Een robuuste eeuweling

Vandaag viert de componist Elliott Carter zijn 100ste verjaardag. Hij is een laatbloeier, de schrijver van atonale, complexe, maar toch toegankelijke muziek....

Te stellen dat componist Elliott Carter een laatbloeier is, is eigenlijk het understatement van de eeuw die hij vandaag vol maakt. In de afgelopen twee jaar voltooide hij veertien composities – wat ook voor een componist in de kracht van zijn leven al een fikse hoeveelheid is. Gemeten aan zijn complete werkenlijst, die zo’n 140 composities telt, gaat het hier numeriek gezien om 10 procent van zijn totale oeuvre. Carters creatieve spurt begon omstreeks zijn 90ste verjaardag. In 1998 componeerde hij voor het eerst een opera (een eenakter van veertig minuten) met een titel die ook nu nog volledig op zijn eigen leven en werk van toepassing is: What Next?

Carter, op 11 december 1908 geboren in New York, is niet alleen een van de grootste Amerikaanse componisten, maar ook een ooggetuige van de 20ste eeuw. Hij herinnert zich het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, trok in de jaren dertig naar Parijs om les te nemen bij Nadia Boulanger, zag de opkomst van Hitler. In 1964 verbleef hij bijna een jaar in Berlijn, in de schaduw van de Muur. En vanuit het appartement in New York waar hij sinds 1945 woont, zag hij op 11 september de Twin Towers instorten. Hij ontmoette de grote componisten en musici van zijn tijd: George Gershwin, Igor Stravinsky, Charles Ives, Edgard Varèse en Aaron Copland, om er maar een paar te noemen.

De confrontatie met de moderne klankwerelden van die beroemde tijdgenoten waren bepalend voor de richting die zijn leven zou nemen. ‘Eigenlijk begin ik met muziek aan het verkeerde uiteinde’, zei hij daarover later. ‘Beethoven en Brahms kwamen pas veel later.’ Ives, die in zijn jonge jaren een soort mentor voor hem was, leerde hem dat muziek niet ‘simple-minded’ hoorde te zijn. Bij Boulanger leerde hij de kloof tussen traditionele compositietechnieken en moderne muziek te overbruggen. Toch duurde het tot de jaren vijftig voor Carter zijn eigen kenmerkende idioom vond. Toen kwam hij tot een stijl die zowel gekenmerkt wordt door complexiteit als door transparantie, door speelsheid én cerebraliteit, en door nieuwe inzichten in de betekenis van het tempo en de rolverdeling tussen de verschillende musici.

‘Ik wil in mijn muziek laten zien hoe de mensen leven in die steeds veranderende wereld waarmee ze te maken hebben. Niet alleen buiten zichzelf, maar ook in hun innerlijk’, zegt hij in de documentaire A Labyrinth of Time, die Frank Scheffer in 2004 over hem maakte.

Dit uitgangspunt leidt bij hem tot muziek die aan voortdurende verandering onderhevig is, waarin niets letterlijk herhaald wordt en waarin instrumenten of groepen instrumenten hun eigen kenmerkende muzikale eigenschappen hebben en betrekkelijk onafhankelijk van elkaar bewegen.

Hoewel Carter geen vaste compositiemethodes hanteert, zijn er in zijn muziek wel degelijk ordescheppende elementen. Aan de hand van een systematische inventarisatie van de manieren waarop tonen tot akkoorden kunnen worden gecombineerd gaat Carter gewoonlijk uit van samenklanken die alle zijn afgeleid van een bepaald type akkoord.

Ook in ritmisch opzicht heerst er orde in zijn muziek, zij het een vloeibare. In Carters woorden: ‘Het idee is dat je tegelijkertijd verschillende ritmische lagen hebt en dan van het ene systeem naar het andere overgaat. Je hebt bijvoorbeeld een instrument dat vijf noten per tel speelt; als je die dan ordent in groepjes van drie heb je een nieuw ritme. In mijn muziek wordt steeds overgeschakeld van het ene tempo naar het andere – niet abrupt, maar zoals wanneer je schakelt bij het autorijden. Je merkt pas dat je in een ander tempo zit wanneer er iets klinkt dat het duidelijk hoorbaar maakt, maar op het moment van het schakelen zelf heb je het niet in de gaten.’

Dit citaat maakt wel duidelijk hoe Carter in staat is zijn muziek te vatten in termen die ontleend zijn aan alledaagse ervaringen. Eerst werkte hij voor elk stuk het grondplan nauwkeurig uit, wat zijn aanvankelijk betrekkelijk lage werktempo verklaart. Sedert de jaren tachtig gaat hij intuïtiever te werk, en in zijn composities van de laatste jaren zijn de texturen vaak transparanter en is de toon lichter.

Hoewel Carters muziek atonaal en complex is, en moeilijk in het geheugen vast te houden, is ze allesbehalve ontoegankelijk. Zijn werk kan worden gezien als de verbinding, zo niet de fusie, tussen het sterk op cerebrale compositietechnieken gerichte Europese modernisme en de veellagige, door literatuur en filosofie gekleurde esthetiek van de Amerikaanse navolgers van Charles Ives. Toch wordt zijn muziek in Amerika beschouwd als ‘academisch’. In Europa geldt Carter als een grootmeester van het modernisme, evenknie van kopstukken als Boulez, Stockhausen of Messiaen. Niet voor niets zijn veel van zijn latere werken geschreven in opdracht van Europese gezelschappen en heeft het grootste deel van de honderden verjaarsconcerten van dit jaar zich in Europa afgespeeld.

Carter zelf is voor een eeuweling opmerkelijk robuust en vitaal, en vol vertrouwen in de toekomst. Zoals hij zegt tegen filmmaker Scheffer: ‘De huidige samenleving is zo complex dat de mensen steeds slimmer moeten worden om zich daarin te handhaven. En als het zo ver is zullen ze ook van mijn muziek gaan houden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden