel van deze biografie van Buskes is dat De Jongh - oud-docent van de Universiteit Twente, die zelfs wat eerder dan gepland met de VUT mocht om dit maar snel te kunnen voltooien - socioloog is en geen theoloog. Daardoor gaat hij zich niet te buiten aan godgeleerde haarkloverijen, waartoe het leven en het werk van Buskes wellicht aanleiding hadden kunnen geven, en schetst hij waar nodig beknopt maar adequaat het sociale, politieke en godsdienstige decor waartegen Buskes' levensloop specifieke betekenis krijgt.

Een punt van kritiek zou kunnen zijn dat het artistieke element wat onderbelicht blijft. Met name het literaire, dat dankzij de intensieve omgang van Buskes met dichters uit de Opwaartsche Wegen-groep (behalve met Van Randwijk en Fedde Schurer ook met Gerrit Kamphuis, Jan H. de Groot, beiden eenmaal terloops genoemd, en vooral ook met mede-HV'er Hein de Bruin, die helemaal niet wordt genoemd) in zijn leven toch zo'n voorname rol speelde.

Gert J. Peelen

Dr. E.D.J. de Jongh: Buskes - Dominee van het volk.

Kok; 460 pagina's; * 45,-.

ISBN 90 242 9360 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden