PortretKeith Jarrett

Een ode aan jazzpianist Keith Jarrett, die niet meer kan spelen maar een onovertroffen reeks van caleidoscopische solo’s nalaat

Keith Jarrett treedt op in San Fransisco, omstreeks 1975.Beeld Getty

Alex Burghoorn betuigt zijn liefde aan jazzpianist Keith Jarrett, die zijn noten uit Moeder Aarde leek te verlossen. De zelfbenoemde messias kan na twee beroerten niet meer spelen. 

Keith Jarrett speelt geen piano meer. De 75-jarige Amerikaan heeft in 2018 kort na elkaar twee beroertes gehad, en kampt sindsdien met verlamming in de linkerhelft van zijn lichaam. Hij onthulde dat een week geleden zelf in The New York Times. ‘Het hoogst haalbare voor mijn linkerhand is waarschijnlijk dat ik een kopje kan vasthouden.’

De magiër van The Köln Concert (1975), één van de best verkochte jazz-lp’s uit de geschiedenis, wond er geen doekjes om. ‘Als ik pianomuziek hoor die met twee handen wordt gespeeld, is dat frustrerend op een fysieke manier. Als ik Schubert hoor of iets wat zachtjes wordt gespeeld, dat is al genoeg. Omdat ik weet dat ik dat niet zou kunnen. De verwachting is niet dat het zich herstelt.’

Het gebeurt vaker, dat een musicus het zwijgen krijgt opgelegd door zijn eigen lichaam. Soms leidt het tot een heroïsche strijd. De barokviolist Reinhard Göbel kreeg dertig jaar geleden een zenuwaandoening in zijn linkerhand – de vingers die de snaren indrukken – en hij leerde zichzelf andersom viool spelen. Na vijftien jaar moest hij het alsnog opgeven en sindsdien dirigeert hij alleen nog. De pianist Paul Wittgenstein – de oudere broer van filosoof Ludwig – verloor zijn rechterarm tijdens de Eerste Wereldoorlog. In het interbellum bestelde hij Pianoconcerten voor de linkerhand. Het beroemdste, van de Franse componist Maurice Ravel, is ook door tweehandige pianisten op het repertoire genomen.

Of Keith Jarrett ook zo’n uitweg vindt, is de vraag. In zijn pianokamer speelde hij de laatste maanden af en toe. ‘Ik deed of ik Bach was met één hand. Maar dat was maar spel.’ Toen hij wat oude bebop-liedjes wilde spelen kwam hij erachter dat hij ze was vergeten. Het maakt de toekomst ongewis. ‘Ik voel me nu geen pianist meer. Dat is alles wat ik erover kan zeggen.’

Ik werd geraakt door de existentiële dreun die Keith Jarrett heeft gekregen. Misschien vanwege deze tijd die zo veel vragen oproept over het bestaan, of omdat ik zijn platen juist had herontdekt. Maar zeker raakte het me vanwege het feit dat het een einde maakt aan de concerten met solo-improvisaties die Jarrett sinds het begin van de jaren zeventig heeft gegeven. Een reeks die zijn gelijke niet kent, en waarvan ik helaas geen enkel optreden heb bijgewoond.

De eigenzinnige Duitse platenmaatschappij ECM Records heeft gelukkig in de afgelopen 50 jaar de opnamen van 29 soloconcerten van Jarrett uitgebracht – zoals in Keulen, Lausanne, Bremen, Parijs, Milaan, Rio de Janeiro, Tokio, New York. Concertregistratie nummer dertig, Budapest Concert, opgenomen tijdens zijn laatste Europese tournee in 2016, komt vrijdag uit.

De eerste decennia toverde Jarrett vrije improvisaties tevoorschijn van wel een half uur tot drie kwartier aan één stuk. Maniakaal. In zijn spel klonken de klassieken van Bach en Mozart door waarmee hij als getalenteerd kind was begonnen, maar ook de bebop die hem in de jaren zestig richting de jazz had geleid; de funk die hij ontgon als lid van de band van trompettist Miles Davis; de hymnen uit de kerk. Je hoorde de woestheid van freejazz, de sentimentaliteit van musicalliedjes. Nadat hij eind jaren negentig leed aan oververmoeidheid, ruilde hij de lange stream of consciousness in voor suites van kortere, maar even rijk geschakeerde improvisaties.

De middelen van de taal zijn te beperkt om zo’n caleidoscoop te beschrijven zonder in poëzie verzeild te raken. De sporen van de andere muziek vloeien door de handen van Jarrett op een eigen manier samen, om later weer te botsen. Terloops naar Jarrett luisteren is moeilijk, omdat je weinig houvast hebt aan bekende muzikale structuren zoals het couplet en refrein van een liedje. Zijn solo’s zijn gedachtegangen waar je je aan moet overgeven en waar je voor moet gaan zitten. Hier is een pianist die zoals weinig andere muzikanten zijn ziel weet te ontbloten.

De solo-improvisaties van Jarrett komen voort uit een fundamentalistische aanpak, die hij nog eens samenvatte in The New York Times. ‘Ik heb voor het concert nooit enig idee wat ik ga spelen. Als ik een muzikaal idee heb, dan zeg ik daar nee tegen.’ In 1997 beschreef hij het in dezelfde Amerikaanse krant al eens zo: ‘Ik kan geen pianomuziek horen voor ik improviseer op de piano. Dus wat betekent dat? Het betekent dat ik niet kan studeren. Dus wat betekent dat? Soms heb ik een maand of twee de piano niet aangeraakt voor ik een concert ga geven.’

Tekst gaat hieronder verder

Beginnerscursus Keith Jarrett

Wie aan het solowerk van Keith Jarrett wil beginnen, zet meestal eerst The Köln Concert op, dat een van de best verkochte jazzplaten uit de geschiedenis is. Zeker als je voorkeur bij popmuziek ligt, is dat met zijn funky passages een aanrader. Voor mensen van meer klassieke huize is Paris Concert ook een goed begin: in de opening klinkt veel van Bach door. Kun je er daarna geen genoeg van krijgen, pak dan Sun Bear Concerts: de weerslag van vijf Japanse concerten uit 1976 op tien lp’s.

Het streven naar puurheid is het ideaal van een Don Quichot. Dwaas en onuitvoerbaar. Alleen kort na je geboorte kun je met schone oren naar muziek luisteren. Maar al snel daarna komt alles binnen langs een filter van luisterervaringen en -herinneringen, een filter dat zich ongemerkt vormt en voor iedereen uniek is.

Pianomuziek is er al zolang ik me kan herinneren. Mijn moeder was pianolerares, haar vader was pianostemmer en -reparateur. Als ik op de lagere school een dag ziek was, lag ik op de bank in de woonkamer terwijl mijn moeder daar pianoles gaf. Op verloren middagen na school zat ik op een kruk naast mijn opa in de werkplaats waar hij de dempers en hamerkoppen van een piano van nieuw vilt voorzag.

Thuis hoorde ik mijn moeder Schubert, Chopin en Debussy spelen. Als mijn opa klaar was met stemmen speelde hij klassiekers uit het vooroorlogse repertoire voor de barpiano – tijdens de mobilisatie van 1940 was het zijn taak muziek te maken voor de manschappen in Fort Blauwkapel.

Ik kan dus niet naar Keith Jarrett luisteren zonder dat die geschiedenis ergens in mijn hoofd meeklinkt. Net zoals de omweg die ik naar zijn soloconcerten maakte dat doet.

Ik stuitte in mijn middelbareschooltijd voor het eerst op Jarrett dankzij een lp in de Italiaanse verzamelserie I Giganti del Jazz. Halverwege de jaren tachtig lag die in de ramsj bij de V&D. Je kon afleveringen van de honderddelige reeks per kilo afrekenen: ik kocht er vijf van mijn zakgeld. Aflevering 19 kocht ik voor de B-kant waarop jazzpianist Bill Evans stond; op de A-kant speelde Keith Jarrett in het kwartet van tenorsaxofonist Charles Lloyd het nummer Twin Pearls. Het is een opname uit 1967, waar Jarrett – toen al niet bescheiden over zijn eigen kunnen – het ineens uitgiert op de sopraansax.

De eerste keer dat ik Jarrett echt piano hoorde spelen was op de dubbel-cd die hij in 1992 uitbracht met de 24 Preludes en Fuga’s Op. 87 van de Sovjet-componist Dmitri Sjostakovitsj. Ik studeerde net muziekwetenschap en het leek mijn vader wel muziek voor mij. Hij had gelijk, al was het maar omdat ik in die tijd interesse had voor muziek die niet iedereen al kende, zoals de preludes en fuga’s uit Das Wohltemperierte Klavier van Johann Sebastian Bach waar de cyclus van meer dan twee uur op is geïnspireerd.

Dus toen ik uiteindelijk net als 3,5 miljoen anderen The Köln Concert had gekocht en ging luisteren, was ik al niet meer blanco over Keith Jarrett.

Het streven naar puurheid is ook het ideaal van een verlosser. Keith Jarrett is in de loop der jaren vaak verketterd om zijn messiaanse trekken. De beroertes hebben daar geen eind aan gemaakt. ‘Ik voel me als de John Coltrane van de pianisten. Iedereen die na hem saxofoon speelde liet zien hoe schatplichtig ze aan hem zijn. Maar het was niet hun eigen muziek. Het was slechts imitatie.’

Jarrett in 2015.Beeld Getty Images

Wanneer hij de geest goed te pakken heeft tijdens zijn solo-optredens neuriet, murmelt, roept en jankt Jarrett er op los. Het is alsof de muziek die van binnen naar buiten komt met zoveel kracht gepaard gaat, dat zijn handen alleen het niet aankunnen en de overdruk via zijn keel een uitweg vindt.

Wie Jarrett ziet spelen – zijn vroege concert uit 1972 op het beroemde Noorse jazzfestival Molde is makkelijk online te vinden – begrijpt het nog beter. Zijn hele lichaam beweegt mee. Het doet denken aan de begeestering van gelovigen die het heilig vuur zo diep voelen, dat ze niet stil in de kerkbanken kunnen blijven zitten.

Sommigen zullen daarom denken: wat een aansteller. Maar ik denk dat eerlijk gezegd niet. Het streven naar puurheid komt namelijk voort uit een verlangen naar geborgenheid en naar een nieuw begin. Wie kent dat niet?

Het concert in Boedapest van 2016 had voor Jarrett allerlei betekenissen. Zijn grootmoeder was van Hongaarse afkomst en hij speelt al van jongs af aan de muziek van Béla Bartók, de nationale componist van Hongarije, naar wie de zaal waar het optreden was is vernoemd. Hij was zo tevreden met de avond dat hij er nog even aan heeft gedacht het album The Gold Standard te noemen.

De opname bestaat uit twaalf delen, die zoals steeds bij de soloconcerten geen titels, maar nummers hebben. Zoals vaker in de laatste jaren opent Jarrett met een ruige hoeveelheid noten van in dit geval 14 minuten. Het is alsof hij zijn materiaal van de avond wild om zich heen op het podium uitstrooit, om er in de delen daarna fragmenten en akkoorden uit op te vissen. In Part II gaat het er al meteen een stuk kalmer, en lyrischer aan toe, en in Part IV vindt hij een lange slepende groove in het lage register – waar Jarrett soms bij kreunt alsof hij de noten zelf uit Moeder Aarde aan het lostrekken is.

Hoe diep Jarrett de volgende veertig minuten op die avond in Boedapest gaat, ontlaadt zich in de toegift. Zoals vaker eindigt hij met het spelen van een oud liedje uit het Great American Songbook.

Wat dan gebeurt: Keith Jarrett zet de ballad onder een spanning die niet mogelijk geweest als hij niet eerst Part I tot Part XII had doorleefd. Alles wat voorafgaat, telt mee. Ongemerkt begin ik te wiegen alsof binnen een vlammetje opflikkert, ik murmel wat instemmende geluiden en dan komen er onvermijdelijk tranen op. It’s a Lonesome Old Town, uit 1930.

De melodie zweeft hartstochtelijk op de gebroken akkoorden van zijn sloom stuwende linkerhand. God, wat was ik daar graag bij geweest.

Budapest Concert’verschijnt bij ECM Records.

Laatste woorden

Keith Jarrett heeft sinds 1972 meer dan 350 soloimprovisatieconcerten gegeven. Slechts twee daarvan waren volgens fansite keithjarrett.org in Nederland: in 1983 en in 1993. Zijn laatste optreden was in februari 2017 in New York. Na een emotionele toegift zei hij volgens jazztijdschrift Downbeat: ‘U bent het eerste publiek dat me aan het huilen heeft gebracht.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden