Betoog Kijk vaker naar hetzelfde werk

Eén keer kijken naar een kunstwerk is niet genoeg, betoogt kunstredacteur Stefan Kuiper. Láng niet genoeg

Om een kunstwerk écht te zien én te waarderen, moet je het vaker zien, in verschillende levensfasen en onder andere omstandigheden. 

Nicolas Poussin, Landscape with a Calm (1650-1651). Beeld Foto Getty Museum

In 2001 zat kunsthistoricus T.J. Clark in het Getty Museum in Los Angeles zes maanden voor twee landschappen van de Fransman Nicolas Poussin. Niet aan één stuk door, dat spreekt. T.J. Clark mocht van zichzelf tweemaal daags  naar het toilet en een keer lunchen – nee joh, geintje: hij bekeek de schilderijen, Landscape with a Calm en Landscape with a Man Killed by a Snake, op onregelmatige basis, soms twee dagen achtereen, dan weer een paar dagen niet; al kijkend maakte hij notities van wat hij zag en van hoe hij zichzelf zag kijken; die notities groeiden uit tot een boek, The Sight of Death. Ik las het. Aanradertje, hoor.

Een van de lessen uit het boek is deze: één keer kijken, is eigenlijk geen keer kijken (een halve keer kijken? eenvijfde?). Men dient een schilderij meerdere malen te zien om het überhaupt te hebben gezien.

Zo gebeurt het bijvoorbeeld pas tijdens de vijfde sessie dat Clark opmerkt dat het arcadische landschap, waar hij dan al uren mee heeft doorgebracht, is afgebeeld op het eind van de middag/ begin van de avond (het gouden zonlicht verraadt het). Sight is a faculty; seeing, an art (zicht is een zintuig, zien een kunst), schreef de Amerikaanse filoloog George Perkin Marsh, en dat zien, die kunst van het zien, eigenlijk, wordt getraind, geactiveerd zelfs, door herhaling. Daarmee is Clarks boek óók een pleidooi voor het her-kijken; een terecht pleidooi, me dunkt.

Toegegeven, het is een curieus moment om een lans te breken voor de zegeningen van het her-kijken, zo op de drempel van het nieuwe culturele seizoen. Hier, immers, gaat het om ‘nooit vertoond’, ‘niet te missen’, en ‘once in a lifetime’ – tot het volgende ‘once in a lifetime’-evenement, uiteraard. Of, met het programma voor najaar 2019 in de hand: Monet in Den Haag, Britse realisten in Gorssel en De Hooch in Delft. Het is het moment van flyers en agendatips. Heeft u die kaartjes voor Monet nu al?

Vanuit het aanbiedende kamp gezien is dat een no-brainer. Tentoonstellingen zijn sexy. Ze roepen een hongerig makend gevoel op van nu of nooit. Ze laten zich goed promoten, ook. Toon je, zeg, voor ’t eerst tientallen geschilderde taartjes  van de Amerikaan Wayne Thiebaud, dan haal je daar (terecht) de tafel mee van De Wereld Draait Door. Met het Pennensnijdertje van Jan Ekels (Rijksmuseum; vleugel 18de eeuw – ja, die bestaat) gaat je dat van je levensdagen niet lukken. Toch is dat sympathieke pennensnijdertje ook een blik waard.

Jan Ekels, Een schrijver die zijn pen versnijdt (1784). Beeld Rijksmuseum

Meer dan een, eigenlijk. Vele.

Sommige instellingen zijn die mening ook toegedaan. De Lakenhal in Leiden kondigde bij de heropening aan zich te gaan profileren als collectiemuseum. Niet het ontwikkelen van spraakmakende blockbusters, maar ruchtbaarheid geven aan het eigen bezit vormt de speerpunt van het toekomstige beleid. Andere musea zetten dit najaar eveneens in op de reprise, al dan niet noodgedwongen. Het Van Abbe in Eindhoven toont Dumas, Goya en Beuys uit de eigen collectie; het Kröller-Muller brengt tekeningen van Van Gogh, Picasso, Mondriaan & co. – eveneens uit eigen huis. Herkijken, herbeoordelen, herwaarderen, of misschien juist wel niet, luidt daar het devies. Ooit vonden we dit. Wat vinden we nu?

Het is eigenlijk heel natuurlijk, herkijken. Immers, de objecten in musea werden gemaakt om intensief te bekijken. Die als meesterwerk-van-de maand gepresenteerde Tintoretto hing ooit bij een Venetiaanse familie aan de muur (‘kijk, dat is opa’); het middendeel van het beroemde altaarstuk werd elke zondag geopend; wie zich zat te vervelen tijdens de dienst kon altijd nog dáár naar kijken. Later belandden zulke voorwerpen in een museum en duurde de gemiddelde blik erop – ik pak de pot met clichés er eventjes bij – drieëndertig seconden. Van dierbare vrienden verwerden ze tot vage kennissen. Punten op de bucketlist.

Ergens is het onvermijdelijk. ‘Een groot probleem voor veel mensen die een museum bezoeken’, schrijft Wieteke van Zeil in haar fijne essaybundel Goed kijken begint met negeren, ‘is de overvloed’, en inderdaad: in musea is er altijd meer; meer dat vraagt om aandacht. Kunst kijken verwordt daardoor voor velen tot de analoge variant van eindeloos scrollen door het Netflixkeuze-menu: aan het eind ben je bekaf, en toch heb je niets gezien, niet werkelijk, niet goed. Een potentiële remedie tegen dergelijke keuzestress is bewust kiezen voor een zaal, kunstenaar, werk. Nog beter: een zo’n ding nog eens bekijken, en dan nog eens…

Het bekende kunstwerk is namelijk minder bekend dan we vaak veronderstellen. Wonderkinderen daargelaten zijn wij bijzonder slecht in het vasthouden van visuele informatie. Het kost ons weinig moeite om na twee keer luisteren dat ene liedje van Billy Eilish na te neuriën (‘All the good girls go to hell, tadadada’), maar zonder te spieken vertellen hoeveel bloemen er staan op Vincent van Goghs De Zonnebloemen blijkt een zo goed als onmogelijke opgave (veertien). Meer dan bij muziek heb je bij beeldende kunst de nabijheid van het ding zelf nodig om het te kunnen ervaren. Maar er zijn meer argumenten waarom kunst herbekijken zo’n aanbevelenswaardige activiteit is.

Sommige herkijkers herkijken omwille van het gevoel van vertrouwdheid. Het voelt veilig. Londen is een drukke stad, de metro in de spits: bloody awful, maar in de National Gallery hangt het Laantje van Middelharnis van Hobbema en daar kuiert het jagertje immer voort onder fier geboomte. Men verheugt zich er bij voorbaat op om dat weggetje mentaal weer eens uit te kunnen wandelen (voorpret is een belangrijke drijfveer voor herkijkers), en wanneer dat dan gebeurt, stelt het niet teleur. Het kunstwerk fungeert als toevluchtsoord, een thuis van huis.

Meindert Hobbema, Het laantje van Middelharnis (1689). Beeld The National Gallery, London

Andere herkijkers, vooral kunstenaars, handelen uit emulatie-drift. De Amerikaan John Singer Sargent, bijvoorbeeld, verlengde ooit z’n verblijf in Haarlem om nog één keer te kunnen kijken naar Frans Hals’ Regentessen van het Oudemannenhuis. En de Duitser Max Liebermann spendeerde zelfs een hele zomer aan het kopiëren van de regentenportretten van diezelfde Hals. Hun herkijken (en naschilderen) werd gemotiveerd door bewondering en ook door leergierigheid: hoe kreeg die Hals ’t verdorie voor elkaar? Zij wilden doen wat Hals deed (en deden dat ook, soms zelfs beter). Opnieuw kijken hielp hen daarbij.

Maar ook als je geen artistieke ambities hebt, is herkijken verrijkend. Het kunstwerk verandert namelijk niet, maar de omstandigheden waarin we het zien doen dat wel. Onze waardering verandert afhankelijk van of we het bekijken op een regenachtige dag of bij zonlicht (als het museum daglichtzalen heeft tenminste); of we in gezelschap zijn of alleen, of je over de koppen kunt lopen of dat het uitgestorven is, of het in de nabijheid hangt van andere kunst en welke. Wat we zien, wordt bepaald door hoe en waar we iets zien. En wanneer, natuurlijk, in welke levensfase. Immers, het kunstwerk mag constant zijn, wijzelf zijn werken in uitvoering. Onze smaak, onze overtuigingen, onze algehele kijk op de dingen: ze zijn in flux, en soms worden we ons daarvan pas bewust wanneer we worden geconfronteerd met iets solide en statisch, zoals een schilderij.

Isaac Israels: Liggend naakt (Sjaantje van Ingen lezend) (1894-1900). Beeld Privé Collectie

Een vriend van me (ik zeg niet wie, maar ik ben het zelf) had het met Isaac Israëls Liggend naakt. Ooit had-ie een vriendin die een exacte dubbelganger was van de vrouw op dat werk (heel eerlijk: een keer, na de seks, hebben ze het schilderij overgedaan als foto). Toen hij het voor het eerst zag, kende hij zijn vriendin nog niet en was het gewoon een mooi, geilig schilderij; later, toen zijn vriendin zijn vriendin was, en het werk als ansicht op zijn bureau stond, had hij er allerlei gevoelens bij: van tevredenheid over dat ze samen waren (de grens tussen schilderij en werkelijkheid was inmiddels vervaagd) tot angst om haar kwijt te raken; toen hij het weer zag, ditmaal in de Hallen in Haarlem, had zijn vriendin het net uitgemaakt en riep het gevoelens op van boosheid (wie maakte het nu uit met hem?!), en ook heimwee – zag-ie het daarna op affiches in de stad (het toeval heeft altijd wel een paar rotstreken in petto) trok de spier rond zijn hart samen. Herkijken, zo merkte hij door het wederzien  van de Israëls, is als kijken in de spiegel. Het maakt ons bewust van de veranderlijke wezens die we waren,  zijn, en nog zullen worden.

Max Liebermann, herkijker

Ook de Duitse impressionist Max Liebermann (1847-1935) was een herkijker. En zijn aandacht was gericht op dezelfde schilder als die waar John Singer Sargent zich op richtte: de 17de-eeuwse Haarlemse portrettist Frans Hals. In de zomer van 1876 was Lieberman weer eens in Haarlem voor Hals’ regentenportretten; hij stond er dagelijks voor en maakte er talloze studies van: figuren, gezichten, handen. Liebermann keerde drie jaar later alweer terug naar Haarlem om Hals’ werk opnieuw te zien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden