Eén portret, twee karakters

Simon Schama's geschiedenis van de portretkunst is een festijn. Een van de schilders die hij behandelt, is Thomas Gainsborough, aan wie in Enschede een mooie tentoonstelling is gewijd.

Thomas Gainsborough: The Artist's Two Daughters, ca 1758, Victoria and Albert Museum, Londen, nu te zien in Enschede.

Dat gaat pijn doen. Op Thomas Gainsboroughs magnifieke portret van zijn dochters in de National Gallery zit een ongeluk in een klein beestje. Een vlinder, gespikkeld en roomwit, is neergestreken op een distel, en het jongste meisje, Mary, en niet haar grote zus, Margaret, wil hem pakken.

Wat volgt laat zich raden: hand reikt naar beestje, beestje vliegt weg, hand raakt distel: au! Simon Schama schrijft het niet expliciet in The Face of Britain, zijn geschiedenis van het Britse portret, maar je kunt het schilderij zien als een morality tale. Jonge meisjes worden groot en de prikken van distels zijn nog maar de onschuldigste die de wereld in petto heeft.

Vooreerst: dat boek, een geschiedenis van het portret, en dus ook de geschiedenis die wordt verteld door het portret, is een festijn. Schama is een acquired taste - de ronkende toon, de duizeligmakende eruditie. Zijn documentaireserie The Power of Art was op sommige momenten tenenkrommend pompeus, maar hier is hij in bloedvorm. De informatie is goed gedoseerd, de personages zijn interessant, de grappen on the nail, de verteltoon filmisch.

Dat laatste is natuurlijk een cliché van jewelste, maar de manier waarop Schama je een wereld binnen voert, is bepaald cinematografisch. De passage waarmee het hoofdstuk over de diplomaat Kenelm Digby en zijn geliefde Venetia aanvangt - bij de bloemenmeisjes die op May Day hun gezicht in de ochtenddauw drukken, van waaruit we verder worden meegevoerd, over het veld waarop Smithfield lads dansen rond de Meiboom, via het huis van de Venetiaanse ambassadeur, om pas dan bij Digby's in aanbouw verkerende bibliotheek te arriveren - is de literaire variant van de beroemde tracking-shot uit Touch of Evil (Orson Welles, 1958).

Zelden zal er over de Britse portretkunst geschreven zijn met zulk verteltalent, met zo'n timmermansoog voor het componeren van een verhaal.

De Britse portretkunst - haar meest illustere beoefenaars tot de 18de eeuw waren buitenlandse schilders als Holbein en Van Dyck - is geen eenduidig genre. Zij kent, excusez le mot, vele gezichten. Ze kan een consolidatie zijn van de macht, zoals Van Dycks ruiterportret van Charles I, of juist een ontkenning ervan, zoals Sutherlands beruchte (en vernietigde) jubileumportret van Churchill. Ze kan een bestendiging zijn van roem, zoals Gainsboroughs portret van acteur David Garrick ('een theater-gezelschap van twee' typeert Schama diens wenkbrauwen), of een getuigenis van de vrije val die er soms op volgt, zoals Dumas' portret van Amy Winehouse. En ze kan fungeren als aandenken aan een geliefde, dood of levend. Hier blijven, zegt zo'n portret, niet weggaan, niet verdwijnen in die goeie nacht, of elders.

Thomas Gainsborough (1727-1788): The Painter's Daughters Chasing a Butterfly (ca1756), National Gallery, Londen. Beeld Hollandse Hoogte

Het is een oud gegeven. Het komt al voor in Plinius' Naturalis Historia, in het verhaal van de dochter van Butades, een pottenbakker in Sicyon (een stadje op de Peloponnesus). Deze dochter had een vriendje en dat vriendje moest op reis, en omdat weg toen echt weg betekende, trok het meisje voordat de jongen uitvoer de schaduw van z'n gezicht over op een muur; haar vader maakte er een aardewerken reliëf van. Zo hield de dochter van Butades haar geliefde vast, zoals later Sir Digby zijn jong aan een hersenkwaal overleden vrouw Venetia vasthield door haar opgebaard en met opgewreven wangen ('even lovelier, if possible, than when she lived') door Anthony van Dyck te laten vereeuwigen; en zoals, nog later, Francis Bacon zijn vervelende, drammerige, maar soms toch ook best wel lieve vriendje George Dyer (hij bracht zichzelf om met slaappillen en alcohol) vasthield door een drieluik ter ere van hem te schilderen.

Gainsboroughs dochters in dit rijtje noemen lijkt vreemd - zij hadden geen hersenverweking en waren niet suïcidaal - maar met kennis van de geschiedenis, en de wetenschap dat alles wat leeft tegelijk ook altijd een beetje stervende is, valt het te billijken. Gainsborough was een sensibel man. Zijn portret nam een voorschot op het verlies.

The Face of Britain

Non-fictie, Simon Schama, Penguin Random House UK; 603 pagina's; euro 40,50.

Waarmee niet gezegd wil zijn dat zulke romantische noties als het tegenhouden van de tijd voortdurend in Gainsboroughs gedachten waren. Hij runde, zo toont de aardige tentoonstelling in Rijksmuseum Twenthe, ook gewoon een portrettenfabriekje. Dat deed-ie goed.

Gainsborough blonk uit in het schilderen van kleding. Maar wat hem echt uitzonderlijk maakte, waren de landschappen waarin hij zijn opdrachtgevers situeerde. Doorvoeld en accuraat waren die; niet de invul-idylles van de kunstbroeders van weleer. Meer dan de 'cursed face business' van het portretschilderen waren deze landskips Gainsboroughs ware liefhebberij. The Painter's Daughters Chasing a Butterfly heeft ook plaats in zo'n landschap.

We zien twee meisjes, hand in hand, een gele en een witte jurk als de vleugels van een vlinder. De gezichten zijn prachtig, verwant en toch anders, maar het beste aan het werk, schrijft Simon Schama terecht, zit hem in de karakterstudie, in het in één beeld vangen van twee wezenlijk verschillende temperamenten.

Margaret, de oudste, was de knapste, maar ook de meer bedeesde van de twee, de-kat-uit-de-boomkijker. Zo niet de kleine Mary. Dat was een brutaaltje. Haar bijnaam luidde niet voor niets De Kapitein. Ze was ook, zo bleek later, een beetje raar in het hoofd. Een doktersrapport repte omineus van een 'familiekwaal'. Echter, toen Gainsborough haar in 1756 schilderde, was ze nog een speelse kleuter. En zo zien we haar, eeuwig onschuldig.

Had ze dat eens kunnen blijven.

Arme Gainsborough. Eerst verloor hij zijn vrouw, daarna nam het leven dochter De Kapitein flink te grazen. Mary trouwde de Duitse hoboïst Johann Christian Fischer, een foute kerel, die eerst Margaret het hof had gemaakt (de vergevingsgezinde Gainsborough vereeuwigde hem evengoed; Fischers peinzende, in rood fluweel gestoken verschijning is een van de hoogtepunten van de tentoonstelling in Enschede) en ook nog eens een leegloper bleek. Na zes maanden gingen hij en Mary uiteen. Haar gedrag was veranderd van excentriek in gestoord. Volgden: acht jaar bij vader, en, na diens dood, een leven als kostganger bij zus Margaret. Het handje vasthouden van weleer was veranderd in een houdgreep van emotionele afhankelijkheid. Au.

Gainsborough in his own words, Rijksmuseum Twenthe, Enschede, t/m 24 juli.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.