Een kleine revolutie in het Stedelijk

Revolution in the air is een voor het Amsterdamse Stedelijk Museum ongewone tentoonstelling. De jaren zestig worden op documentaire wijze belicht....

Maar het openingsstuk van de grote thematentoonstelling in het Stedelijk is géén kunstwerk. In de vitrine ligt een doosje Lyndiol - de eerste anti-conceptiepil van Nederland. En net zo min toont de daarnaast geplaatste monitor een kunstvideo: in beeld demonstreert Neil Armstrong de moonwalk, een Polygoonstem verheugt zich over de eerste stap op de maan.

De toon is meteen gezet op Revolution in the air, een tentoonstelling die zijn naam ontleent aan een kunstwerk van vormgever Anthon Beeke, en die ondanks de ondertitel (De sixties en het Stedelijk) grofweg de periode 1965 tot 1975 beslaat. De omwentelingen in die roerige jaren, zo wordt vanaf de eerste zaal benadrukt, vonden plaats op élk gebied. Niet alleen in de kunst, ook in de techniek. Of in de seksuele omgangsvormen.

Maar bovenal toont de tentoonstelling - met zijn documentaire inslag en integrale aanpak - welke kleine revolutie er in het Stedelijk zélf gaande is.

Revolution. . . is een noodgreep, feitelijk. Toen de renovatie van het museum dit jaar opnieuw werd uitgesteld, zat het Stedelijk met een gat in de programmering. In afwachting van een uitspraak over de nieuwbouw (en werkend aan een inhoudelijk toekomstprofiel) toont het Stedelijk daarom nu zijn collecties. Terwijl op de bovenverdieping de afscheidstentoonstelling van Rudi Fuchs is te zien, bracht een aantal conservatoren op de benedenverdieping werk uit de sixties samen.

En die selectie wordt op een voor het Stedelijk ongewone wijze gepresenteerd. Die anti-conceptiepil? Die was er onder Fuchs niet in gekomen.

De zorgeloze, vrolijke en vooral optimistische jaren zestig en zeventig staan in het eerste deel van de tentoonstelling centraal. Het is de tijd van de onbegrensde mogelijkheden, toen roze en oranje nog niet met elkaar vloekten (schoenen van Jan Jansen, 1967), de toegepaste kunst zich bevrijdde van zijn dienende functie (Cactusbloem, Hans de Jong, 1965); sieraden werden geïnspireerd op ruimtevaartpakken (Hoofdsieraad, Nicolaas van Beek, 1968). En haute couture niet alleen vóór maar ook dóór iedereen gemaakt kon zijn: in 1968 kwam Ulf Moritz met de 1 2 3 Jurk: patroondelen gedrukt op stof, die je enkel hoefde uit te knippen en aan elkaar te stikken.

Revolution. . . toont het naast (en soms) door elkaar. Fotografie, toegepaste en beeldende kunst, grafische en industriële vormgeving. Maar ook: krantenpagina's of een muziekdocumentaire. Niet cerebraal, tegen witte muren. Maar op schuine vloeren, tegen met fotoprints beplakte wanden.

Strak en hoekig is de inrichting van de zaal met dito stoelen, broodroosters en fototoestellen, die ook toen nog werden vormgegeven volgens de regels van het functionalisme. Terwijl de rondborstige stoelen, radio's en telefoons die ontstonden door nieuwe toepassingen van plastic, getoond worden op een taartvormig plateau en in halfronde perspex bollen aan de wand.

Het enthousiasme van de conservatoren spat van de tentoonstelling af. Al blijft hun selectie wel wat impressionistisch, en ontbreekt het aan een duidelijke inhoudelijke samenhang. Vooral bij de beeldende kunst - die het onderspit delft tussen de overdaad aan grafische en industriële vormgeving - zijn de keuzes niet altijd helder. Waarom wel twee assemblages van de tamelijk onbekende Gustave, en bijvoorbeeld niet de spectaculaire destructiemachines van Jean Tinguely, of de colourfield paintings die het museum bezit? Waarom twee werken van pionier Nam June Paik, maar verder geen enkele videokunst?

Meer samenhang kent het tweede deel van de tentoonstelling, die de kritische en meer duistere kant van de periode belicht. Een steeds wisselende selectie foto's toont de positie van de zwarte bevolking in Amerika (Danny Lyon), aan de gevolgen van massaconsumptie (Jim Dow) of de dictatuur in Chili en het gewapende conflict in Nicaragua (Koen Wessing). Kunstenaarsaffiches (van onder meer Jasper Johns) protesteren tegen de oorlog in Vietnam.

Als een opmaat voor de toekomst van het Stedelijk, zo kan Revolution. . . worden gezien ('een vingeroefening', zeggen de conservatoren in het museumbulletin). Al is die opmaat tegelijkertijd een ode aan het verleden. Aan Edy de Wilde, die tijdens zijn directoraat (1963-1985) het museum met een grote collectie Pop Art verrijkte. En aan diens voorganger Willem Sandberg (1945-1963), die met tentoonstellingen als Dylaby de basis legde voor vele werken die bijvoorbeeld van Martial Raysse werden aangekocht.

Dezelfde Sandberg die het museum laagdrempeliger wilde maken, tot een oord 'waar men durft te praten, te zoenen, hardop te lachen, zichzelf te zijn.' Revolution brengt iets van die sfeer terug in het Stedelijk: het publiek loopt mee te neurieën op Sgt. Peppers Lonely Hearts Club Band van The Beatles, die in de museumzalen uit de speakers schalt.

Revolution in the air - De sixties en het Stedelijk. Tot en met 31 december, Stedelijk Museum, Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden