Een kunstenaar die onder ede staat

Op het eerste gezicht lijkt het schrijven van een biografie nogal eenvoudig. Je probeert de belangrijke gebeurtenissen uit het leven van de hoofdpersoon te achterhalen....

De geleefde werkelijkheid van iemand anders reconstrueren en ook nog duiden, is helemaal niet makkelijk. Het brengt een beetje gewetensvolle biograaf geregeld op de rand van existentiële wanhoop.

‘Waarom heeft hij dit zo gedaan en niet zus? Wat heeft hem bewogen? Waar komt het uit voort? IJdelheid, moed, geldingsdrang? Is m’n oordeel wel fair?’ Een biograaf moet zowel detective als voyeur en oplosser van puzzels zijn, en liefst ook nog historicus, psycholoog en literator.

Eén voordeel heeft de biograaf ten opzichte van zijn hoofdpersoon: hij weet hoe diens verhaal is (af)gelopen. ‘Wat is er eigenlijk zo leuk aan meer te weten dan de argeloze held?’, vraagt Nelleke Noordervliet zich af in de bundel Bespottelijk maar aangenaam. ‘Geeft het een gevoel van superioriteit? Ja.’ Maar dat is de ploeterende biograaf ook wel gegund, meent zij. ‘Het verschil tussen de gewone sterveling en de held is toch al zo groot, dat we een kleine voorsprong, ook al is het achteraf, best kunnen gebruiken.’

De titel Bespottelijk maar aangenaam is ontleend aan de literatuurhistoricus Sam Dresden, die de biografie een bespottelijk genre noemde, en er ontwapenend aan toevoegde: ‘maar ik ben er dol op’.

Om het eerste lustrum van het Biografie Bulletin luister bij te zetten hebben Arjen Fortuin en Joke Linders een aantal prikkelende essays en interviews uit dat bulletin gebundeld. Het boek is een absolute aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in de dilemma’s waarvoor de maker van een biografie kan komen te staan.

De auteurs zijn het gelukkig meestal grondig met elkaar oneens. Het meest uitgesproken tegenover elkaar staan de ‘literaire’ en de ‘wetenschappelijke’ school. ‘Is het mogelijk een biografie te schrijven indien er geen affiniteit bestaat, geen schok der herkenning heeft plaatsgevonden tussen de biograaf en zijn personage?’, vraagt Hella Haasse zich af. Voor haar is dit medeleven zo belangrijk, dat ze heeft gekozen voor de historische roman, het ‘vie romancée’, waar historische gegevens en verbeeldingskracht een niet meer van elkaar te scheiden verbintenis zijn aangegaan.

Ook onder de ‘echte’ biografen heeft Haasse medestanders. Willem Otterspeer bijvoorbeeld, die desnoods de barricade op wil met zijn stelling dat de biografie ‘niet een wetenschappelijk, maar een literair genre’ is, waar het aankomt op het verhaal, de stijl, de helderheid, de meeslependheid.

Over de heikele keuze tussen literatuur en wetenschap laat Sam Dresden, de nestor van het biografische genre in Nederland, zich niet uit. Wel gelooft ook hij in de waarde van die affiniteit, van bewondering of haat als inspiratiebron voor de biograaf, zij het geen kritiekloze bewondering of blinde haat.

Recht tegenover deze ‘ge-voelshistorici’ staat Léon Hanssen, bekend als biograaf van de schrijver Menno ter Braak. Hij verzet zich fel tegen de gedachte dat de biografie ‘een te mooi iets is om aan de vulgariteit van de wetenschap geofferd te worden’. Dan zijn biografieën er ‘alleen nog maar om van te genieten. Dat is wat ik bedoel met narcisme. (...) Wetenschappelijke verantwoording is (...) belangrijker dan retorisch vermogen. De biografie is slecht af zonder wetenschap.’

Goed, waarheidsvinding is belangrijk, of, laten we bescheiden blijven: het zoeken naar waarheid. Maar hoe doe je dat, met behulp van welke disciplines? En hoe stringent moet die wetenschappelijke aanpak zijn, hoe ver moet een biograaf daarin gaan?

Bespottelijk maar aangenaam bevat twee bijdragen waarin de auteur verwijst naar de psychologie als methode om een personage te doorgronden. Herman de Liagre Böhl plaatst de dichter Herman Gorter tegen de achtergrond van het 19de-eeuwse fin de siècle, met zijn teloorgegane zekerheden van de liberale burgerij, en onderzoekt in die context de identiteitsconflicten van de dichter.

Gorter had volgens zijn biograaf moeite om het evenwicht te bewaren tussen een zachtaardige en een hardere, vechtlustige kant, en die innerlijke strijd is in zijn poëzie terug te vinden.

‘Na Gorters crisis van 1890 heeft het ene, lyrische facet van zijn dichterschap het vaak af moeten leggen tegen het andere, zwaarwichtig-epische facet.’ De Liagre Böhls uiteenzetting van zijn aanpak komt ook op de niet psychologisch geschoolde lezer overtuigend over.

Veel minder is dat het geval met het essay van Angenies Brandenburg, bekend door haar biografie van Annie Romein-Verschoor, over de heilige Augustinus. Moedig van Brandenburg dat ze deze rooms-katholieke icoon wil ontmythologiseren, maar de manier waarop zij aan de psychologie ontleende seksuele associaties op deze vroege middeleeuwer loslaat, heeft iets te veel weg van de botte bijl.

Het duidt bovendien op overmoed om, zoals zij doet, te veronderstellen dat je aan de hand van iemands tekst diens onderbewuste kunt ontrafelen en hem zo beter kunt leren kennen dan hij zelf deed.

Er zijn grenzen aan wat wetenschap vermag. Maar je laten meevoeren op de vleugels van de fantasie alleen kan een biograaf zich niet permitteren. Een mooie tussenweg wordt gewezen door de door Elsbeth Etty in haar voorwoord aangehaalde Stephen B. Oates, voor wie de biograaf idealiter ‘een kunstenaar’ is ‘die onder ede staat’. Anet Bleich

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden