Een lesje in nederigheid

Dit boek heeft alles in zich om een standaardwerk te worden

Wij mensen een unieke soort? Vooral als het op arrogantie aankomt, laat Frans de Waal zien.

Franz Kafka schreef in 1917 het verhaal Een verslag voor een academie, waarin de verteller een aap is die beschrijft hoe hij aan zijn gevangenschap probeert te ontkomen. De beste manier, lijkt de aap, is te worden zoals zijn bewakers. Dat valt mee: 'Het is zo gemakkelijk om deze mensen na te doen. Spugen kon ik al de eerste dag. We spuugden elkaar in het gezicht, het verschil was alleen dat ik naderhand mijn gezicht schoon likte, zij het hunne niet.' Een pijp in zijn mond stoppen lukt hem ook, alleen die alcohol is lastig. Maar als hij er na enige zelfoverwinning in slaagt een fles drank achterover te slaan, barst hij als vanzelf in mensentaal los en is het pleit beslecht: hij is mens.

Verzameling moleculen

Een fragment van dit verhaal is een van de bijna honderd teksten die Mark Haddon heeft opgenomen in States of Mind.

Haddon, bekend van Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht, heeft in dit aardige maar wat luie boek - hij verantwoordt nergens de keuze van zijn overwegend Engelse en Amerikaanse teksten en plakt ze zonder uitleg aan elkaar - werk verzameld van schrijvers, dichters en filosofen die in de afgelopen paar eeuwen hebben geschreven over aspecten van het menselijk bewustzijn.

Gegroepeerd rond thema's als ziel, taal, bewustzijn, geheugen en dromen staan vaak zeer uiteenlopende teksten broederlijk naast elkaar: een gedicht over de ziel van Andrew Marvell uit 1681 naast een fragment van diens tijdgenoot René Descartes over de verbindingsplaats van ziel en lichaam, het bovengenoemde fragment van Kafka naast een tekst over slips of the tongue van Freud.

Wat de fragmenten bindt, schrijft Haddon in zijn inleiding, is ons lang gekoesterde idee dat de mens meer is dan een verzameling moleculen, en dat, als we toch gewoon maar een verzameling moleculen blijken te zijn, die moleculen op z'n minst zo essentieel anders zijn samengevoegd dan die van de rest van het dierenrijk dat we een unieke soort zijn.

Doorgeëvolueerde aap

Het is een overtuiging die de Nederlandse bioloog Frans de Waal in Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? gedecideerd en overtuigend aan gort schiet.

De opvatting dat de mens een unieke soort is, betoogt De Waal, leek zijn beste tijd gehad te hebben toen Darwin aantoonde dat de mens niet de goddelijke kroon op de schepping was, maar gewoon een doorgeëvolueerde aap. Toch bleek deze gedachte er bij het overgrote deel van de onderzoekers lange tijd maar voor de helft in te gaan: goed, ons lichaam was het aantoonbare product van evolutie, maar onze geest? Was er in het dierenrijk iets te vinden dat leek op een voorloper van ons bijzondere vermogen om problemen op te lossen of toekomstplannen te maken? Hadden dieren, kortom, ook maar iets van de intelligentie waarop de menselijke geest heeft kunnen voortborduren? Er moest wel sprake zijn van een (nog onbegrepen) sprong in de evolutie die pas gemaakt was nadat mensen zich van de mensapen hadden afgescheiden. Deze halfslachtige acceptatie van de evolutieleer, door De Waal afgeserveerd als neo-creationisme, voerde gedurende een groot deel van de 20ste eeuw de boventoon.

Diergedrag

De Waal, die wereldwijde faam verwierf met zijn dierenobservaties en spraakmakende boeken als Chimpanseepolitiek (1982) en De bonobo en de tien geboden (2013), geeft in zijn nieuwste boek een overzicht van het onderzoek naar diergedrag van de afgelopen eeuw.

Tot ver in de 20ste eeuw bleef het not done om dieren cognitieve vaardigheden toe te schrijven, tot deze opvatting geleidelijk bezweek onder de vracht aan onderzoeksresultaten van De Waal en andere biologen die zorgvuldig aantoonden dat - om maar wat te noemen - mensapen prima in staat zijn plannen te maken, olifanten zelfbewustzijn hebben en ratten empathie voelen voor hun soortgenoten.

Om die vaardigheden aan het licht te brengen moet een onderzoeker wel respect voor dieren tonen. De Waal ergert zich merkbaar kapot aan de aanhangers van het behaviorisme - lange tijd de toonaangevende onderzoeksstroming in de 20ste eeuw - voor wie diergedrag puur bestond uit instincten en aangeleerde trucjes. Om dat leergedrag met experimenten te onderzoeken, hongerden de behavioristen hun in kooien opgesloten proefdieren standaard uit. Een brokje voeding als beloning doet dan immers wonderen voor de leermotivatie. Geen onderzoeker zou op het idee komen om het leergedrag van kleuters op die manier te onderzoeken.

Wat onderzoekers ook hebben moeten leren, is om niet de mens als standaard te nemen, maar te kijken naar wat dieren in hun natuurlijke omgeving aan vaardigheden nodig hebben. Inderdaad, een eekhoorn leer je niet tellen, maar wat te denken van het vermogen van eekhoorns om de honderden plekjes te onthouden waar ze hun voedselvoorraad verstoppen?

Het domste onderzoek dat De Waal beschrijft, is wel dat naar het vermogen van apen om gezichten te herkennen. Eindeloze reeksen mensengezichten werden hun voorgehouden, maar ze brachten er niks van terecht. Tot iemand op het lumineuze idee kwam om ze de gezichten van andere apen te laten zien. Bleken ze opeens een stuk slimmer.

Vooroordelen

Natuurlijk is De Waal niet blind voor vermogens van de mens die zonder precedent lijken te zijn. Zoals taal: 'U zult me niet vaak zoiets horen zeggen, maar ik beschouw ons als de enige met taal behepte soort. Buiten onze soort hebben we eerlijk gezegd geen bewijs voor vormen van communicatie in symbolen die even rijk en functioneel zijn als de onze. Het lijkt onze magische bron.'

Maar deel ons taalvermogen op in onderdelen, dan vind je sommige van die onderdelen wel degelijk terug in het dierenrijk. De Waal: 'Niets ontwikkelt zich zomaar opeens, zonder antecedenten. Elke nieuwe eigenschap maakt gebruik van bestaande structuren en processen.'

Arrogantie en vooroordelen, laat De Waal zien, hebben het onderzoek naar dieren lange tijd in de weg gezeten, en in die zin had het verhaal van Kafka over de aap die een mens wilde worden als motto voor zijn boek kunnen dienen: zoals Kafka's aap naar de mens keek, zo keek de mens lange tijd naar de aap.

Dankzij de vele overtuigende voorbeelden, de toegankelijke taal en de grote liefde voor het dierenrijk die eruit spreekt, is Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? een groot plezier om te lezen. En we worden er nog wijzer van ook. Het boek heeft alles in zich om een standaardwerk te worden.