Een lichtelijk getikte timing

Von Freeman speelt lijnen die vloeien als regenwater en zijn toon is een beetje aangeschoten donkerbruin. Hij studeerde bij de legendarisch Captain Walter Dyett, jamde met Charlie Parker, zat in één van de vroegste edities van Sun Ra's orkest....

HET IS zaterdagavond kwart over negen in Andy's, een drukke club in downtown Chicago. Vanachter een van de voorste tafeltjes geeft een serveerster een stoel door aan Von Freeman op het podium.

'Joh, je hoeft hem niet voor me op te tillen', zegt hij.

'Het is mijn werk', kaatst ze terug. 'Jij hoeft alleen maar te toeteren.'

Freeman zet de stoel neer, wandelt naar de bar, haalt een saxofoonrietje uit zijn mond en zegt: 'Shari, mag ik een glas water?'

'Hallo, ik ben je manager niet', zegt de barkeepster, met zo'n gemene blik dat je weet dat ze die alleen voor haar dierbare gasten bewaart. Voor een man van 76 maakt Freeman een behoorlijk fitte indruk, ondanks zijn verwarde corona van wit haar. Vandaag draagt hij een glimmend streepjescolbert met een niet-bijpassende, maar vlijmscherp gestreken bruine pantalon, bruine schoenen met puntneuzen, en een zijden das met een patroon van herfstbladeren. Het is midden april.

Freeman klemt een rietje in zijn mondstuk, blaast er eens op, en zet zachtjes een ballad in. Zijn slagwerker en bassist hebben zich nog niet geïnstalleerd, maar pianist John Young voegt zich bij hem en gezamenlijk tasten ze voorzichtig de contouren van de melodie af. Het saxofoonriet klinkt droog en breekbaar, maar tegen de tijd dat de ritmesectie klaar is en de band er echt tegenaan gaat, klinkt er die donkerbruine, beetje aangeschoten toon, die Freeman in combinatie met zijn aalgladde timing zo'n genot maken om naar te luisteren - en een betere saxofonist dan een hele hoop andere namen die je kunt bedenken.

Von Freeman speelt lijnen die vloeien als regenwater, en toch is elke noot erin helder gearticuleerd, zelfs als hij hem maar eventjes aanraakt. De heldere articulatie remt zijn tempo niet; hij heeft eerder de neiging de snelheid op te voeren, tot de noten oplossen in een kreet of een abstracte krabbel en de solist tijdelijk van het scherm verdwijnt. Soms speelt hij zo ver achter de beat, dat het lijkt alsof hij nog niet eens begonnen is, maar evengoed heeft hij iedereen op het podium in zijn zak.

Dan is het tijd voor een drumsolo. Freeman roept: 'Michael Raynor! Die is een hoop geld waard, jongens.' Draait zich naar bassist Daniel Anderson en fluistert: 'Jij ook.' Na de bassolo maakt hij een duimbeweging en zegt: 'Hij speelt in de Chicago Symphony' - alsof hij zeggen wil: kan je nagaan.

'Dat was Stella by Starlight, jazz style..., wat wil zeggen: blow your brains out. Speel zo lang als je wilt, speel zo vals als je wilt en - Ach Shari, ik zeg maar wat!'

Hij tikt af voor een sneller stuk. Tijdens de volgende solo van de bassist leunt Freeman naar hem over, zijn ogen tot grappige spleetjes geknepen. Verbazing? Scepsis? Pijn in z'n ogen? Als de bassist er een seconde naastgrijpt, helt Freeman nog ietsje verder over, en mompelt: 'Chicago Symphony?'

Dan vraagt hij een zangeres op het podium, die een medium-groove Canadian Sunset inzet. Freeman begint zijn solo met een traag figuurtje dat hij nog trager begint te herhalen, zodat de relatie met de onderliggende beat ijler en ijler wordt. Na drie maten lijkt hij de weg kwijt te zijn, maar dan herneemt hij zich en brandt los. Het trage figuurtje laat hij nog één keer terugkeren, vlak voor het eind. 'Betty Reynolds! Ze heeft haar eigen koor - in de kerk van What's Happening Now!' Tot slot stelt hij zichzelf voor: 'En ik ben Vonski! Sommigen denken dat het Pools is!'

Hij bedankt het klappende, lachende publiek met een hoofdknik en draait zich naar de ritmesectie, terwijl hij in zijn handen klapt voor het volgende snelle stuk: 'All right, my darlings...'

Von Freeman maakt vaak de indruk dat hij zijn eigen naam zou kunnen vergeten, maar dat is schijn - een ouwe kaartspelerstruc. Hij verlaat zijn geboortestad niet vaak, hoewel hij tien jaar geleden een grandioze demonstratie van zijn kunnen gaf in het New Yorkse Lincoln Center. Daar trof hij collega Johnny Griffin in een ouderwetse Chicago-tenor battle. Griffin is een snelle blazer, en zeker als hij als gewaardeerde gast moet optreden in de hoofdstad van de jazz. Von Freeman bleef juist vèr achter de beat hangen, en speelde expres half zo snel als Griffin. En met die uiterst relaxte aanpak zette hij de zaal naar z'n hand.

Freeman grinnikt bij de herinnering aan dat concert. 'Johnny en ik weten allebei dat je goeie avonden en nog meer slechte avonden hebt. Als iemand een goeie avond heeft, zo zij het. Ik heb de andere kant ook meegemaakt.'

Hij kijkt uit naar de herkansing, dit weekeinde met de gelegenheidscombinatie Von Freeman/Johnny Griffin Quintet in het Bimhuis in Amsterdam. Hij houdt van uitdagingen, zowel voor anderen als voor zichzelf. Jazz betekent voor hem: ter plekke oplossingen bedenken. Vandaar de ogenschijnlijke chaos, de lichtelijk getikte timing en de zwerfpartijen door vreemde toonsoorten. Hij dwingt zijn bandleden creatief te zijn, door ze te confronteren met situaties waarin standaard-licks geen oplossing bieden.

Freeman haalt zich liefst zulke moeilijkheden op de hals dat je er zeker van bent dat hij dit keer op z'n gezicht zal gaan. Toch zijn z'n improvisaties altijd verbonden met de door Charlie Parker geformuleerde harmonische wetten. Zijn gedempte toon en flexibele toonhoogte geven alles wat hij speelt een air van veranderlijkheid, onbestendigheid, rookkringen in de lucht - kenmerken die direct naar Lester Young verwijzen.

Voor Freeman zijn zaken als swing en groove niet alleen zaligmakend. 'It don't mean a thing if you don't think', is eerder zijn boodschap. In 1994 was hij in de Village Vanguard in New York, als leider van een uitstekende groep jonge New Yorkers, die hij de hele avond op hun tenen liet lopen. Hij introduceerde liedjes die zo oud waren dat zelfs hun ouders ze zich met moeite zouden herinneren, zette in een krankzinnig snel nummer uitgerekend de bas in het zonnetje, en adviseerde de pianist (die bekende dat hij een door Freeman gevraagd stuk niet kende): 'Look at it this way - feel free to express yourself.'

Aanvankelijk zweetten de New Yorkers peentjes, maar gaandeweg ontspanden ze zich en kregen ze lol in Freemans zorgeloze stemming. Het werd een prachtig concert: lichtvoetig entertainment, dat tegelijk iets fundamenteels liet zien over de manier waarop muzikanten tegelijk kunnen leren en plezier maken. Het plezier zit in de worsteling.

Zijn vader hield van jazz en haalde veel van de muzikanten over de vloer die het Chicago van Freemans kinderjaren tot een belangrijke jazzstad maakten. Hij werd geboren in 1922, het jaar waarin een van die bezoekers, Louis Armstrong, in Chicago kwam wonen. 'Hij noemde je al Pops als je zes maanden oud was.' Freeman groeide op in wat hij 'de gouden eeuw' noemt. 'Dat was de periode waarin grote vernieuwers de weg wezen. Muzikanten hadden een goeie tijd, ze waren er op uit iets te leren en het met anderen te delen.'

Er was altijd muziek in zijn omgeving. Zijn broers Bruz (drums) en George (gitaar) werden ook jazzmuzikant (evenals Vons zoon Chico, met wie hij soms plaatopnamen maakt). Net als Johnny Griffin en vele andere sterren studeerde hij bij de legendarische Captain Walter Dyett: 'In zijn band kreeg iedereen een solo, of je het kon of niet. Je moest er maar wat op vinden.' Hij jamde met Charlie Parker en zat in een van de vroegste edities van Sun Ra's orkest.

'Ik begon op een raar moment. Het was het Swing-tijdperk, maar bebop was in opkomst zodat ik beide stijlen moest leren. Sommigen die na mij kwamen hebben nooit Swing hoeven spelen. Maar swingen moet het. Zoniet, dan heb je een probleem. De beste avant-gardisten hebben ook een swing thing.

'Ik heb het meest geleerd van jamsessies. Nu kun je naar het conservatorium, laat je ma en pa voor je betalen, maar dat is wat anders dan als je moet vechten voor de muziek. Het conservatorium is goed voor de basisdingen. Maar die kun je ook thuis op je zolderkamertje leren. Wat ik mis bij sommige van die jongens - het is net of ze er geen lol in hebben. Alsof het te hip of te mondain is geworden.

Elke dinsdag leidt Freeman een jamsessie in de New Apartment Lounge, een club diep in Chicago's Southside, niet ver van zijn huis. Zijn kwartet past er maar nauwelijks in. De muzikanten zitten op een kluitje in een nis bij het raam, Freeman staat met zijn rug tegen de sigarettenautomaat, zijn profiel naar de zaal, en probeert botsingen met de zich langs hem wringende bezoekers te vermijden. 'Sommigen beginnen een praatje met je terwijl je staat te spelen, of je krijgt ineens een zoen.'

Na het eerste uur nodigt Freeman een stoet sologasten op het podiumpje. Als de avond vordert groeit het aantal jonge beboppers dat hier komt voor een postacademische opleiding. 'Zo heb ik het ook geleerd', zegt Freeman. 'Als ik ze zie, zie ik mezelf zestig jaar geleden, toen ik m'n best deed erachter te komen hoe de muziek in elkaar zat.' Ze vragen me van alles, en dan zeg ik: geen idee.'

Maar voor de lessen beginnen, haalt hij een paar zangers voor het voetlicht, die tezamen een panorama bieden van de geschiedenis van de zwarte show business: eerst een gelikte jazz-chanteuse, dan een diepe bariton die de lachers op zijn hand krijgt met grappen over zijn postuur - en Stevie Trimbel, voormalig lid van Cats and a Fiddle, een harmony-zanggroep van lang geleden. Trimbel gaat zó op in zijn vertolking van Stardust, dat hij (en het publiek met hem) dwars door het lage plafond van de New Apartment Lounge de nachtelijke hemel kan zien. Trimbel opent niet alleen een venster op de sterren, maar ook op een ander tijdperk, toen jazz de muziek van de Afro-Amerikaanse neighborhood was.

Freeman is hier zo thuis, dat je begint te begrijpen waarom hij geen aanvechting voelt om wat meer te reizen. Dat hij zich weinig buiten Chicago vertoont, verklaart mede dat hij zo weinig op de plaat is vastgelegd - al komt het ook doordat hij het hele platenbedrijf met een haast overdreven nonchalance beziet. Geen van zijn recente platen is een voltreffer.

Het concertpodium is de plek waar je hem moet horen. Maar als Freeman alles wat hem in muziek boeit meteen om de hoek kan vinden, waarom zou hij op tournee gaan? Hij is geen man van de wereld. In een interview vertelde hij onlangs over zijn eerste bezoek aan Europa, in 1976. 'Ik dacht dat Amsterdam een land was, in plaats van een stad. En ik geef toe dat ik geen idee had dat ze daar ander geld hadden.'

Jarenlang sloeg hij uitnodigingen voor overzeese concerten af met de verklaring dat hij en zijn broer George voor hun 100-jarige moeder moesten zorgen. Ze overleed een jaar geleden. Betekent dit, dat Freeman zich wat vaker buiten zijn stad zal vertonen? 'Tja, wat zal ik zeggen - we zitten nu met een hond die met zijn gezondheid tobt.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden