Een Mondriaan uit de tweede hand

Een afdruk van een afdruk van een kopie van een foto van Walker Evans en andere ‘tweedehands’ kunst zorgen in het Musée d’Art Moderne in Parijs voor verwarring....

Parijs Het begint met een onnozel schilderijtje op trapportaalformaat van twee bergtoppen, omringd door naaldbomen. Het eindigt met een zaal vol kopieën van Chinese moderne kunst, uitgevoerd in zwart, wit en grijs; slordig tegen de muren gezet, soms nog in reisverpakking – alsof er morgen vernissage is en de ophangers onverwacht een snipperdag namen.

Zowel bergtoppen als namaakchinezen zou je niet verwachten in een serieuze kunstinstelling als het Musée d’Art Moderne in Parijs. Dat geldt evenzeer voor alle andere kunstwerken die samen de expositie Seconde main (‘tweede hand’) vormen.

De kunstwerken die hier worden getoond, zijn verstekelingen. Letterlijk, omdat ze tussen de grote vaste collectie moderne kunst zijn geplaatst. Een grote roze sticker met daarop de woorden ‘Seconde main’ is het enige onderscheidingsteken. Tenminste, voor de museumbezoeker die geen catalogus van duizenden hedendaagse kunstwerken in zijn achterhoofd heeft opgeslagen.

Ook in figuurlijke zin gaat het om verstekelingen, in het verborgene meevarend op de grote stroom van de kunstgeschiedenis. Niets wat hier hangt of staat is origineel. Seconde main gaat over namaak, over kopieën, replica’s, varianten, imitatie. Is authenticiteit een voorwaarde, of kun je evengoed, zoals de Franse schrijver en minister van cultuur André Malraux ooit voorstelde, een denkbeeldig museum inrichten met kopieën?

Als het op varianten aankomt is Mondriaan een willig slachtoffer. Blokker verkocht ooit prullebakken met zijn kleurvlakken. Op Seconde main zijn drie varianten op zijn werk te zien. Sherrie Levine voegde groen toe, een kleur die Mondriaan niet gebruikte, Matthieu Mercier vervaardigde een ‘Mondriaan’ van afval en Tom Sachs maakte een onvoltooid doek af. Dat geeft meteen een beeld van het spectrum aan varianten waarmee de ‘tweedehands’-kunstenaars voortborduren op het origineel.

Een dergelijke behandeling ondergaan meer kunstenaars die tot de canon worden gerekend. Braco Dimitrijevic maakte een reeks schilderijen in zwart, grijs en wit die, afgezien van de ontbrekende kleuren, als twee druppels water op Jackson Pollock lijken. Volgens hem een daad van verzet tegen de verwording van de kunst tot consumptieartikel en tegen de kunsthandel en tegelijk een pleidooi voor de on-originaliteit als kernwaarde van de creatieve daad. Ook Andy Warhol (zijn Brillo Box) en Marcel Duchamp werden gretig gekopieerd. Ze vragen er in zekere zin om, als kunstenaars die in hun werk zelf de grenzen van de authenticiteit opzochten.

Zo heeft iedereen zijn motieven om op de grote meesters te variëren. Sherrie Levine – zij weer – schaamde zich er niet voor foto’s van Walker Evans en Edward Weston te reproduceren uit fotoboeken, en de afdrukken onder eigen naam te exposeren. Dit alles om onze reactie op reproducties ter discussie te stellen, luidt de toelichting. Waarna Eric Doeringer een stap verder ging en een afdruk van een afdruk van zo’n door Levine gekopieerde Evans maakte.

Al deze wijsheid is overigens niet dan met de nodige moeite te verwerven. De inrichters van de tentoonstelling hebben een groot geloof in de zelfredzaamheid van de bezoeker. De werken moeten het op de expositie zonder enige toelichting stellen, zelfs met een schriftelijke cursus kunstgeschiedenis kom je dan niet ver.

Een blikje Merda d’artista van Manzoni of zo’n vibrerend mannetje van Keith Haring zijn nog wel thuis te brengen. Maar als de handtekening van de originele kunstenaar minder duidelijk is, tast je bij de ‘tweede hand’ al helemaal in het duister.

Ook in historische zin wordt de bezoeker wat aan zijn lot overgelaten. Kopiëren was ooit een zeer respectabele bezigheid. De grote kunstenaars van de Gouden Eeuw hadden een werkplaats met leerlingen; schilderijen waren vaak het werk van vele handen, zoals dat nu het geval is met de kunst van Damien Hirst of Jeff Koons. Originaliteit woog minder zwaar dan de kwaliteit van de afbeelding. Lucian Freud, wiens werk dezer dagen in het Centre Pompidou in Parijs te zien is, schilderde vaak naar oude meesters.

De strijd om de oorspronkelijkheid van werken uit vorige eeuwen duurt vaak voort tot in onze tijd. Iets daarvan is terug te vinden op de expositie, waar werken hangen die eerder werden toegeschreven aan Amadeo Modigliani en Maurice Utrillo. Ze moeten het tegenwoordig met de aanduiding ‘Anoniem’ stellen – een droeviger kwalificatie is in deze tijd van gevorderd individualisme en dito hang naar authenticiteit niet voor te stellen.

Een dergelijke historische context zou je graag bij de hand willen hebben op een expositie als deze. De verwarring die wordt gesticht, is niet onaangenaam – wat bezielt de Chinees Yang Zhenzhong in hemelsnaam om een foto van Rineke Dijkstra zo te verfomfaaien? – maar leidt uiteindelijk niet tot een nieuwe ordening. De onderlinge verschillen zijn daarvoor te groot.

Dat de beheerders van het werk van Picasso, Giacometti en Judd protest aantekenen tegen de aard van de expositie (‘hier wordt geld verdiend over de rug van de echte kunstenaars’) lijkt een tikje overdreven. De werken van Seconde main hebben zelden of nooit de kwaliteit van de kunst waaraan ze refereren. Eerder dan een esthetisch genoegen biedt de expositie een kunsthistorisch debat, gevoerd met visuele middelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden