Een lotuseter in Birma

Centraal in The Piano Tuner, het romandebuut van de pas 26-jarige Amerikaanse medicijnenstudent Daniel Mason, staat een vergelijkbaar beeld: dat van een kostbare vleugelpiano, die eerst vanuit Engeland naar Mandalay in Birma wordt verscheept, en vervolgens per olifant naar de Shan-staten, een gevaarlijke uithoek van het Britse koloniale rijk.

De overeenkomst tussen deze beelden is opvallend. In beide gevallen gaat het om een typisch westers 'voorwerp', dat in het kader van het 19de-eeuwse Britse kolonialisme (Oscar and Lucinda speelt in 1865, The Piano Tuner in 1866-'67) een totaal vreemde omgeving wordt binnengevoerd. In beide gevallen gebeurt dat met de beste bedoelingen; althans, in de ogen van de kolonisator.

De lange tocht van de vleugel - een kostbare Franse Erard uit 1840 - naar de binnenlanden van Birma, geschiedt op uitdrukkelijk 'verzoek' van majoor-arts Anthony J. Carroll, die de Britse kroon in de Shan-staten vertegenwoordigt. Zijn verzoek (dat meer het karakter heeft van een eis) wordt door zijn Londense meerderen weliswaar als uiterst merkwaardig en dubieus beschouwd, maar gezien de grote staat van dienst van de majoor, en het belang van diens functioneren voor de Britse koloniale zaak, wordt zijn wens ingewilligd.

Carroll is er namelijk in geslaagd goede betrekkingen aan te knopen met plaatselijke stamhoofden, en daarmee het gevaar van Franse of Siamese invallen in het gebied af te wenden. 'Als een piano de concessie is die we moeten doen om hem op zijn plaats te houden, dan is dat een geringe prijs.'

Niet lang na aankomst in de Shan-staten, blijkt de vleugel echter dermate aangetast door het vochtige klimaat dat hij niet langer te bespelen is. Dus stuurt de majoor een al evenzeer dwingend verzoek om de overkomst van een pianostemmer. En zo opent The Piano Tuner met een brief van het Britse ministerie van Oorlog aan Edgar Drake, gereputeerd pianostemmer te Londen, en kenner van Erard-vleugels. 'De kroon' doet een dringend beroep op hem, zo luidt de brief, om naar Birma af te reizen en de vleugel terug te brengen in zijn oude staat. Na enige aarzeling en een bezoek aan het ministerie, besluit Drake gevolg te geven aan het beroep.

Drake is niet het prototype van de avonturier. Hij is lang, mager, grijzend en bebrild, type onderwijzer, en oogt oud voor zijn 41 jaar. Dat hij aan de onderneming begint, heeft dan ook meer te maken met zijn liefde voor Erard-piano's dan met ambitie of respect voor de kroon.

The Piano Tuner bestaat uit twee delen. In het eerste wordt - met veel terzijdes en parallelvertellingen in de beste Victoriaanse traditie - de reis beschreven die Drake maakt van Londen naar de Shan-staten. Het tweede deel speelt in de Shan-staten zelf, en vertelt over Drakes confrontatie met Carroll, zijn werkzaamheden aan de piano en zijn drie maanden lange verblijf in de onmiddellijke nabijheid van de majoor.

Reeds in het begin van de roman, wordt de suggestie gewekt dat er misschien 'iets' is met Carroll. Dat hij weliswaar een grote staat van dienst heeft, maar toch ook een wat merkwaardig levensverhaal, en dat zijn langdurige verblijf in een moeilijk controleerbare uithoek van het Britse rijk wellicht invloed op zijn psychisch functioneren heeft gehad.

Bij moderne lezers (en filmkijkers) doemt dan al snel het beeld op van Kurz uit Heart of Darkness (en Apocalypse Now), die in zijn geïsoleerde 'Inner Station' in de Congo zijn eigen rijkje met zijn eigen wetten en waarden heeft gesticht. De vergelijking gaat weliswaar slechts ten dele op, maar Mason weet ook zijn Carroll een mysterieus, ontzagwekkend charisma te geven.

Daartoe dragen met name de al dan niet apocriefe verhalen bij, die over de majoor de ronde doen. Bijvoorbeeld hoe hij een aanval van Shan-guerrilla's wist te beëindigen door, terwijl de pijlen om zijn oren vlogen, een fluit te pakken en een melodie te spelen. Bij het horen van de muziek staakten de guerrilla's hun aanval en kwamen zij het oerwoud uit. Reden: de majoor had het liedje gespeeld dat jonge Shan-mannen spelen als aubade voor hun geliefde. En je vermoordt niet iemand die een lied speelt dat je herinnert aan je eerste liefde.

Natuurlijk is een muziekliefhebber als Drake gevoelig voor dergelijke verhalen, net als voor Carrolls argumentatie om over een piano te kunnen beschikken. Met zijn muziek, zo stelt deze, brengt hij de plaatselijke hoogwaardigheidsbekleders in vervoering en verleidt hij hen tot verbintenissen met de Britse kolonisten.

Tijdens zijn verblijf in Mae Lwin, het plaatsje waar Carroll zich heeft gevestigd, raakt Drake zowel in de ban van de majoor als van de omgeving en de plaatselijke bevolking. Vooral de mooie jonge Birmese Khin Myo, die hem van Mandalay naar Mae Lwin begeleidt en als zijn persoonlijke bediende fungeert, is het onderwerp van zijn fascinatie. Ook vermoedt hij een diepere band tussen haar en Carroll.

Er ontstaat een interessante relatie tussen de ondernemende, zelfbewuste, zijn eigen regels stellende Carroll en de passieve, volgzame, bijna in een droom levende Drake. Het boek kent verschillende verwijzingen naar de Odyssee en het daaruit afkomstige hoofdstuk over de lotuseters: lieden die van de lotusboom hebben gegeten en daardoor hun thuis en vrienden vergeten, en slechts ijdel wensen te leven en genieten in een eeuwig nu. Inderdaad verliest Drake, eenmaal in Mae Lwin, zijn voornemen om na het stemmen en repareren van de vleugel direct weer huiswaarts te keren. De uithoek in Birma lijkt hem te hebben betoverd en hij wil pas terugkeren naar huis, schrijft hij zijn vrouw, 'wanneer er een leegte is gevuld'.

Uiteindelijk maken heftige gebeurtenissen, die enkele prachtige, filmische beelden opleveren, een eind aan Drakes bestaan als lotuseter. Schijnbare harmonie maakt plaats voor chaos en geweld, feiten en waarheden komen ineens in een ander daglicht te staan, en de grens tussen droom en werkelijkheid blijkt plotseling moeilijk vast te stellen. Er is ontnuchtering, zonder de daarbij behorende verheldering.

The Piano Tuner is in veel opzichten een traditioneel boek. Het vertelt het klassieke verhaal van een fysieke reis, die tegelijkertijd een tocht door de krochten van de geest is. Mason maakt daarbij bekwaam gebruik van de achtergrondkennis die hij als student geneeskunde opdeed tijdens het jaar dat hij in Birma en Thailand doorbracht, om daar onderzoek te doen naar malaria.

Ook met de overige research zit het wel goed. Soms bijna te goed, bijvoorbeeld in passages als: 'Alleen al het Londense telefoonboek [uit 1886] vermeldde onder ''piano's'': pianobouwers, pianomechaniekbouwers, pianowerkmakers, hamerbekleders, hamer- en demperviltmakers, hamerlijstmakers, ivoorblekers, klaviermakers, stempennenmakers, plakkers, pianosnarenmakers, pianostemmers.' Zoiets verzin je niet, dat moet Mason ergens hebben opgedoken, maar dat al die ambachtslieden al tien jaar na de octrooiaanvraag van Alexander Graham Bell een telefoonaansluiting hadden. . .

Een verrassend stilist is Mason niet. Zijn formuleringen en beeldspraak zijn conventioneel. Maar de Amerikaanse letteren hebben er met hem een bekwame, onderhoudende verteller bij.

Daniel Mason: The Piano Tuner.
Picador, import Nilsson & Lamm; 357 pagina's; ¿ 19,50.
ISBN 0 330 49267 5.
Op 22 januari verschijnt bij De Bezige Bij De pianostemmer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden