Een regel als een gedicht

Soms blijf je aan een enkele regel haken en wat erop volgt maakt de nog losse binding hechter. Ik lees een gedicht dat met deze strofe begint:..

Had tenminste een engel, Brandaan,

die hem zei te gaan varen

daar het God gebood.

Dus zijn boot gebouwd en IX jaren

op zoek naar de twee paradijzen

die bestaan boven de aarde.

Het gaat natuurlijk om die wat elliptische eerste regel. Vervolledig je hem door er 'hij' voor te zetten, dan loopt hij van voren wat uit. De kracht is eraf. Of is dat inbeelding? Ik probeer de regel: 'Brandaan had tenminste een engel'. Dat is niet alleen proza-achtig, maar het betekent ook iets anders. De eerste regel is dubbelzinnig: Brandaan kan van alles hebben gehad, maar hij had tenminste een engel. En die zei hem te gaan varen. De tweede betekenis is: een onbekende, laat ik maar zeggen de spreker, heeft geen engel die hem op reis stuurt en deze betekenis wordt door de vooropplaatsing van 'had' versterkt. 'Brandaan had tenminste een engel', spreekt alleen het verschil tussen de Ierse monnik en de spreker uit, met een lichte naijver. Dat is alles. Maar die naijver klinkt in de officiële eerste regel veel sterker door.

De ongewone woordvolgorde in de derde regel kan ik geen betekenis geven, alleen een technisch-metrische; is dat laatste het enige, dan wordt de regel gekunsteld. De vierde regel is weer elliptisch. De kortheid werkt hier zeer effectief: de onmiddellijkheid waarmee het gebod van God wordt opgevolgd, komt heel fraai uit. Het bouwen gebeurt in korte tijd, dat suggereert het ook, waarmee dan die negen lange jaren uit het tweede deel van de regel prachtig contrasteren.

Er gebeurde bij mij bij die eerste regel nog iets anders en ook dat bond mij er even aan. Brandaan, in zijn verschillende gedaanten - er zijn meer en vrij sterk verschillende versies van zijn verhaal - is een van de boeiendste literaire figuren die ik ken, msschien ook wel omdat, zeker in de Latijnse versie, zoveel van de geest van het vroeg-christelijke Ierland zichtbaar wordt. Hij wordt een geïdealiseerde figuur op afstand en hij had nog een engel ook.

In de tweede strofe verklaart de 'ik' niet te weten waar te reizen. Smetteloze gebieden op de kaart worden zeldzamer. Paradijzen zijn dus onvindbaar geworden. Die tweede strofe is aanzienlijk zwakker dan de eerste, want veel minder verrassend van vorm. In de derde strofe is Brandaan er weer. En in de eerste regel ervan echoot de eerste regel van de eerste strofe:

Nooit uw eiland gevonden, Brandaan,

dat geheel onder water schoot

en dus wel een vis moest zijn

hoewel er een woud op verrees,

en ook nooit uw paradijs.

Ook voor Brandaan was het paradijs onvindbaar. De benijde uit de eerste strofe is een lotgenoot geworden. Men kan er in lezen dat ook voor die 'ik' het door Brandaan gezochte paradijs onzichtbaar bleef. De eerste regel kan op twee manieren worden gelezen: 'U hebt nooit uw eiland gevonden, Brandaan' en 'Ik heb nooit uw eiland gevonden, Brandaan'.

Ik vroeg mij even af of het gedicht niet gewonnen had als ook de eerste strofe in de aansprekende vorm was geschreven en dus lyrischer gemaakt. Brandaan blijft nu episch, want in zijn verhaal, op afstand.

De vierde strofe sluit op de tweede betekenis - Brandaans paradijs is niet gevonden - aan:

Maar soms wel haast heilige oorden

waar mijn liefste en ik geen woorden

konden vinden van schroom:

Hier wordt het gedicht weer zwakker. Het beeldende of verbeeldende gaat de dichter beter af dan het bekennende; zijn taalgebruik is dan ook oorspronkelijker en betekenisrijker.

Zijn de naijver en het aanroepen van Brandaan meer dan een spel? In een prozatekst tegenover het gedicht staat een kleine beschrijving van een bezoek aan de reconstructie van de kapel van Sint Brandaan aan de Ierse oostkust, uit oude stenen. Het gedicht waaaruit ik citeerde, is het derde in een reeks die 'Tegen de tijd' heet; het is de titelserie van de jongste bundel van Willem van Toorn. Het reizen, Brandaan, ontmoetingen met een geestelijk verzwakte moeder (stilzittend, stilstaand in een heel kleine wereld), de stenen die de puzzels van verleden leven vormen - ze keren allemaal terug en geven de reeks een intrigerende samenhang.

'Tegen de tijd', het zou ook met de titel van een essay van Binnendijk over Boutens 'Een protest tegen de tijd' kunnen heten. De moeder wordt het beeld van het verdwijnende, maar het reizen, paradoxaal, evenzeer en Brandaan misschien wel van een tijd dat engelen nog bemiddelden tussen de aarde en de andere wereld. Er worden allerlei betekeniskrijgende kruisrelaties gelegd. Verbindingen maken, nieuwe samenhangen tonen en daarmee alle samenhangende delen betekenis geven, dat doet het gedicht met de taal en in die taal met de wereld. Het gebeurde voor mij meteen in die eerste regel die ik las. 'Had tenminste een engel, Brandaan'. Daarom bleef ik eraan haken. De regel is als elke sterke regel zelf een heel gedicht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden