Boeken

Een mooie bundel aardse lyriek van de gevierde Surinaamse dichter Jit Narain★★★☆☆

In de tweetalige bloemlezing – in het Sarnámi en in het Nederlands –van Jit Narain verkent de gevierde Surinaamse dichter de verhouding van de mens met de aarde.

Jit Narain - een mensenkind in niemandsland Beeld rv
Jit Narain - een mensenkind in niemandslandBeeld rv

Jit Narain (1948) is een gevierd Surinaams dichter die schrijft in het Sarnámi, de taal van de Surinaams-Hindoestaanse gemeenschap, en in het Nederlands, de taal waarin hij meermaals studeerde en werkte. Zijn bundels verschenen soms in Paramaribo en soms in Den Haag en zijn vaak moeilijk te vinden. Daarom is het goed dat er nu voor het eerst een tweetalige bloemlezing is gepubliceerd, een mooie bundel aardse lyriek. Of het nu modder betreft, of een vruchtbare akker, aarde staat centraal in het werk van Narain, en in zijn verzen verkent hij talloze manieren waarop de mens zich tot de grond onder de voeten verhoudt.

Misschien is dat niet zo gek voor de zoon van een opzichter op een proefboerderij van het ministerie van Landbouw in Suriname; een zoon die bovendien zelf naast geneeskunde ook landbouw ging bedrijven. Ook vanuit een ander opzicht is het niet vreemd te noemen, want als afstammeling van contractarbeiders, die met de boot van Brits-Indië naar Suriname werden gebracht, is de aarde waaraan de dichter denkt toch in eerste instantie de geboortegrond. ‘Je gaf je krachten en zakte dieper’, schrijft hij in een werkelijk mooi gedicht denkend aan zijn voorouders, ‘minder en minder werd je en je struikelde. / Aarde van India, op Surinaamse grond / raakte jij volledig ingepast.’

Zelf bewoog hij ook meermaals heen en weer tussen zijn geboortegrond en Nederland, van de ene naar de andere kunst zogezegd. ‘Deze oever is niet goed voor mij, de andere voelt vreemd’, schrijft hij dan ook om te besluiten, ‘met het vuil van de Hollanders drijf ik weg / spartelend onder die sluier, neus dicht voor de stank.’ Oevers, de natuurlijke begrenzingen van de geboortegrond, komen veelvuldig voor in zijn gedichten, zoals in de bundel uit 1984 met de wat bevreemdende titel: Wie wil wonen op de oever waarom koerst hij naar de zee.

Voor de landbouwer Narain komt leven uit aarde voort, ook al is dat uit modder, zoals in het rijstveld, waarin hij zaad plant en trouwens net zo graag gaat spelen. Aarde is voor hem het medium van leven evenzeer als het medium van plezier. Voeg daar gerust verdriet aan toe, want de grond is ook de plek waarin dromen verdwijnen en druppels droefenis, ‘een stroom van geschonken tranen’, de kloven en scheuren vullen. Daarnaast maakt aarde bezit (en dus ook strijd) mogelijk in de vorm van afbakening, een erf. Aarde is geduldig, lezen we bij Narain, en dat valt goed te begrijpen, want ze is per slot van rekening ook het medium van de dood. Op aarde wordt afval gestort, vuil wordt in zand achtergelaten en in de grond worden de doden begraven. Daarmee komen we tot de kern van Narains lyrische wereldblik: alles wat leeft, komt voort uit de dood. ‘als de loot de stam / laat het leven de dood achter zich’, schrijft hij in twee typisch kale regels die dat idee verder perfect samenvatten.

Heel soms valt alles hem zwaar, schijnt de aarde hem een woestijn te zijn en voelt de dichter zich ‘een denker of een leeggedacht mensenkind nu in het niemandsland’. Dan zou je willen dat hij kon doen wat wij nu kunnen: met een bundel van zijn verzen onder de arm de tuin in lopen waar, zoals bij mij, het gras toch niet wil groeien en al lezend met blote voeten minzaam de aarde doorwoelen.

Jit Narain, Een mensenkind in niemandsland. Samengesteld door Michiel van Kempen en Effendi N. Ketwaru. In de Knipscheer; 134 pagina’s; € 19,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden