Een laatste verliefdheid

MEESTAL HEBBEN de personages in het werk van Rascha Peper excentrieke beroepen, zoals schelpenverzamelaar, poppenvader of zandkastelenbouwer, die bijna vanzelf tot onalledaagse geschiedenissen leiden....

In eerste instantie stelt het teleur dat ook Rascha Peper, die wars leek van studeerkamerverhalen, haar toevlucht neemt tot zo'n belegen schrijverstruc. Totdat blijkt dat zij het pantoffelbestaan van haar vertaler, de 58-jarige Ruben Saarloos, meteen al flink laat ontsporen. In zijn ontreddering komt een ongewoon verhaal tot bloei.

Rubens isolement is niet prettig meer. Hij ligt al wekenlang met zijn woonschip ingevroren in het IJsselmeer, aan de kust van een onbewoond eilandje. Tijdens een tochtje met zijn vrouw Ina sloeg de vorst toe. De reddingsbrigade bracht eten en nam Ina mee naar het vasteland. Telefoongesprekken en het tellen van konijnen op het eiland zijn de enige afleiding bij het wachten op dooi en de vertaling die hij onder handen heeft, een biologisch werkje over vissen, geeft ook al geen aanleiding tot verheffende gedachten.

Mooi laat Peper zien wat er overblijft van een in zijn gewoonten versteende intellectueel als de elementen tegenzitten. Rubens rituele gekanker op smakeloze tv-programma's, de verachtelijke 'How to'-babbelboeken die hij moet vertalen, op de carrièremakers in het bedrijfsleven, op zijn drukbezette uitgever, op modieuze restaurants met pretentieuze liflafjes, op vrouwen die 'een maatje' zoeken, heel zijn voorgewende mensenhaat is bespottelijk in de witte vlakte die hem omringt, nu zijn vrouw - een vriendelijk 'Saartje' - er niet meer is om hem te verzorgen en gelijk te geven.

Tijdens de vorst kan hij zich nog een stoere poolreiziger wanen die zijn schip moet versterken tegen het duwende ijs, maar als de dooi inzet, breekt elke weerstand. Hij is alleen met zijn gedachten over ouderdom en naderende dood. En over zijn vader die hem verliet om te jagen op een hersenschim, de uitgestorven gewaande coelacanth, een vis die ook voorkomt in zijn vertaalwerk. Rubens geest desintegreert. Hij meent zelf een Chinese jonk te zien aan de horizon, een beeld dat even later oplost in het niets. Een telefoontje van een man die verkeerd verbonden is, jaagt hem de stuipen op het lijf; kort erna meent hij een insluiper op zijn boot te horen. 'De vorst had zijn wezen gestaald, de dooi verslapte het nu.'

Dan komt op een dag, als in een sprookje over een boze kluizenaar, zijn redster het beeld binnenschaatsen. Een mager, roodharig meisje dat zich van de dooi niets aantrekt en rustig door de blubber zwiert. Ze maken een praatje, hij nodigt haar uit op de thee. Bente Nerwanen heet ze, zo leest hij aan de binnenkant van haar uitgetrokken noren. Ze belooft de volgende dag terug te komen met de doos sigaren waarnaar hij hunkert, en de derde dag is ze er weer, met lucifers. Ruben is dan al verschrikkelijk, hulpeloos verliefd op het verlegen, bleke sproetenmeisje, wier 'waterval aan rood haar' op slag een 'melancholiek gevoel van gemis en verlangen' in hem losmaakt.

Op de vierde dag gaan ze met elkaar naar bed. Hij had gevraagd een Volkskrant mee te brengen, maar vreemd genoeg heeft Bente The Daily Mirror bij zich, waarin, zo blijkt later, een artikel over de coelacanth staat. De versmelting met zijn etherische ijsprinses - die Peper geleend lijkt te hebben van Botticelli's Venus, bleu oprijzend uit haar schelp - is een overrompelende ervaring, waarbij hij 'iedere identiteit verloor, met haar naar grote hoogte steeg en vervolgens omlaag tuimelde in een lome leegte'.

De volgende dag wordt Ruben door de reddingsbrigade naar huis gesleept. Zijn vrouw is blij, en zijn leven kan weer beginnen. Maar dat gaat niet. Hij moet op zoek naar Bente, van wie hij geen adres heeft en alleen weet dat zij onderzoek doet in pupillometrie aan de VU. Zijn naspeuringen brengen iets verbijsterends aan het licht. Dat gegeven is Pepers vondst, het geheim van dit verhaal. Het komt erop neer dat de vrouw die hem bezocht heeft, en die als vreemde liefhebberij het seinen met morsesignalen had, onmogelijk de Bente Nerwanen van de VU kon zijn geweest.

Maar wie zij ook was, de schaatsster, zij heeft het pantser van de vertaler gebroken. Op een treinreis van Hoorn naar huis ontlaadt zich het verdriet dat Bente met haar morsetekens, de jonk en de coelacanth wist aan te boren. 'De tranen begonnen te stromen en vielen niet meer te stuiten. Hij veegde ze weg maar ze bleven stromen, langs zijn wangen, zijn kin, zijn nek in, tot in zijn boord, alsof er ergens in zijn hoofd een vlies met water was geknapt dat helemaal leeg moest lopen.'

Bijzonder knap heeft Rascha Peper door een aards verhaal over een herkenbaar type het bovennatuurlijke laten sijpelen. De stijl blijft nuchter beschrijvend, met achteloze grapjes.

Wat Ruben overkomt, is bij zijn drassige geestelijke toestand aanvaardbaar. Maar ook afgezien van de vondst waar het verhaal om draait, is Dooi een ontroerend verslag van een allerlaatste verliefdheid in een ingesukkeld bestaan.

Ruben kan weer voort, ook al zal er niets van belang meer gebeuren. Doodgaan mag ook, nu het leven nog één keer heftig in hem heeft opgespeeld.

Jammer is alleen dat Peper haar verhaal iets te glad heeft willen polijsten. Namen en gebeurtenissen zijn soms topzwaar van betekenis. Zo is er Bente's veelzeggende achternaam, en die van Rubens schip, de Harnasman. Het ijskoude gemoed smelt door de aanraking van vlammend rood haar. Als Ruben terugvaart naar Amsterdam, komt hem de bedrijvigheid in het IJ voor als 'een leven waarvan hij niet meer helemaal deel kon uitmaken. Hij was losgescheurd uit een ander bestaan, ontrukt aan een werkelijkheid die hem ongeschikt gemaakt had voor zijn oude leven'.

Zulk uitleggerig commentaar is overbodig, en een beetje braaf, alsof de schrijfster niets aan de verbeelding van de lezer durft over te laten. Een roman als deze, stevig en suggestief tegelijk, kan het zonder richtingaanwijzers stellen.

Dooi is een goed getimmerd scheepje dat moeiteloos tussen deze en gene zijde heen een weer vaart.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden