Een nieuwe geest in de oude vormen

Het leven, de carrière en de poëzie van Paulinus van Nola zijn bijna voorbeeldig voor de laat-antieke, vroeg-christelijke cultuur. Origineel was hij niet, als denker noch als dichter....

Kees Fens

DE GROTEN die in het laatste kwart van de vierde en de eerste decennia van de vijfde eeuw de christelijk-Latijnse literatuur zullen beheersen, komen allen uit de provincie, niet uit Rome: Ambrosius, Augustinus, Hiëronymus, Prudentius. Zij zijn allen rond 350 geboren. Ze woonden en werkten ver van elkaar, maar ze kenden elkaar en elkaars werk, correspondeerden ook vaak met elkaar. Ondanks de grote afstanden was de intellectuele dichtheid wonderlijk groot.

De vijfde, nog niet genoemde grote figuur, Paulinus, die genoemd is naar Nola, een stadje veertig kilometer ten oosten van Napels, waar hij een klooster en basiliek stichtte en later bisschop werd, correspondeerde over theologische onderwerpen met Augustinus, maar ontving ook diens werken. Het netwerk van de antieke wereld is nog helemaal intact. De genoemden behoren allen tot één cultuur: de laat-antieke, vroeg-christelijke, misschien wel een der fascinerendste 'mengculturen' uit de westerse geschiedenis.

Paulinus van Nola is in zijn leven, carrière en in zijn poëzie haast voorbeeldig voor die cultuur. Hij werd in 353 uit de hoogste (en vermogendste) rijksadel geboren in de buurt van Bordeaux. Zijn leermeester werd daar de retor, grammaticus en dichter Ausonius, wiens roem zo ver reikte dat hij in 365 naar Italië werd geroepen om de opvoeder te worden van de latere keizer Gratianus. Hoewel hij waarschijnlijk christen was, was zijn geest (en ook zijn onderwijs) helemaal dat van de antieke cultuur. Al op 25-jarige leeftijd was Paulinus consul in Rome, vrij snel daarop werd hij gouverneur van Campania, de streek ten zuidoosten van Rome, met Napels als belangrijkste stad. Vlakbij lag ook Nola. Na enkele jaren keerde hij terug naar zijn geboortestreek om al op vrij vroege leeftijd het klassieke ideaal van de otium ruris, het rustige leven op het land, te gaan nastreven. En dat betekende voor hem ook: het schrijven van poëzie. (Hoe hardnekkig dat ideaal is geweest, bewijst Petrarca's leven).

Paulinus' jongste biograaf vat de geest van het verblijf in Aquitanië samen in de mooie formule: 'van otium ruris tot contemptus mundi'. En de laatste is de wereldverzaking. Na zijn huwelijk met een zeer katholieke Spaanse laat hij zich dopen, besluit hij afstand te doen van al zijn bezit, omwille van het rijk der hemelen, en een ascetisch leven - dat wil zeggen: een leven in strengheid en afzondering - te gaan leiden. In 394 keert hij terug naar Campania, vestigt zich in Nola, bij het graf van de door hem hoogvereerde heilige uit de derde eeuw, Felix, bouwt een klooster, een basiliek (de verzaking van de wereld betekende niet dat hij zijn hele vermogen kwijt was!).

Hij wordt bisschop van Nola en sterft daar in 431. Tijdens zijn leven had hij al een heilige vermaardheid vanwege het afstand doen van zijn bezittingen, na zijn dood werd hij - begraven naast Felix - al meteen als heilige vereerd. Wij hebben nu nog alleen zijn poëzie, waaronder een aantal gedichten op de heilige Felix. Over die poëzie is men nu mild bewonderend. Een uitstekend stuk erover staat in het laatste boek van C.W. Mönnich, Koningsvanen, dat een uitgebreide studie is over de Latijns-christelijke poëzie tussen oudheid en Middeleeuwen. Het verscheen in 1990.

F.J.E. Raby sluit de paragraaf over Paulinus in zijn nog altijd belangrijke A History of Christian-Latin Poetry af met de zin: 'De katholieke dichters moesten in een proces van experimenten de vormen vinden die aan hun behoeften beantwoordden.' Bij Paulinus ziet men de oude klassieke vormen met een christelijke inhoud, een soort 'dubbele gedichten' dus.

Hij blijft in zijn poëzie de bekeerde leerling van Ausonius. Die dubbelheid is voor zijn leven en zijn tijd kenmerkend. Wat F. van der Meer 'Christus oudste gewaad' noemde - de oudchristelijke kunst, gekenmerkt door klassieke vormen met christelijke inhoud - kan als metafoor gelden voor de hele cultuur. Het gaat niet te ver de 'contemptus mundi', die ook letterlijk een zich terugtrekken uit de wereld betekende, als de kerstening te zien van de klassieke 'otium ruris'. De heilige Felix moge Paulinus naar Nola hebben getrokken, hij keert toch maar terug naar de streek die hij eens als gouverneur bestuurde. Het einde van zijn leven toont de nieuwe invulling van de oude structuur: als bisschop is hij opnieuw de machtigste man van de provincie. De kerk zal de structuren van het oude rijk overnemen.

Paulinus' biograaf geeft een schitterend voorbeeld van die gekerstende voortzetting van het oude. Plinius de Jongere schonk - voor het algemeen belang - veel aan zijn woonplaats: een bibliotheek, geld voor het onderhoud ervan, publieke baden en een fonds voor de ondersteuning van 175 kinderen. En voor de voortzetting van alles liet hij fondsen na. Het is de vrijgevigheid van de heer die daarmee zijn hoge nagedachtenis en die van zijn familie verzekerde.

HET WAS een bekend patroon in de oudheid. Paulinus bouwt met eigen vermogen zijn grote basiliek met bijgebouwen in Nola. In het algemeen belang, maar dat is het belang van de kerk en de begunstigden zijn de gelovigen. Het effect voor de nagedachtenis is gelijk; alleen is ze die van Paulinus' heiligheid. 'Aan het einde van de vierde eeuw ging het bouwen van kerken op een onvergelijkbare wijze de seculiere en religieuze activiteiten van de tijd in zich verenigen.' Ook daarmee is de kern van die oudchristelijke cultuur gegeven, want 'kerkenbouw' laat zich ook metaforisch verstaan.

Van de 'dubbelfiguur' die Paulinus van Nola was, geeft de Amerikaanse classicus Dennis F. Trout in zijn biografie Paulinus of Nola een in veel opzichten indrukwekkend beeld. Maar in zijn persoon worden ook een heel tijdperk en de cultuur daarvan scherp zichtbaar. Paulinus was zowel uitzonderlijk als representatief, in zijn leven en in zijn werk. Het uitgangspunt van het boek is zeer boeiend: het beeld dat de grote christelijke tijdgenoten van Paulinus gaven. De auteur noemt dat beeld een 'verbale icoon', en daarin zit zowel het heiligheidselement als het voorbeeldige karakter, alsook het vaststaande en clichématige.

Zijn afstand doen van zijn wereldse goederen en radicale keuze voor Christus maakt hem de levende illustratie van beroemde evangelieteksten; hij wordt als het ware boven de geschiedenis geplaatst. (Zijn zeer grote rijkdom en zijn voornaamheid maakten zijn totale bekering natuurlijk echt ophefmakend). Het beeld werd geijkt en zal een zeer hardnekkig leven leiden, tot in de vorige eeuw.

Trout haalt de geschiedenis achter het beeld te voorschijn: Paulinus komt in zijn tijd te staan en zijn daden krijgen een historische context.

Heel informatief is het hoofdstuk over de 'verzaking van de wereld', die heel wat minder totaal was dan de icoonmakers het hebben voorgesteld. Al heel vroeg doet zich iets voor dat de kracht en de religieuze zwakte van de katholieke kerk zal blijken: de verzaking is een geestelijke, men onthecht zichzelf, maar de oude orde van bezit blijft ten dele gehandhaafd. Zoals de monnik die Paulinus werd - een luxe-klooster moet het zijne in Nola zijn geweest, want het was niet alleen een religieus, maar ook een cultureel en politiek centrum - tenslotte toch weer de bestuurder van zijn oude gebied zal zijn. Het bezit blijft, alleen is het nu van en voor God!

De dubbelzinnigheid van de christelijke maatschappij en cultuur ontstaat. Ausonius en andere tijdgenoten verzetten zich hevig tegen Paulinus' overgang naar het ascetische leven. Zij moeten er de ondergang van de hun vertrouwde orde in hebben gezien, van het rijk ook. De metamorfose ervan in het christendom konden zij niet voorzien.

Vergeleken met Augustinus, Ambrosius, Hiëronymus is Paulinus een figuur van de tweede rang. Origineel was hij zeker niet, als denker noch als dichter. Maar juist dat maakt hem representatief. Hij blijft zich in een nieuwe geest in de oude vormen bewegen. Met een, vermoed ik, zeer grote charme, cultuur en innemendheid. Iedereen was op hem gesteld. (Hiëronymus niet zo erg, later, maar die was de superieurste chagrijn van de christelijke oudheid). Ik denk dat aan de biografie - die soms wel erg droog is, eerlijk gezegd - voorlopig niets zal worden toegevoegd; aan het beeld van Paulinus zal de toekomst ook weinig veranderen. Misschien aan dat van de poëzie, want daarover zegt Trout betrekkelijk weinig.

Mönnich deed het heel wat beter en levendiger. Hij vertaalde ook enkele gedichten of fragmenten ervan. Bijna elk jaar schreef Paulinus voor het feest van Felix, op 14 januari, een gedicht. De lieflijke dichter die hij ook was, kon de winter niet buiten zijn lofzang op de heilige houden:

Een blijde wereld ziet men glanzen, nu de dag in stralend wit het grote feest begint; het wit vangt blij dit al; de poedersneeuw valt uit de lucht, legt zich op aarde en hult haar in een blank gewaad; zij is met sneeuw bedekt: de grond, het bos, de heuvels; en schoon getooid brengt zij de grijs aard blanke eer: die leert ons, dat met engelenlicht en vrede Felix in 't vreedzaam land der vromen stra lend machtig is, daar, waar uit stille hemel 'n witte vacht omlaag glijdt.

Aan de wereldse poëzie heeft hij in elk geval niet verzaakt (zoals Augustinus nooit zijn behagen in de taal zal verliezen). De cultuur is sterker dan de nieuwe leer.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden