Een magnetiserende persoonlijkheid op het toneel

Mary Dresselhuys stond bijna zeventig jaar op het toneel. Haar hele leven stond in het teken van een onblusbare passie voor het theater. Woensdag overleed ze, 97 jaar oud, in haar huis in Amsterdam...

Dresselhuys was bekend bij een groot publiek als de Grande Dame van de Comedie. Haar laatste grote toneelrol speelde ze in 1994, maar nog in 1997 was ze op de televisie te zien als kasteelvrouw in een aflevering van 30 minuten van Arjan Ederveen en in 1999 haalde ze in een programma met Paul Haenen herinneringen op.

Vorige maand reikte ze in Utrecht nog de Mary Dresselhuys-prijs uit, in 1992 ingesteld door Joop van den Ende, aan de acteur Jacob Derwig. Tot op hoge leeftijd bezocht ze voorstellingen en meestal was ze de laatste die vertrok. Nooit te beroerd om met jonge spelers na te praten over wat ze had gezien.

Al had ze de uitstraling van een deftige mevrouw, loze glamour lapte ze aan haar laars, eigenzinnig, tot in al haar vezels een vakvrouw. Uren kon ze thuis zitten peuteren aan zinnetjes. Haar lijfregel was: nooit aan het effect van je woorden denken of aan de lach die je zult krijgen. Dan lacht er geen mens. Alleen denken, je concentreren op je rol. Timen is denken.

In Tiel, waar ze als dochter van een tabaksfabrikant opgroeide, was toneel een verre en vreemde wereld. Elke zomer logeerde ze bij haar grootmoeder in Den Haag, daar ging ze avond aan avond naar de schouwburg. Ze moest en ze zou zelf ook het theater in. Stiekem deed ze toelatingsexamen, tegen de zin van haar ouders.

Maar ze ging en samen met haar eerste echtgenoot Joan Remmelts debuteerde ze in 1929 bij het Hofstadtoneel in Den Haag. Een criticus schreef:’Van mejuffrouw Dresselhuys horen we meer. Er zit zeer veel talent in dat jonge ding.’

Toen was komediespelen zwaar werk, zeven avonden twee matinees, veel reizen en trekken en een schijntje verdienen. Na twee jaar verkaste ze naar Amsterdam, naar het Centraal Toneel. Ze trouwde met regisseur Cees Laseur en het gezelschap werd hun eigen troep.

Dat ze tijdens de oorlog door bleven spelen, werd hen door collega’s niet altijd in dank afgenomen. Maar zij vond dat je het publiek een hart onder de riem stak. ‘In elke zin herkenden ze iets anti-Duits’. Tenslotte speelden ze zonder verwarming en stroom. Vier autolampen op accuzuur vormden de belichting, het publiek zat met sjaals en handschoenen aan, als applaus roffelden ze met hun voeten op de grond.

Na de oorlog ontspoorde haar huwelijk met Laseur en ze stapte over naar de Nederlandse Comedie. Zeventien jaar zou ze er blijven, tot ze er naar eigen zeggen ineens genoeg van had. Net voor de Actie Tomaat, waarvan vooral de grofheid haar tegenstond, stapte ze met Ko van Dijk over naar het vrije circuit. Ze werd liefderijk opgenomen in de stal van Joop van den Ende die haar als jongen al bewonderde.

Zo kon ze de ster blijven die ze altijd al was geweest. Ze koos haar eigen stukken. ‘Er zijn in de wereld nog maar een stuk of vijf actrices van boven de 70. We houden elkaar allemaal op de hoogte. Voor Herfst in Riga werd ik gebeld door Peggy Ashcroft.'

Na Cees Laseur werd de vlieger Jons Viruly haar grote liefde. Tot zijn dood in 1987. Kwam ze laat thuis van een voorstelling zat hij te wachten met wijn en kaas. Was hij al naar bed, dan lag er steevast een briefje: Maak mij wakker, maak mij wakker. Ze hield van het leven, van alle goede dingen ervan.

Op haar negentigste stond ze nog in het Nieuwe de la Martheater in Amsterdam om voor te lezen uit haar memoires. Gelakte nagels, tongue in cheek en licht ondeugend. Vooral de quasi verstrooide terzijdes maakten haar nog steeds onweerstaanbaar.

Rollen moesten wel passen bij haar uitstraling, een volksvrouw heeft ze nooit willen spelen. Begrijpelijk, om een dame lach je niet. Maar naarmate ze ouder werd, kregen haar rollen meer en meer diepte. En een ongelofelijke vitaliteit. In Harold en Maude maakte ze op haar tachtigste nog een heupstand.

In De Sprong speelde ze een vrouw die haar man op haar 65e verlaat om een nieuw leven te beginnen met Ramses Shaffy en in Hoog Tijd speelde ze met John Kraaykamp een bejaard paar dat voor het eerst het plezier van seks ontdekt.

Aan prijzen heeft het haar nooit ontbroken. De Oeuvreprijs (1992), de zilveren Bouwmeesterpenning, de Johan Kaart-prijs en de Theo d’Or in 1978 voor Herfst in Riga. In 1960 werd ze benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau, in 1992 tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Met superieur gemak beheerste ze het komische genre. De simpelste woorden kregen in haar mond een komische lading. Mensen dachten dat ze het allemaal uit haar mouw schudde. Maar het was worstelen en piekeren om ook de achterkant van een rol te vinden. Alleen zo kon ze de onvermoede ernstige kant door alle humor heen laten schemeren.

In haar verschijning combineerde ze een meisjesachtige charme met ironie en onverzettelijkheid. Rebels, een Pippi Langkous van tachtig. Dat maakte haar tot een magnetiserende persoonlijkheid op het toneel. Bij elke rol begon ze als het ware een nieuw leven, misschien gaf ze zichzelf daardoor geen kans om oud te worden.

Altijd speelde ze vrouwen die jonger waren dan zijzelf. Handen fladderden als vlinders door de lucht, haar stem met die onvoorspelbare uithalen. Ze leek gewichtloos, onder haar voeten heeft nooit een toneelplank gekraakt. Nu is ze echt gewichtloos, een herinnering, maar wel eentje die niet snel vervaagt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden