Column

Een knoestige streekroman van een Noorse Nobelprijswinnaar

Witteman heeft iets gelezen

De Nobelprijs voor literatuur wordt voortdurend toegekend aan 'een oeuvre van universele validiteit, bittere inzichten en taalkundige vindingrijkheid, dat nieuwe paden voor de Chinese roman en het Chinese toneel heeft geopend', of 'poëzie die begiftigd met frisheid en vindingrijkheid een verlossend beeld van de ontembare geest en veelzijdigheid van de mens verschaft', of aan Bob Dylan.

Beeld uit Noorwegen Beeld anp

Uit kinderachtige kinnesinne lees ik dus zelden Nobelprijswinnaars, maar een mens moet niet flauw zijn: bij een uitdragerij kwam ik laatst Knut Hamsuns Hoe het groeide tegen, de Noorse winnaar van 1920. De titel van het boek deed me voornamelijk aan knoestige streekromans denken, en Hamsun zelf kende ik alleen van zijn opzichtige nazisympathieën: hij gaf zijn Nobelmedaille zelfs aan Goebbels, de zak.

Met enig voorbehoud sloeg ik dus aan het lezen, en tsjonge, wat bleek dat een merkwaardig boek! Het gaat over Izaak, een simpele, boertige ziel 'met zijn roestrooden baard en zijn gedrongen, vergroeid lichaam; hij leek wel een leelijke kabouter, hij zag eruit, alsof je een mensch ziet door een blaasje in een glasruit'. Izaak loopt plompverloren het boek binnen en bouwt een hut, in een landschap, woest en ledig als de aarde in Genesis. Hij zit daar helemaal alleen, met zijn geiten, tot er, ook weer uit het niets, een vrouw komt aanlopen. Inger, die 'krachtig en grof' is, en een hazelip heeft. 'Ze scheen vrij bejaard; minstens om en bij de dertig.'

Inger en Izaak zijn mensen van weinig woorden, maar het klikt: 'Ze gingen de hut binnen en aten van haar proviand en dronken van zijn geitenmelk. Toen kookte ze koffie, die ze in een varkensblaas bij zich had. Ze genoten van de koffie en gingen naar bed. 's Nachts begeerde hij haar, en zij gaf toe.'

Ze blijven bij elkaar, krijgen kinderen, hun boerderijtje floreert, alles op dezelfde zwijgende, vanzelfsprekende wijze. Maar zoals in elk fijn boek komt ook hier het noodlot om de hoek kijken: Ingers derde kind, een meisje, wordt geboren met een hazelip, waarop Inger de geboorte verzwijgt en het kind heimelijk om zeep helpt.

Het komt uit, en Inger legt verantwoording af tegen Izaak: 'Ze was net als ik. En toen keerde ik haar gezichtje om'. Isaak schudde het hoofd. 'En toen was ze dood', ging Inger voort en begon luid te schreien. Izaak zweeg een poos. 'Ja, nu helpt het niet of je schreit', zei hij. 'Ze had bruin haar achter in 't halsje', snikte Inger luid.

Kapot was ik ervan. En zo zit het hele boek vol met prachtige scènes: hoe het oudste zoontje toekijkt als zijn vader voor het eerst van zijn leven zijn naam schrijft: 'Was het een raar gevoel toen je op papier schreef?' 'Je voelt het haast niet', antwoordde de vader. ''t Is alsof je hand leeg is.' 'Wil die dan niet weglopen, net als op 't ijs?' 'Nu ja, maar je moet leeren haar te sturen.'

Van nazisympathieën is trouwens geen sprake, afgezien van dat alomtegenwoordige 'één met de natuur'-gevoel, en de behoorlijk foute stereotypering van de rondtrekkende Lappen: 'Een Lap bedelt heel ootmoedig, maar als hij niets krijgt wordt hij wraakzuchtig.' Verder is er op het boek niets aan te merken, behalve misschien dat er veel meer aardappelen in voorkomen dan strikt noodzakelijk.

Een knoestige streekroman, ja. Bijna honderd jaar oud, en abominabel vertaald. Maar toch: ontzettend mooi.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.