Een Lego-doos voor Harry

Met zijn hakenkruis verkeert prins Harry in goed gezelschap. Jongere generaties missen de directe band met de holocaust, en daarmee ook de eerbied voor het onvoorstelbare....

Zelf vond hij zijn outfit een 'povere kledingkeuze'. Prins Harry had op het gemaskerde bal, twee weken geleden bij zijn vriend Harry Meades in Wiltshire, liever een echt SS-uniform gedragen. Maar ja, dat was bij de verhuurder Cotswold Costumes niet in Harry's maat voorhanden. Dus verscheen de tweede zoon van de Britse kroonprins Charles en wijlen prinses Diana in het zomertenue van het Afrikakorps van generaal Rommel, inclusief Wehrmacht-versierselen en een bandage met swastika.

Aanstootgevend? Harry zag het anders. Hij zal gedacht hebben door zijn outfit de feestvreugde te verhogen, en de lachers op zijn hand te krijgen. Want het één sloot het ander niet uit. nazi-uniform? Party time!

De bravoure van Harry is wellicht exemplarisch voor de Britse aristocratie (Edward VIII sympathiseerde al met de Nazi's), maar ook tekenend voor de jongere generatie. Voor velen zijn de Tweede Wereldoorlog, de vervolging en uitroeiing van de joden niet meer dan een zwak waakvlammetje dat door een zuchtje onachtzaamheid uitgedoofd kan raken. Ondanks alle herdenkingen en ondanks de niet aflatende stroom van documentaires die nog haast dagelijks de beeldbuis vult.

Die nonchalance is het grootste struikelblok om tot een goed besef te komen van wat er zestig jaar geleden heeft plaatsgevonden. Het is een probleem dat ook steeds meer binnen de kunstwereld wordt onderkend. Met name door de derde generatie kunstenaars. Te meer omdat zij, in tegenstelling tot de eerste en tweede generatie, geen directe verbintenis meer hebben met de oorlog.

Voor de Franse kunstenaar Christian Boltanski, zoon van een vader die de kampen overleefde, ligt het allemaal nog relatief dichtbij. Zijn oeuvre - vitrines en kasten vol schoenen, kleren, meubels en portretfoto's - is een archief dat een directe relatie legt met de talloze joden die in Auschwitz daadwerkelijk zijn vermoord. Vergelijkbaar in hun verhouding tot de oorlog met de schilderijen die Armando maakte van 'schuldige' bomen en landschappen, gebaseerd op zijn jeugd in de nabijheid van kamp Amersfoort.

Boltanski en Armando, maar ook schilders als Markus Lüpertz en Anselm Kiefer, behoren tot kunstenaars die vanaf de jaren zeventig, al dan niet metaforisch, de oorlog tot leven laten komen door een directe verwijzing. Hun werk past in de naoorlogse verwerking van de gebeurtenissen, zowel voor de slachtoffers als voor de daders.

Maar wat te doen als je geen direct betrokkene bent, maar wel wordt gefascineerd door het onderwerp? En de naoorlogse werking die het thema (nog) heeft? Als een historisch fenomeen: de eerste genocide die op een industriële wijze werd uitgevoerd. Hoe kun je dan het onvoorstelbare voorstelbaar maken? Een gezicht geven aan de gebeurtenissen binnen het prikkeldraad, in de gaskamer, de slaapbarakken, tijdens het reveil? Onmogelijk. Daarvoor staat de derde generatie er te ver vandaan. Geen van hen heeft de oorlog daadwerkelijk meegemaakt, om er een zo 'exact' mogelijk beeld van te geven.

Denk aan de moeite die de Nederlandse schilder Ronald Ophuis zich moet getroosten om tot een 'waarheidsgetrouw' beeld te komen van wat er zich in het KZ-Lager heeft afgespeeld. Ophuis doet bronnenonderzoek, leest ooggetuigenverslagen, memoires en dagboeken. Voor zijn schilderij Birkenau I bezocht hij het kamp in Polen, herbouwde zelfs een deel ervan in zijn atelier en fotografeerde acteurs in originele gevangeniskledij.

Vervolgens schilderde hij de scènes uit op levensgrote formaten die de identificatie overtuigender maken. Met als effect de shock dat de verkrachtingen onder de kampbewoners en de sanitaire ellende waarmee ze moesten leven (de onderwerpen van Ophuis' KZ-schilderijen) destijds inderdaad zo vreselijk waren. Met zijn verbeelding wilde Ophuis het verleden weer een gezicht geven, als tegengif voor wat niemand meer wil weten. En in een zucht naar 'objectieve' geschiedsschrijving.

Overigens staat Ophuis in deze historiserende houding vrijwel alleen. Kunstenaars laten tegenwoordig door hun beelden eerder de kanteling van de geschiedenis zien. De veranderende waardering voor wat er in het verleden is gebeurd. En, zoals in de schilderijen van Luc Tuymans, de mist waardoor de blik op de geschiedenis wordt vertroebeld.

Zo schilderde Tuymans de gaskamer van Auschwitz als een leeg fietsenkeldertje, met tl-buizen aan het plafond en een afvoerputje in de grond. Waarschijnlijk heeft de ruimte er zo uitgezien: eerder nietszeggend dan dodelijk. Ook destijds zal het de verbeeldingskracht te boven zijn gegaan: dat in zo'n kleine ruimte mensen, systematisch en met velen bij elkaar, vermoord zouden kunnen worden. De kaalheid van de kamer valt ook samen met de kaalheid van het beeld en de leegte van de verbeelding. Zijn de begrippen 'Auschwitz' en 'massamoord' überhaupt nog te verbeelden?

Niemand zet meer zijn kaarten op een waarheidsgetrouwe reconstructie van was damals war. Daarvoor is het fenomeen Auschwitz te alomvattend en te onbegrijpelijk. Maar ook omdat er aan de betekenis van termen als 'waarheid' en 'werkelijkheid' steeds meer wordt getwijfeld. Het is een postmodernistisch dilemma: bestaat er wel zoiets als een objectieve geschiedschrijving die een eenduidig antwoord geeft op de omvang en motieven van ongeacht welke historische gebeurtenis dan ook?

De blik op de Tweede Wereldoorlog en Auschwitz is door beeld(ver)vorming veranderd en verschoven. Nu waren de originele beelden al niet objectief, want veelal gemaakt door de Duitsers tijdens de periode 1940-1945, of door de kampbewoners zelf. En later door de Amerikanen, die kort na de bevrijding de concentratiekampen fotografeerden. Iedereen had zijn eigen motief. In de jaren daarna werd dat nog eens ingekleurd door de media en Hollywood (denk aan alle verschillende 'slechte Duitsers'-imago's). Wat we nu weten van de kampen, afgaande op het beeldmateriaal, is een oncontroleerbare mengeling van feit en fictie. Ondanks alle pogingen die twee van elkaar te scheiden.

De erfenis van de holocaust is door de decennia heen als een fragmentatiebom uit elkaar gespat - van een minutieuze reconstructie tot totale ontkenning; van zwaarmoedige bespiegelingen tot parodie en ironie; van afkeer tot esthetische bewondering.

Eén aspect is er langzaamaan uit verdwenen: het heroïsche elan. Alles is teruggebracht tot menselijke proporties. En dus tot menselijke eigenschappen: verdringing, vertekening, ongeloof en fascinatie.

Overigens zijn de beeldmotieven waarmee 'Auschwitz' kan worden opgeroepen, in de loop der jaren niet zo veel veranderd. Wie de holocaust wil reconstrueren of de herinnering eraan wil laten herleven, komt onvermijdelijk terecht in een reservoir van bekende iconen: nazi-uniformen, kampkledij, SS-insignes, jodensterren, barakken, hakenkruizen, prikkeldraad en staalhelmen. Ze behoren tot het collectieve geheugen. Een beeldarchief dat je bij wijze van spreken maar hoeft aan te klikken om een explosie van verwijzingen en associaties te veroorzaken.

Daarin zit het onderscheid niet. Het gaat er eerder om hóe die bestaande iconologie zestig jaar na dato voortleeft en wordt uitgebeeld. Hoewel veel van die beelden ondertussen zijn losgekoppeld van hun originele betekenis en gebruik. Als een vorm van beeldinflatie. Je ziet het bij de tekens van wijlen het wereldcommunisme: de rode ster van China, de hamer en sikkel en de cyrillische afkorting CCCP van de voormalige Sovjet-Unie. Symbolen waaronder miljoenen mensen zijn gestorven, maar waarmee veel jongeren doodgemoedereerd rondlopen, als prints op hun T-shirt. Het verleden is een logo geworden, wat zelfs geldt voor het hakenkruis, zoals prins Harry bewees.

Je kunt het naïef noemen, of onbenullig, het is ook exemplarisch voor de algehele amnesie, het geheugenverlies dat optreedt ten opzichte van wat in Auschwitz is gebeurd. Niet alleen omdat het inmiddels zestig jaar geleden is. De schrikbarende impact en afschrikwekkende betekenis ('Nooit meer Auschwitz') is ook relatiever geworden door andere verschrikkingen die elders en later hebben plaatsgevonden, zoals de massaslachtingen in Cambodja, Rwanda, Congo en Darfur.

Komt bij dat de beeldende kunst het moet opnemen tegen de film, die over de afgelopen decennia een lange traditie heeft opgebouwd van het in leven houden van de Auschwitz-tragedie. De kunst moet het ook opnemen tegen de relatief jongere media, met journaalbeelden, internet en fotoreportages, die de kijker elke dag overspoelen met versere brandhaarden - en dus met vernieuwde gevoelens van afkeer en verontwaardiging.

Maar ook: kunstenaars hanteren steeds meer hun eigen postmodernistische middelen. Het beeldgebruik is ondertussen drastisch veranderd en niet meer gericht op de poging de werkelijkheid zo waarheidsgetrouw mogelijk uit te drukken. Het historieschilderij heeft plaatsgemaakt voor ironie, parodie en geestigheid - die hebben de zwaarte van het verleden een luchtiger jasje gegeven.

Niet dat daarmee de ernst van het onderwerp is vertroebeld of 'opgeleukt', wél de vorm waarin die ernst aan de man wordt gebracht. In plaats van de kampgebeurtenissen en de visie vanuit de slachtoffers of daders, staat nu de kijker centraal. Hij wordt op een praktische of mentale manier aan het werk gezet. Zíjn verbeelding moet geprikkeld worden.

Dat was in ieder geval de opzet van het project van Ram Katzir. Hij maakte in 1996 een kleurboek met tekeningen, overgetrokken van foto's uit de nazi-tijd: een groepsportret van een Arisch gezin, Hitler die een hertje voert, Hitlerjugend met de rechterarm gestrekt omhoog. Bij tal van gelegenheden liet Katzir de plaatjes door kinderen inkleuren.

Het werd hem niet in dank afgenomen. Net zo min als dat het geval was bij de Lego-dozen die Zbigniew Libera halverwege de jaren negentig presenteerde. Je kon er je eigen concentratiekamp mee bouwen. De vermeende luchtigheid was velen een doorn in het oog. Ook vanuit het oogpunt dat wie de holocaust niet heeft meegemaakt, er met zijn vingers vanaf moet blijven.

Over de ethiek van zulke parodieën kun je van mening verschillen. Maar niet over de impact die ze hebben. De aanknopingspunten met het verleden zijn losser geworden, en een exacte representatie steeds onmogelijker. Nu de holocaust als historisch fenomeen steeds meer uit het zicht raakt, kan de kunst het haperende geheugen aan een infuus leggen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden