Een lied is beter dan een preek

HET STICHTELIJKE lied 'Klein Vogelijn' is, voorzover de herinnering van de dichter Rutger Kopland reikt, zijn allereerste esthetische emotie geweest....

GERT J. PEELEN

Bij moeder op schoot en begeleid door vader op het amechtig hijgende harmonium zong de kleine Rudy het volgende kindervers:

'Klein Vogelijn, op groenen tak,/ wat zingt g'een lustig lied!/ Wij hebben in ons hele boek/ zoo'n vroolijk wijsje niet!/ O zeg ons, zeg ons, aardig beest,/ wie toch uw meester is geweest./ O zeg ons, zeg ons, aardig beest,/ wie toch uw meester is geweest.'

Dat was vragen naar de bekende weg, zo zou in de laatste strofe blijken:

'Voor zeker 't is de goede God!/ die 't u heeft toebetrouwd,/ opdat gij aan der blinden oor/ zijn goedheid melden zoudt./ O ja, wij weten 't, aardig beest,/ dat God uw meester is geweest!/ O ja, wij weten 't, aardig beest,/ dat God uw meester is geweest'

Deels zal het de boodschap zijn geweest die de gemoedsaandoening bij de jonge Kopland teweegbracht; het kinderlijk eenvoudige geloof in een God die vogeltjes zingen leert, waarvan de dichter, opgroeiend en op zoek naar echte poëzie, afstand zou nemen. Maar vooral ook de muziek zal hier haar werk hebben gedaan. Koplands ontboezeming zou Jan Pieter Heije, die verantwoordelijk was voor de tekst van 'Klein Vogelijn', en W. Smits, de directeur van de eerste volkszangschool in Amsterdam, die de melodie componeerde, in elk geval goed hebben gedaan. Heije (1809-1876), hoofdbestuurder van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, was halverwege de negentiende eeuw de motor achter een heus beschavingsoffensief. Door het creëren en verspreiden van stichtelijke liederen en het stimuleren van de zangkunst dacht hij het ruwe volk uit de lagere standen te kunnen omvormen tot deugdzame en gelovige burgers.

Hij zou met die gedachte veel navolging krijgen. Want een lied, begrepen kerkleiders en volksopvoeders alras, is door z'n emotionele bijwerking beter in staat geloofswaarden en christelijke normen over te dragen dan een preek. En een lied blijft bovendien veel langer hangen.

Dit inzicht heeft een ongekende bloei van de protestants-christelijke liedcultuur veroorzaakt, aldus Jan Smelik, muziekwetenschapper en theoloog, die eind vorig jaar in Groningen promoveerde op het proefschrift Eén in lied en leven, een studie naar de ontwikkeling van het stichtelijke lied bij Nederlandse protestanten, tussen 1866 en 1938.

De Nederlandse muziekcultuur kon zo'n offensief als van Heije best gebruiken. Zij stond op een beschamend laag peil. En dat was volgens velen de schuld van hetzelfde protestantisme dat nu via de stimulering van de liedcultuur de moraal en het beschavingspeil van het gemene volk poogde op te vijzelen.

Dat standpunt verkondigde bijvoorbeeld C. Busken Huet, toen hij in Het land van Rembrand 'de storende heerschappij van het calvinisme' hekelde. Zijns inziens was die heerschappij uitgelopen op 'een oorlogsverklaring aan alle muzikale vormen zonder onderscheid, op het psalmgezang na', met als gevolg dat 'bij de groote menigte het muzikaal gevoel verstompt' was.

Dat psalmgezang was overigens ook al geen lust voor het oor. Want in de kerkdiensten van de orthodoxe protestanten was nog altijd de psalmberijming van Petrus Datheen uit 1566 (!) van kracht, die door de katholieke neerlandicus Jop Pollmann in 1935 ronduit desastreus voor de vaderlandse muzikaliteit werd genoemd. Dat uiterst trage zingen op louter hele noten had 'de vernieling van het rythmisch gevoel' tot gevolg gehad.

De enige die op de negatieve invloed van het calvinisme op de Nederlandse muziekcultuur nog wat trachtte af te dingen, was Abraham Kuyper, voorman van de gereformeerden. De Reformatie had de muziek zijns inziens juist bevrijd uit de wurggreep van de rooms-katholieke kerk: het koor kreeg toen immers het zwijgen opgelegd om het gelovig volk in de gelegenheid te stellen 'in zijn bedehuis zelf (te) zingen'.

Maar ook Kuyper moest op een moment van grote eerlijkheid toegeven dat Nederlanders veel meer tobben met hun zingen dan bijvoorbeeld de Duitsers: 'Zoo innig valsch als menige Hollandsche keel, doet geen Duitscher 't u licht na.'

Dat de ontluikende liedcultuur meteen al vruchten zou afwerpen, in de vorm van meer muzikaal gevoel of een verbeterde zangtechniek, lag dan ook niet voor de hand. Hoe erg het daarmee vooralsnog gesteld was, mag blijken uit de verboden waarmee de nationale zendingsfeesten werden omgeven. Dit vanaf 1863 jaarlijks terugkerende evenement lokte gelovigen uit het hele land naar één centrale plek in Gods vrije natuur. Om te voorkomen dat het gezang der feestgangers al in de trein overlast voor derden zou veroorzaken, werd het de deelnemers in het tevoren toegestuurde programmaboekje uitdrukkelijk verboden te zingen wanneer de trein waarin zij reisden, op de stations stilhield.

Het ging, ook in de bevordering van de liedcultuur, uiteindelijk toch meer om de boodschap dan om de muziek, zoals Smelik in zijn lijvige, goed gedocumenteerde en nu en dan amusante studie laat zien. Alleen voor de vrijzinnige protestanten gold de overdracht van puur esthetische waarden via de muziek als een zelfstandige doelstelling. Voor het overige bleef de melodie ondergeschikt aan de tekst, met alle gevolgen van dien.

Zo werden straatliedjes van hun vulgaire teksten ontdaan, waarna de melodieën, voorzien van nieuwe woorden, ingezet werden bij het evangelisatiewerk van de massa; een slimme manoeuvre, omdat een bekende melodie de acceptatie vergemakkelijkte. Ook muziek van grote componisten als Mozart, Beethoven en Mendelssohn werd daarom zonder enige gêne hergebruikt.

De orthodoxie, die toch al moeite had met het zingen van gezangen en die, zeker in de kerk, eigenlijk alleen Datheens psalmberijming toelaatbaar achtte, deed slechts schoorvoetend mee in de ontwikkeling van een christelijke liedcultuur. De teksten werden door de meer precieze gereformeerden al gauw als 'onschriftuurlijk' - dat is: niet met de letterlijke bijbeluitleg in overeenstemming - beschouwd. En tot na de Tweede Wereldoorlog handhaafden zij hun bezwaren tegen 'de vlugge liedjes' van Johannes de Heer, de ongekroonde koning van het stichtelijke lied.

De eenheid die Smelik met de titel van zijn boek suggereert en in de inhoud ervan tracht te onderbouwen, was voor een belangrijk deel schijn. Dat, zoals hij stelt, de hoofdstroom aan protestanten, ondanks de grote verdeeldheid die er eind vorige eeuw in die kringen heerste, gebruik maakte van een en hetzelfde corpus aan liederen en bundels, is slechts een deel van de waarheid. Feit is namelijk ook dat iedere afzonderlijke groepering bij de samenstelling van de zoveelste eigen bundel daaruit alleen datgene koos wat strookte met de eigen theologische opvattingen, en de rest gewoon ongezongen liet.

Er is en blijft een hemelsbreed verschil tussen het militante 'Jong'lingen op! en ten kamp u gewapend' van de gereformeerden, het zoetig evangelische 'Scheepken onder Jezus' hoede' en het vanuit dogmatisch oogpunt flinterdunne 'Neen, het Goede zal niet sterven' der vrijzinnigen. En dat verschil is in wezen veelzeggender dan de wens die in Eén in lied en leven de vader van de gedachte is.

Gert J. Peelen

Jan Smelik: Eén in lied en leven - Het stichtelijke lied bij Nederlandse protestanten tussen 1866 en 1938.

Deel 9 uit de reeks IJkpunt 1900 - Nederlandse cultuur in Europese context.

Sdu; 516 pagina's; ¿ 49,50.

ISBN 90 12 08517 9.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden