Een kakofonie van boeken

‘Lees wat je wilt’, staat er op de deur naar de grote bibliotheek in het huis van Alberto Manguel. Sinds enkele jaren woont de schrijver in de voormalige pastorie van Châtellerault in het Franse Poitou-Charentes....

Nergens voelt Manguel zich vrijer dan in zijn bibliotheek, heet het in The Library at Night. Overdag schrijft hij in zijn werkkamer, een apart vertrek tussen die duizenden boeken op de schappen; ’s nachts zit hij te lezen, onder een schemerlamp, in de halfverduisterde kamers. Het is een plek voor ‘vertroosting’, zegt hij helemaal aan het eind van het boek. Lezen geeft je vleugels, het is gelijk aan ademen, ‘het kleurt mijn hele bestaan’. Boeken zijn ‘mijn tweede huid’.

Zijn leeskamers zijn geheel volgens zijn plannen verbouwd, een ‘kruising’ tussen de lange boekenzaal van Sissinghurst, het huis van Vita Sackville-West in Kent, en de bibliotheek van zijn vroegere lyceum, het Colegio Nacional in zijn geboortestad Buenos Aires. Het is de etalage van de wereld rondom hem. Het lezen hecht zich aan alles wat Manguel doet. Elke metafoor in zijn eigen boeken gaat over weer andere boeken, over het lezen of het schrijven, over lettertypes of papiersoorten, over de geur van inkt of over het drukkersvak. In zijn dorp noemen metselaars kleine stenen minuscules en grote majuscules, de kleine letters en de hoofdletters van zijn huis, de typografie van zijn bibliotheek. Toen eindelijk ook de planken klaar waren, herinnert hij zich, ‘in de was gezet en schoon’, ontdekte hij bij het uitpakken van de honderden verhuisdozen dat elk boek ook een herinnering oproept en een bouwsteen is van ‘het immense geheugen’ dat hij letter na letter bijeen heeft gelezen of op zijn minst heeft verzameld.

Zijn nieuwste boek, dat tegelijk in het Engels en het Frans verscheen, is een geschiedenis van ‘de’ bibliotheek, maar tegelijk ook van zijn eigen boekenverzameling. Manguel heeft het over de bouwplannen voor zijn huis nabij Poitou, over het meubilair en de verlichting, en vervolgens uitgebreid over het ideale ‘boekenmagazijn’ van Etienne Louis Boullée uit 1785, dat nooit is gebouwd, over de plattegrond van een middeleeuwse kloosterbibliotheek, over de British Library en de Parijse Bibliothèque nationale, over Jorge Luis Borges’ biblioteca total, maar ook over de oorlogsvernielingen in Sarajevo, Kabul en Bagdad. Hij speurt met de hartstocht en onverzadigbaarheid van een humanist naar de beweegredenen van censoren, inquisiteurs en boekenverbranders, van verlichte opvoedkundigen en encyclopedische geesten. Hoe hebben grote lezers, schrijvers en bibliothecarissen hun boekenbezit geordend en gerangschikt?, vraagt Manguel zich af. Elke bibliotheek is ook letterlijk een geboekstaafd levensverhaal.

Je kunt boeken schikken als bloemen en struiken in een tuin, zoals de 13de-eeuwer Richard de Fournival, wiens theorieën over lezen en geheugen gebaseerd waren op tuinaanleg. Aan Callimachus, de bibliothecaris van de beroemde bibliotheek van het antieke Alexandrië, hebben we het catalogiseermiddel en de gewoonte te danken om boeken in alfabetische volgorde te plaatsen. Sommigen rangschikken hun boeken naar onderwerp, fictie of non-fictie, uitgever of auteur, grootte en zelfs kleur. De Franse schrijver Georges Perec bedacht ooit een heel lijstje van mogelijkheden om je boekenbezit te ordenen. Zíjn bibliotheek, zegt Manguel, is een labyrint waarin alleen hij zijn weg niet verliest; het is een ‘kakofonie van boeken’.

Hij heeft het uitvoerig over de Warburg-bibliotheek; het zijn de schitterendste bladzijden in The Library at Night. Aby Warburg, die zijn vader niet in zaken wilde opvolgen, sloot met zijn broer een overeenkomst: hij deed afstand van zijn zakenerfenis als hij alle boeken maar kon kopen die hij wilde. Hij bracht ze onder in een stichting, die nog steeds die boekencollectie beheert. Warburg was, net als Manguel, een eclectisch lezer. Kompatibilität is het sleutelwoord van zijn verzamelwoede: door ‘associatie’ doe je als lezer ervaring op.

Een echte lezer is een anarchist die houdt van een geordende chaos. Elk boek roept weer een ander op, beïnvloedt op een grillige manier hoe hij het boek erna leest, volgens ‘de wet van het goede nabuurschap’. Zo rangschikte Warburg ook zijn boeken: als goede buren. Die manier en stijl van ordenen noemde hij zijn Aalsuppenstil, ‘palingsoep’; een bibliotheek is een verzameling verwantschappen en tegenstellingen.

Van jongs af aan leerde Manguel, net als Warburg, de wereld én de kunst te lezen. Zijn boeken zijn een reusachtig en heel persoonlijk opgebouwd reservoir, iets heel anders dan het uitdijende internet waarin doelloos wordt gebladerd. Manguel gelooft niet in de digitalisering van het boek. Hij is een ‘ouderwets’ lezer. De woorden op het papier, dat hij streelt als een huid, leiden tot een gesprek met het boek. Hij leest met het potlood. Al zijn boeken zijn daarom ook dagboeken. Die notities in de kantlijn ‘vergezellen de tekst als een schaduw’; wanneer hij ze herleest, duikelt hij in zijn verleden. De potloodstreepjes roepen bij hem allerlei herinneringen op, ‘ze verplaatsen me naar een andere tijd’.

Misschien is hij een van die allerlaatste humanisten die nog lezen in hun eigen grote huisbibliotheek. Toch klinkt Manguel niet somber; hij gelooft in het boek en in de bibliotheek. Al sinds de 19de eeuw wordt het einde van het boek en zelfs van de literatuur of de kunsten voorspeld. Vrijwel alle technische innovaties sinds de industriële revolutie gingen gepaard met zulke jammerklachten. Charles Baudelaire was als de dood voor de opkomst van de fotografie die de echte kunst geheel zou bederven; de opkomst van de fiets, noteerde Edmond de Goncourt in zijn dagboek, zou een eind maken aan de verkoop van boeken, ‘in de eerste plaats vanwege de prijs van het trapkarretje, en vervolgens vanwege de tijd die het wielrijden de mensen kost, waardoor ze niets meer overhouden om te lezen’; door televisie, aldus Neil Postman, zou ‘the Age of Typography’ definitief overgaan naar ‘the Age of Television’. Nog meer profeten en doemdenkers voorspellen een papierloze maatschappij, want Google, Yahoo en andere ‘zoekmachines’ maken de bibliotheken overbodig.

Net als Manguel gelooft ook oud-bibliothecaris Ludo Simons niet in die onheilspellende ontwikkeling. In zijn Tiele-lezing ‘ter bevordering van de wetenschap van het boek’, die hij dit jaar in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag uitsprak, ontkent Simons die opeenvolging van een oraal, een scribaal, een typografisch en een digitaal tijdperk. Het gaat allemaal ‘dakpansgewijs’, zoals je ‘plakken mozzarella op schijfjes tomaat kunt leggen’: alle vormen worden onverkort behouden.

Voor een lezer, ook in het digitale tijdperk, houdt het nooit op; er is altijd een boek dat weer een ander oproept. Lezen, zegt Manguel, is voor de slapeloze de bezigheid bij uitstek. In het duister van zijn boekenkamers, waar hij soms ook blijft slapen, droomt hij van een imaginaire bibliotheek, het spiegelpaleis van Borges. Vermoedelijk is Rabelais de eerste schrijver die zo’n ‘sentimentele boekenkast’ heeft verzonnen, in zijn Gargantua en Pantagruel, een bibliografie van vijf pagina’s uit de boekerij van zijn verbeelding. Manguel houdt lijstjes bij van denkbeeldige titels, van boeken die hij graag zou bezitten maar die nog niet zijn geschreven. Er zijn nog schappen vrij in de pastorie van het Franse Châtellerault.

Paul Depondt

Alberto Manguel: The Library at NightKnopf, import Van Ditmar384 pagina’seuro 39,50ISBN 0 676 97588 8Knopf, import Van Ditmar384 pagina’seuro 39,50ISBN 0 676 97588 8

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden