Een lijk als verbindend element

Een goede inval, een plot die klopt, een geslaagde dialoog. Als thrillerschrijver Felix Thijssen dat voor elkaar heeft, is zijn verhaal ‘een symfonie’ geworden....

‘Voor de ideale lezer is het verschil tussen witte en zwarte literatuur allang vervaagd en opgelost. Wat hem betreft is Kafka on the Beach van Haruki Murakami dezelfde 9 of 10 waard als de misdaadromans Gorki Park en Rose van Martin Cruz Smith, of Echo Burning van Lee Child. Hij denkt niet aan literatuur, hij ziet alleen goede en slechte boeken. Hij vindt het niks of ongelooflijk spannend, dramatisch, hij is tot tranen geroerd, hij kan het niet wegleggen, hij zou willen dat het nog honderd pagina’s verder ging, hij voelt zich, als hij het uit heeft, alsof hij een goede vriend begraaft.’

Laat Felix Thijssen zich uitspreken over het begrip, of misverstand, ‘literair’, over zwarte thrillers en witte mainstream romans, over schoonheid en misbruik van de taal, over de intense bevrediging na een dag zwoegen op één enkele zin – die korter wordt, of langer en uiteindelijk een ritme heeft ontwikkeld dat je niet meer kunt afbreken; je voelt dat het muziek is geworden. Tijdens het colloquium ‘Thriller versus roman: kunstmatige scheidingslijn of familievete?’, vorig jaar oktober in Brussel, trakteerde hij de deelnemers met satanisch genoegen op een betoog dat Nederlanders in de tang neemt over hun armoedige en lelijke taalgebruik in boeken en op tv – Kaik! Ik ga dout! – en de Vlamingen prijst omdat zij de taal nog behoorlijk spreken en koesteren.

De auteur woont al meer dan twintig jaar in Zuid-Frankrijk en is een paar dagen op bezoek in Amsterdam omdat Esperanza, de tiende thriller in zijn privédetective Max Winter-serie, is uitgekomen en hij zelf vijfenzeventig jaar is geworden. Dat laatste feit – hoe lang blijft u nog schrijven, meneer Thijssen? – is betrekkelijk voor hem. ‘Begrijp jij Mulisch? Als je schrijver bent, kan je toch niet ophouden met schrijven. Hoe doe je dat?’

Hij moet grinniken bij de herinnering aan zijn boutade op dat Brusselse symposium tegen de hersenloze vulgariteit van de Jensens, de Gouden Kooien en de Temptatie-eilanden, en niet te vergeten: het programma Peking Express, ‘waarin een achttienjarige giecheltut met het brein van een kapsalon ons de weg wijst door vijfduizend jaar oude cultuur’. En tegen de waanzin, de onzinnige nieuwigheid om lukraak op zowel mooie als onleesbare thrillers het etiket ‘literair’ te plakken. ‘In Amerika staat op een boek van Michael Connelly ‘a novel’. Die toevoegingen zijn flauwekul.’ Ooit op een boek van Gerard Reve of Hugo Claus ‘literaire roman’ zien staan? Reve had overigens wel oog voor het genre: ‘Het schrijven van een goede detective is heel wat moeilijker dan het nederpennen van romantische decadente tobberijen met letterkundige aspiraties.’ Wat niet wegneemt dat meer dan de helft van de Nederlandstalige misdaadboeken in allerlei opzichten onder de maat is.

‘Elke krakkemikkig schrijvende René Appel-epigoon, die zijn karakters opzadelt met vage lustgevoelens voor de buurvrouw in de aangrenzende doorzonwoning in plaats van zich efficiënt bezig te houden met de vermoorde bankier, heeft nu onverhoeds een psychologische thriller gebaard.’

Thijssen heeft een reputatie opgebouwd als uitstekend stilist, die verhaal, personages en plots weet te verenigen in sterke composities van taal en toon. Zo was het niet in het begin van zijn schrijverscarrière. ‘Mijn eerste verhaaltjes zijn van toen ik achttien was. De man met de bolhoed leek mij een aardige titel. Daarna kwamen de jongensboeken, de Rob Staalman-serie, die in België werd uitgegeven, net als mijn eerste roman Zomermorgen, die als feuilleton in de krant had gestaan. Daar kon ik een regenjas van kopen en een schrijfmachine. De westerns volgden, had ik altijd al mooi gevonden. Daarop sciencefiction, de Mark Stevens-serie, acht delen, die behoorlijk succesvol was.

Ik schreef wel zes boeken per jaar, maar ik moest dan ook mijn hypotheek betalen. Dat klinkt verschrikkelijk, maar je bent jong, minder kritisch en je schrijft maar aan. En dan vertaalde ik ook nog boeken. Toen kwam mijn vriend, filmproducent Henk Bos mijn boerderij binnenwandelen en zei: dit scenario kun jij béter uitwerken. Het was Help, de dokter verzuipt, naar het boek van Toon Kortooms. Zo ben ik bij de film gekomen.’

Vaak verhuisd, Nederland, Ierland, Frankrijk, talloze opleidingen en beroepen gehad, een turbulent privéleven, succes in het werk, zijn eerste hardboiled thrillerserie rond gangster Charlie Mann, films en tv-series: Wildschut, Iris, Bureau Kruislaan, Coverstory, Unit 13.

‘Veel van alles, maar ik heb nooit wortels gehad. De oorzaak daarvan is te lezen in Onder de spekboom.’ De grotendeels autobiografische roman verscheen in 1997. ‘Mijn familie is tamelijk krankzinnig’, zegt Thijssen over dit bizarre, ontroerende boek.

Het gaat over een gezin met acht kinderen en een bijzonder excentrieke moeder – de vader is omgekomen in Berlijn, of niet? –, dat na de Tweede Wereldoorlog een afgebrande villa in Driebergen kraakt. ‘God is liefde’, meent moeder Monika, geboren als Cornelia, en plaatst een bord met die tekst op de bouwval. Naast het huis hangt een rode olielamp, in een hoge spar, waar ook de zijden spek van een clandestien geslacht varken te drogen hingen.

Het zooitje ongeregeld leidt een spannend, buitenissig bestaan, bestierd door een moeder die zowel maagd, minnares, manipulator als godsdienstbezetene lijkt te zijn. Haar laatste vriend, een psychiatrische patiënt, Daddy genoemd, en het aan tbc lijdende, rijke meisje Hanna, zijn twee personages die het verloop van het verhaal inkleuren. Dan ‘verdwijnen’ achtereenvolgens Daddy, Monika en Hanna. En vindt de politie onder de vloer het lijk van een vrouw, van wie de kinderen zeggen dat het hun moeder is.

Thijssen: ‘Het is absoluut autobiografisch. Vreemd, als je je begint te verplaatsen in een bepaalde periode van je jeugd en je gaat die beschrijven, dan volgt de rest vanzelf. Alsof er een kraan opengaat. Het lijk was de enige fictie. Als je de discipline van een thriller volgt, weet je dat je een soort structuur nodig hebt, anders wordt het een verzameling anekdotes. Eén element moet alles met elkaar verbinden en in dit geval was een lijk het beste. Die dode was er in het echt wel, maar niet onder de grond. Hanna, die schat, die bijna doorzichtige tbc-patiënte.’

Een jaar na de Spekboom kwam Cleopatra uit. Het eerste Max Winter mysterie, ex-rechercheur, privédetective, met de klassieke eigenschappen hard én kwetsbaar, in wiens leven, in ieder boek, een vrouw een belangrijke rol speelt. Cleopatra, Isabelle, Tiffany, Ingrid, Caroline, Charlotte. Rosa, Rebecca, uitzondering: De blauwe nacht, en nu Esperanza.

‘Ik wilde na die harde thrillers een leuke thriller schrijven en begon met Cleopatra. En een ik-figuur, Max Winter. Daarna dacht ik: ik kan wel door met die man. Op een gegeven moment ontstond het idee om een hele vrouwenreeks te maken. Dat was een goed idee. Ik houd erg van al die meisjes. Zo ben ik dol op Tiffany, het Amsterdamse heroïnehoertje.

Als je ouder wordt ontkom je niet helemaal aan het tijdperk van de herfst en de melancholie, maar word je ook steeds benieuwder naar mensen. Ik ben er meer mee begaan. Als ik een vrouw op de stoep van de kathedraal zie bedelen, wil ik in haar ogen kijken, erachter komen wat voor leven dat is, waar ze aan denkt.

Met mijn personages heb ik dat ook, die ga ik beter begrijpen. Je gaat van iemand houden naarmate die méér compleet wordt. Het gevaar is dat je je, zeker met een terugkerende hoofdfiguur, gaat herhalen. Dat is ook de reden waarom ik Winter’s vrouw en makkertje CyberNel heb laten doodgaan. In vijf boeken hadden ze alles al met elkaar meegemaakt. Dan moet je als schrijver hard zijn. Ik heb er nog vaak spijt van, ik mis haar vreselijk. Max zegt: Ik moet een nieuwe Cybernel zoeken. Als hij het zegt.’

Hoewel het in thrillers altijd om goed en kwaad gaat, hoeft er geen boodschap in te zitten. ‘Vroeger wilde ik nog wel eens een belerend toontje aanslaan. Dat heb ik afgeleerd. Niet moraliseren. Ik ben wel kieskeuriger, preciezer geworden dan ik al was, zeker met de taal. In dat opzicht moet een thriller aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als andere literatuur. Kijk maar naar Michael Connelly, Dennis Lehane, of Harlan Coben.

Ik kan heel geïrriteerd raken van een zin als: ‘snel klikte ik de deur open’. Dat moet zijn: ‘ik klikte de deur open’. Of als er bijvoorbeeld een zin eindigt met: ‘zei ze fel’. Dat ‘fel’ moet weg. Uit de omstandigheden of uit de dialoog moet blijken welke stemming er is. Dan zijn er nog de onbegrijpelijke uitlatingen. Een collega schreef eens: ‘het uitzichtloze vergezicht’. Dat ontgaat veel mensen. Maar ik zou bij god niet weten wat uitzichtloze vergezichten zijn.’

In Zuid-Frankrijk – een zelf opgeknapte tempeliersvesting in de Cevennen, met stallen als vakantiehuisjes – leidt hij met zijn vrouw Fe een rustig, gedisciplineerd leven. ’s Morgens is hij boer, om twaalf uur neemt hij een douche, doet de post of leest wat, en om half twee zit hij achter de computer. Tot het eind van de middag. Dan gaat hij koken. Op zondagochtend is hij organist in de kerk. Onlangs keek hij, als op iedere dag, naar het schitterende uitzicht en dacht: Ik vind dit een mooie plek. Over een jaar of twintig zou ik best onder die eik*’

Hij lacht er nu om. Er moet nog veel geschreven worden. Meestal ziet hij tijdens het schrijven al een beginscène voor een volgend boek. Aan zo’n kapstok heeft hij vaak genoeg. Alleen heeft hij dit keer nog geen beeld. Maar de inspiratie komt wel, het draait allemaal om het vak, de letterkunde. Kwaad wordt hij als hij denkt aan die ene spreker op het symposium, die beweerde dat de thrillerschrijver een onderwerp zoekt waarvan hij verwacht dat het de meeste lezers zal trekken. Die man is geen schrijver, die begrijpt niets van schrijven. Je schrijft omdat je zo’n plezier hebt in het schrijven, ook al lukt het soms pas na veel gezwoeg: het paradijs wacht.

‘Schrijvers horen aan hun bureau of werktafel te zitten en te schrijven, in plaats van moeilijk te doen over hun plaats in de wereld . De verrukking ervaren van de goede inval, de mooie metafoor, de plot waarin geleidelijk alles klopt, de gewiekste dialoog. Als we dat voor elkaar hebben is onze taal muziek geworden, en ons verhaal een symfonie.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden