Een raar stuk familie SLAUERHOFF SCHREEF BEWUST NIET IN HET FRIES

'Hij wilde niet deugen, kon niet met geld omgaan, veroorzaakte altijd schandaal.' De Slauerhoffs schaamden zich voor de dichter en zeeman Jan Jacob, honderd jaar geleden - op 14 september 1898 - geboren in Leeuwarden....

AAN HUIZEN opknappen deed hij niet. Slauerhoff 'woonde' niet, hij leefde uit een koffer. Tussen twee reizen verbleef de scheepsarts op kamers, of logeerde hij bij vrienden. Maar bij zijn geboorte had het lot de bekendste 'woninglooze' uit onze literatuur geworpen in een winkel vol behang, lijm en stoffen in Leeuwarden. De gegoede burger die zich knap wilde inrichten, ging naar de firma Slauerhoff aan Over de Koornmarkt, nu Voorstreek geheten.

Wie nu z'n woning wil opfrissen, kan er nog steeds terecht. Huis aan huis staan er winkels met woonbenodigdheden aan het grachtje. Geen Gamma-achtige loodsen, maar degelijke speciaalzaken in verf, behang of meubels. Alleen in het huis waarin op 14 september 1898 Jan Jacob Slauerhoff werd geboren, op nummer 33, zit nu een treurige, fel groen-wit-rood geschilderde pizzeria, die ten overvloede Italia heet. In dat pand dreven de behanger Jan Jacob Slauerhoff sr. en Cornelia Pronker, dochter uit een Vlielands geslacht van zeelieden, hun nering.

Op de kleine verdieping boven de winkel woonden ze met hun kinderen Aukje, Feije en Elisabeth. Twee jaar na de dood van het jongste kind Gustaaf kwam daar Jan Jacob jr. bij. Een broos, astmatisch jongetje, dat in de met papier en stof volgepropte winkel weinig lucht moet hebben gekregen.

In 1901 verhuisde het gezin, inmiddels uitgebreid met Jans lievelingszusje Guusje, naar een groter huis aan de overkant, op nummer 26. Het ging goed met de zaak. Ze bleek een blijvertje. 'Slauerhoff Interieurs' staat ook nu nog op de drie brede panden beslaande winkelpui. Geen behang en plak meer, maar drie etages vol verantwoord design-meubilair. Naast de ingang hangt een portret van de dichter-zeeman, met de beginregels van zijn beroemdste gedicht: 'Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,/ Nooit vond ik ergens anders onderdak'. De eerste regel van 'Woninglooze' gebruikt de firma nu als motto, in advertenties en op briefpapier, wellicht in de hoop dat de cliëntèle de poëzie niet al te letterlijk neemt.

Slauerhoff hield niet van Leeuwarden. Hij was dolblij dat hij er in 1916 weg mocht, om in Amsterdam medicijnen te studeren. 'Leeuwarden heeft voor mij geen attractie's evenmin als vroeger', schreef hij in 1927 aan zijn vriendin Heleen Hille Ris Lambers.

Familieziek was hij ook niet. 't Ouderlijk huis was soms zoo duf en stug', dichtte hij. Uit 'In memoriam patris', het lange gedicht dat hij schreef bij de dood van zijn vader in 1935, blijkt de frustratie van een middenstanderskind. Zijn vader, zelf niet behorend tot de hogere klasse, was met ieder lid ervan zo bekend 'Dat een wandeling door de stad/ Met jou een beproeving was,/ Voor mijn hoogmoed een doornig pad:/ Hoed af bij iedere pas.'

En de Leeuwarder middenstanders die generaties lang de firma Slauerhoff leidden, hielden niet van Jan Jacob. De huidige eigenaar, Wil van Balen, al 24 jaar in de zaak, is de eerste niet-Slauerhoff die het bedrijf leidt. En hij is de eerste die blij is met de literaire erfenis. 'Het was een raar stuk familie, die oom Jan', zegt hij. 'Ze spraken liever niet over hem. Een dichter? Ach, een enfant terrible. Wilde niet deugen, kon niet met geld omgaan, veroorzaakte altijd schandaal. Ze schaamden zich voor hem.'

Nee, het waren geen lezers. Feije niet (Jans oudste broer en opvolger van zijn vader), en zoon Frits evenmin. Frits, de laatste Slauerhoff in de zaak, trok zich zeven jaar geleden terug. Het was zijn moeder Annie, een ferme vrouw, die niet alleen de stoffige rollen behang en tapijt de winkel uitzette, maar ook haar man Feije, die toch maar in de weg liep. 'Ga jij maar thuis zitten, ik heb andere plannen met de winkel', zei ze. En het dure meubilair werd de zaak ingedragen.

Van Balen herinnert zich Feije nog goed. 'Geen aardige man. Stug en afstandelijk, zo waren de mannen Slauerhoff, behalve oom Jan.' Toch was het Feije die zijn vader overhaalde om Jan, als enige in de familie, te laten studeren. 'Behangen, dat is toch niets voor die jongen', had hij gezegd. Maar ze begrepen hem slecht. 'Oom Jan kon wrede dingen zeggen, maar het was een gevoelig mens. Zo vertelde een vriend die met hem in Guatemala was geweest, dat ze een vrouw zagen bedelen met een ziek kindje op de arm. 'Zal ik die munt maar in dat kind z'n mond stoppen', had oom Jan gezegd, 'dan is-ie er meteen geweest.' De familie zag in zulke verhalen het bewijs van z'n slechtheid. Maar hij bedoelde: dat kind gaat toch dood. Bij oom Jan moest je altijd even verder denken.'

En ja, de vrouwtjes. Altijd zwermden er vrouwen om Jan heen, en dat zinde de familie niet. Als het iets vastigs dreigde te worden, nam hij de benen. 'Hij was kennelijk onweerstaanbaar', zegt Van Balen. Zelfs nicht Jet, voor Jan een oomzegstertje, kan er nog lyrisch van worden. 'Hij had een prachtige teint', vertelde Jet hem, 'blank en mat. Echt een mooie man.' Slauerhoff trouwde uiteindelijk toch, in 1930, met de danseres Darja Collin, maar een degelijk behangershuwelijk was het niet. Zij moest dansen, hij moest varen. In 1935 scheidden ze.

Tijdens zijn Wassenaarse huwelijksjaren moet hij de vrouw ontmoet hebben die jaren geleden bij Van Balen de winkel binnenstapte. Een oude liefde, die door niemand wordt genoemd, ook niet door Wim Hazeu in zijn biografie. 'Ze vertelde me dat ze Slauerhoff had ontmoet toen ze in Den Haag de tram uitstapte. Hij sprak me aan, zei ze, en daarna hebben we de hele middag in de duinen de liefde bedreven.' Ze had thuis brieven van Slauerhoff, foto's, en handgeschreven gedichten. Ze liet een foto van zichzelf zien uit die tijd, een prachtige vrouw. We hebben uren zitten praten', zegt Van Balen, 'en daarna heb ik haar stom genoeg laten gaan. Geen naam, geen adres, geen telefoonnummer genoteerd. Ik kan me wel voor de kop slaan. Misschien is ze nu wel dood.'

Hij is nog meer kwijt. Samen met de onlangs overleden zus Guusje, richtte Van Balen op de bovenverdieping een piepklein Slauerhoff-museum in. 'Ze wist alles nog precies. Jan zou in de balken van de zoldering met potlood dichtregels hebben gekrast, maar daar is allang de kwast overheen gegaan. Misschien heb ik het zelf gedaan', zegt Van Balen. 'Wist ik veel.' Onder die balken staat een scheepskist van Jan, met z'n zeemanspet erbovenop.

De rest van de dichtersrelikwieën die Van Balen op zolder vond, ging naar het Letterkundig Museum. Met dat museum organiseerde hij in 1987, bij gelegenheid van Slauerhoffs vijftigste sterfdag, een tentoonstelling in de winkel. Het was prachtig, zegt Van Baalen, daar niet van. 'Maar na afloop bleek dat de museummensen bijna alle spullen die ik op zolder vond, hadden meegenomen. Ook de beroemde kimono die hij op een foto draagt. Die lag in de verkleedkist van de neefjes en nichtjes Slauerhoff. Jammer. Als ik hem hier had, zou ik hem in glas vatten en aan de muur hangen.'

De kimono hangt nu op een kleine tentoonstelling in het Nederlands Scheepvaartmuseum in Amsterdam, 'J. Slauerhoff, Dichter op zee'. Het type hut dat hij had op de passagiersschepen Gelria en Flandria, waarmee hij tussen 1928 en 1931 naar Zuid-Amerika voer, is er gereconstrueerd. Het is er niet zo'n rotzooi als verteld wordt in de verhalen van medezeelieden: overal vellen papier en vuile kleren. Ook zijn er de scheepsapotheek, de ziekenkamer en een luguber behandelkamertje te zien. Misschien wel zo eentje als waarin Slauerhoff een krijsende Chinees bij wie hij een abces moest wegsnijden, 'verdoofde' met een hamerslag. Of waar hij de verwende dames van de eerste klas, met een voorgewend kwaaltje op spreekuur bij de leuke 'pil', wegstuurde met een purgeermiddel.

Maar hij was een schat voor de jongens van de stookkamer, herinneren medezeelieden zich. En een zorgvuldige arts, die vaak kwam kijken of een wond goed heelde.

De kimono-foto is ook te zien in het Scheepvaartmuseum. Cees Nooteboom nam de foto op in een van zijn reisboeken. In het onlangs verschenen Slauerhoff-nummer van Bzzletin beschrijft hij de foto. Slauerhoff kijkt recht in de lens, 'alsof hij wist dat de essentie van zijn wezen in deze foto bewaard zou blijven, een tegenstelling. De hang naar vroegere pracht, waardoor je zo'n anachronistisch, bijna priesterlijk gewaad aandoet, en de wrevelige, onrustige moderniteit van het kortgeknipte, intense gezicht van de dichter-scheepsarts daarboven.'

BIJ DE NAAM Slauerhoff denk je aan Macao, Shanghai, Tandjong Priok. Aan Bahia, Rio en Buenos Aires, aan Barcelona en Tanger. Havensteden waar hij even aanlegde bij een lief dat hij daarna nooit meer zou zien. Waar hij zich voorstelde dat hij er altijd kon blijven, of altijd geweest was. Hij kroop in de zielen van Columbus, Djengis en Camoes en annexeerde zo een enorm verleden. Gaucho, piraat, zwerver in 'Lisboa's armoedige Mouraria' - dat was Slauerhoff ook. En Corbière, Jarry, Baudelaire, Verlaine, Villon en Dario: dichters die hij vertaalde en in zich voelde, gedoemd, net als hij, nergens het geluk te vinden.

Hij was een jongen met zachte ogen en een schuw vertrokken mond in een 'Chinees' gezicht. Hij vertaalde oude Chinese dichters, zeilde met hen 'in mijn rieten boot, heinde en ver', en waande zich 'de pijnboom/ eenzaam, op steile spits', in de zekerheid dat hij een reïncarnatie was van een van hen. Hij werd door Du Perron juichend als 'cosmopoliet' het tijdschrift Forum binnengehaald, en kort voor zijn dood voor 'lage schoft' uitgemaakt. Een dichter die topzwaar was van de oude zielen die hij met zich meezeulde, en wiens beste gedichten, zoals W.F. Hermans schreef in Proloog (september 1946), 'klinken als lange snikken'. Die één ding zeker wist: 'In Nederland wil ik niet sterven,/ En in de natte grond bederven' - en stierf in een rusthuis in Hilversum, aan de dichtersziekte tbc. Een stokoude man van 38.

Maar hier in mistig Friesland is Slauerhoff vooral: een Fries. Hij groeide er op, zat met Vestdijk op de hbs en beleefde zijn eerste 'landelijke liefdes' met de zusjes Hille Ris Lambers, dochters van de dominee van Jorwerd. Hij nam praktijken waar voor huisartsen in Friese dorpen en sleepte al zijn verloofdes mee naar zijn geliefde Vlieland.

Wie de Fries wil vinden in dit werk dat over de wereld jaagt, moet goed zoeken. Er is maar bitter weinig dat hen gelukkig kan maken. Slauerhoff sprak thuis geen Fries, schreef niet in het Fries, en wijdde luttele regels aan zijn geboortegrond, strohalmen die tot vervelens toe geciteerd worden. In een brief aan een studievriend, Maarten Vrij, heeft hij het over 'dit toch wel mooie grijze land'. En een onvoltooid gedicht begint met 'Alleen voor Friesland heb ik nog een zwak', maar de tweede regel begint omineus met 'Al is dat. . '.

Vaak is geprobeerd Slauerhoffs dualistische aard als 'typisch Fries' te duiden: bot maar gevoelig, introvert maar opvliegend bij de minste krenking, zowel deemoedig als hoogmoedig, maar zo'n karakter behoort ook tot de uitrusting van de typische romanticus. Zelf hield de dichter het op: 'De Friesche aard is benepen/ En uit zich niet groot, weegt en wikt.' Uit zich niet groot? Dat kan hij toch niet op zichzelf van toepassing hebben geacht.

NAAST HET HEK van de mooie statige pastorie in Jorwerd staat weer trouwhartig het regeltje 'Alleen voor Friesland heb ik nog een zwak', onder de zeemanspet in brons. 'Achter de moerbeibomen ligt haar huis', nog altijd, maar 'zij die in de gevelspits haar kamer heeft', Heleen Hille Ris Lambers, woont er niet meer, al werd ze 92. Hier in Jorwerd versmaadde ze de verliefde Jan, die eerst haar zusje Annie de bons had gegeven. Later zou ze hem, in wanhopige brieven, vergeefs smeken haar vergissing ongedaan te maken.

Met Heleen zoende hij in de moestuin achter het huis, wat een van zijn mooiste strofen opleverde: 'Een zoen, niet bij machte kortstondige weelde/ Te geven, dien alleen het voorgevoel/ Van het wellicht voor 't laatst te doen/ Een zekere ernstige wellust verleende.'

Deze dagen zijn ze er weer, in de pastorietuin. Jan, Annie, Heleen en hun zus Jopie. Ze treden op in het 'iepenloftspul' Slauerhoff en Jorwerd dat Gerrit Jan Zwier schreef ter gelegenheid van de honderdste geboortedag van de dichter. Jan Schotanus vertaalde het in het Fries. In het eerste bedrijf (een fragment in het Nederlands is afgedrukt in het Bzzletin-nummer) houden ze een seance met geesten; dat deden ze wel vaker, op de pastorie. Jan krijgt ruzie met de Dorpsgeest, die Heleen belooft dat alles goed komt. Hij zal in de tuin 'een pad van blinkend schelpengruis' aanleggen (dat is inderdaad gebeurd, want het schelpenpad uit 'Landelijke liefde' bestond niet, daarom moest de werkelijkheid snel worden aangepast), hij zal 'mensen de pastorietuin rondleiden en gedichten van Slauerhoff in de bomen hangen'. De toneel-Jan is woedend: 'Godallemachtig! Wat zegt die man een verschrikkelijke dingen! Laat-ie zelf in een boom gaan hangen'

Maar een dode dichter heeft niets in te brengen. Voor de pastorie hangt Slauerhoff nu in het Fries. Hoe mooi vertaald wellicht ook, er klopt iets niet. 'It stille fan it hof, de feale jûn fan/ Lette sinne dy't de finsters glimme liet' kan er nog mee door. Maar 'Hy (. . .) Is spoarloas yn de Sinese Town ferdwûn/ En lang om let út 't Gangeswetter helle', dat is geen Slauerhoff . Natuurlijk, poëzie is vertaalbaar. Maar Slauerhoff schreef bewust níet in het Fries, de taal van zijn geboorteland en dat maakt die vertalingen zo ongerijmd. In het Portugees, dat had gekund.

Zijn vlucht uit het 'stugge' ouderlijk huis naar de pastorie, waar werd gemusiceerd en gesproken over literatuur, Chinese filosofie en spiritisme, was een vlucht uit Friesland. Hij rook er aan een andere wereld dan die van lijm, behang en dienstbaarheid. In het niet-Friese domineesgezin leefden ze losser - de meisjes liepen in 'mannentruien' - en de God van de dominee, die liefhebberde in spiritisme en die duivelse leer van de kansel verkondigde, was niet de God van de zondagsschool.

Toch is Slauerhoff óók Baard, Dronrijp en Beetsterzwaag. In die Friese dorpen woonde hij korte tijd, als waarnemend huisarts. In Dronrijp, ten westen van Leeuwarden, wijst een ouder echtpaar zonder aarzelen het doktershuis aan. Hearewei 29, de kolossale, zeer notabele Osinga State, omringd door een klein grachtje. Boven de tweemaal manshoge gietijzeren deur hangt een bronzen esculaap. Ja, daar woonde dr. Solkema, en vele dokters voor hem, vertelt het echtpaar. Van een Slauerhoff die Solkema in oktober 1924 zou hebben vervangen, hebben ze nooit gehoord. Nu woont er geen dokter meer. De mensen die er nu wonen, zijn niet thuis, weten ze, 'want die werken allebei. Altijd.'

In het iets zuidelijker gelegen Baard leeft Slauerhoff nog wel. In ieder geval in het doktershuis aan de Dekamawei 7. Huisarts Berghoff is op zijn ronde, de vrouw des huizes staat op het punt te vertrekken. Het gezin is helemaal in Slauerhoff, deze weken. Dochter Fleur speelt in het iepenloftspul in Jorwerd - ze is een van de dansleerlingen van Darja Collin in het stuk - en ze moet nog oefenen. We kunnen nog wel even zien waar de uit koers geraakte scheepsarts moet hebben gezeten en waar het piepkleine apotheekje heeft gestaan. Waar nu de apotheek is, stond het koetsje van dokter Hoekstra.

Na het kloppen, snijden en verlossen zat de waarnemende dokter wat te soezen in café 't Schipperke, iets verderop aan het water. Het café voor binnenschippers bestaat 250 jaar, vertelt de eigenaar. Het is niet moeilijk voor te stellen hoe hij daar zat. Schipperke bevangen door zeekoorts aan de Bolswarder Trekvaart, een beetje saudade boven een kelkje jenever. En morgen weer bij de boeren langs.

Beetsterzwaag, in Zuidoost-Friesland, wasemt nog altijd voornaamheid en rijkdom. De huizen zijn er een maatje groter, zwijgzamer en hooghartiger dan in de andere dorpen. Bedaagd groen omkranst de villa's en herenhuizen van een of meer eeuwen oud. Toen Slauerhoff er waarnam voor dokter Bremer, juni en juli 1929, gaf de adel er de toon aan, nu is het de kunst. Het dorp telt drie galeries. In het pand van een ervan, De Ooggetuige, woonde het gezin Bremer.

Galeriehouder K. Marks is druk met de verbouwing van het huis, dat een omvang heeft van drie opeengestapelde gemeentezwembaden. 'Is het niks voor jullie?', vraagt hij. Hij wil er wel van af. Altijd wat met zo'n kast, zucht hij. Ja, hij weet dat Slauerhoff hier gezeten heeft. Nee, hij leest geen poëzie. Maar we mogen wel even kijken.

Waar nu de woonkeuken is, aan de straat, was de werkkamer van de logé. Geen slechte plek. Hij zal toen nog niet hebben uitgekeken op de pijnlijk fris detonerende zaak van Groentejan en het Grieks bedoelde tempeltje ernaast. De doktersvrouw moet hem er een kopje thee hebben gebracht, mopperend op zijn smoezelige kleren, waarin hij toch niet voor haar vriendinnen kon verschijnen.

Even verderop aan de Hoofdweg, in het vriendelijkste huis van het dorp, woont Jan Loman, een schilder en beeldhouwer op leeftijd. Hij heeft Slauerhoff indertijd niet ontmoet, want hij woont hier 'pas 35 jaar'. Dokter Bremer kende hij wel, en zo hoorde hij alle verhalen over het tumultueuze verblijf van de losbollige waarnemer. 'Altijd achter de meisjes aan, hè? Ja, wat moest zo'n jongen anders. Bij een patiënte die beter was, kwam hij met een bos bloemen aan de deur. Het dorp sprak er schande van. En dan hing hij 's avonds rond op de kerkhoven hier in de buurt, ook raar natuurlijk. Maar het toppunt was dat hij met een 19-jarig meisje aan de zwier ging.'

Met deze Aaltje Koopmans reed Slauerhoff die zomer, in het Fordje van dokter Bremer, naar het huis van J.C. Bloem en Clara Eggink in het nabijgelegen St. Nicolaasga. Bloem was in die tijd griffier in Lemmer. De Bloems waren verbijsterd: 'Onbekende meisjes voerde Slauerhoff met zich of dat de gewoonste zaak van de wereld was', schrijft Eggink in Leven met J.C. Bloem. Bloem schreef ter plekke een passend kwatrijn: 'Die 'k aan een gier geklemd dacht zwevende over de Andes,/ Of snaren toklend aan den langoureuzen Taag,/ Verkrachtend te Parijs, of zwervend langs de Landes,/ Is nu godbetert arts in 't Friesche Beetsterzwaag.'

Jan Loman heeft zijn eigen Slauerhoff. In 1946 vertrok hij als oorlogsvrijwilliger naar Batavia. 'Onderweg viel de bom op Hiroshima. Toen voelde ik al niets meer voor de hele onderneming. Maar goed, je ging. Ik had de gedichten van Slauerhoff meegenomen, in de ransel. Tijdens een expeditie op Timor, las ik 's avonds zijn gedichten. Je was er erg op jezelf aangewezen in zo'n kampong. Het mooie was dat ik ter plekke kon zien en ruiken wat hij schreef. In Passagrahan had ik nog een wonderlijke ervaring. In een huis daar hing een schilderijtje aan de muur, met daarop de boerderij in Bolsward waar ik geboren ben. Slauerhoff, Indië, Friesland - het kwam allemaal samen.'

En ik lees hem nog, zegt Loman. 'Anders dan de gedichten van zijn tijdgenoten, Roland Holst bijvoorbeeld, is zijn werk leesbaar gebleven. Dat komt door zijn gewone taalgebruik. Aan die Slauerhoff hecht ik meer dan aan de man die hier door deze straat gelopen heeft.'

Aleid Truijens

J. Slauerhoff: Verzamelde gedichten.

Nijgh & Van Ditmar; 960 pagina's; * 25,-.

ISBN 90 388 7037 X.

J. Slauerhoff. Bzzletin, september 1998.

BZZTëH; * 12,50.

'Slauerhoff, dichter op zee.'

Expositie Nederlands Scheepvaartmuseum, Amsterdam. Tot en met 3 januari 1999.

'Slauerhoff en Jorwerd.' Iepenloftspul geschreven door Gerrit Jan Zwier.

Pastorie Jorwerd, vandaag laatste voorstelling.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden