Een ingetogen polemiek tegen zichzelf

Deze week verscheen Geleerd, het eerste deel van de memoires van de grote socioloog J. Goudsblom. Zijn vriend en geestverwant Arnon Grunberg las het boek en raakte opnieuw geïnspireerd.

Beeld Valentina Vos

Op 29 mei 2002 schreef J. Goudsblom mij een brief die nog altijd in het door hem bijgevoegde exemplaar van Reserves, een bundel van zijn hand met aforismen en gedichten, steekt. Goudsblom schreef: 'Geachte heer Grunberg, Als vaste lezer van de rubriek Yasha in de VPRO-gids las ik in het nummer van vorige week met instemming uw voorstel om het begrip 'selectieve verontwaardiging' als een pleonasme te beschouwen. Om mijn instemming te onderstrepen stuur ik u hierbij een exemplaar van mijn boekje Reserves, waarin op p. 120 hetzelfde voorstel staat.'

Het was meen ik de eerste keer dat ik mij bewust werd van het bestaan van J. Goudsblom. Vermoedelijk had ik zijn naam weleens voorbij zien komen, maar ik had me nooit voor hem geïnteresseerd. In mijn herinnering heb ik zijn vriendelijke brief vriendelijk beantwoord, maar misschien is dat een verzinsel. Ik las Reserves, of beter gezegd ik grasduinde erin - daartoe leent deze bundel zich bij uitstek - en ik merkte dat ik, bij gebrek aan betere bewoordingen, met een geestverwant te maken had.

Zo las ik op bladzijde 40 van voornoemde bundel: 'De mensen zijn op de wereld om elkaar te helpen, zegt mevrouw Z. Een belachelijke filosofie, maar mevrouw Z. vaart er wel bij en met haar verscheidene anderen.' Vaak moest ik ook lachen, om niet te zeggen giechelen om de aforismen van Goudsblom. Hij was misschien wat deftiger dan ik, of hij had plezier om zich zo voor te doen, zoals ik er plezier in had mij niet deftig voor te doen, maar al met al begreep ik dat ik te maken had met iemand die ongeveer net zo naar de wereld en naar de mensen keek als ik, al was diegene veeleer een academicus dan een romanschrijver, maar dat leek me een detail.

Later las ik Goudsbloms proefschrift Nihilisme en cultuur. Mijn exemplaar staat vol met potloodstrepen, dit boek heeft mijn denken mede bepaald. In zijn voorwoord bij de derde druk schrijft Goudsblom: 'Het [dit proefschrift] kan worden gelezen als een ingetogen polemiek tegen ware gelovigen van iedere overtuiging.' Vooral dat 'ingetogen' vond ik prachtig. Toen ik dat las begreep ik dat er eigenlijk maar één manier was om polemiek te bedrijven, ingetogen, en ik besefte dat het tijd was voor een herwaardering van Mandarijnen op zwavelzuur; van de polemieken van Hermans kan namelijk veel worden gezegd, niet dat ze ingetogen zijn.

Ik heb Goudsblom weleens in een zaaltje over Nihilisme en cultuur geïnterviewd en uit zijn ingetogen en voorzichtige antwoorden begreep ik dat mijn interpretatie van zijn proefschrift hem niet altijd overtuigde, maar ik heb me daar weinig van aangetrokken.

In dit proefschrift schrijft hij: 'Aan de enige tenslotte, die elke pagina in al zijn vele versies heeft doorgenomen, dank ik bovenal dat zij het nihilisme voor mij steeds meer tot een academisch probleem heeft gemaakt.' Die 'enige' was zijn vrouw: Maria Oestreicher.

Voor mij is het nihilisme nooit een academisch maar altijd een existentieel probleem gebleven, misschien omdat ik niet de juiste vrouw ben tegengekomen. Mijn moeder kwam in de buurt, maar ze stierf voor ze haar taak kon volbrengen. Aan de andere kant is het verschil tussen academisch en existentieel vermoedelijk ook het verschil tussen de academicus en de romanschrijver, zonder dat ik hiermee een waardeoordeel tot uitdrukking wil brengen. Voor de ziel is het ongetwijfeld beter als problemen academisch zijn en niet existentieel. Overigens zou ik stiekem best academicus willen zijn - uiteindelijk identificeer je je met de ambities van je ouders - maar ik ben romanschrijver geworden, omdat ik ooit met man en macht heb gerebelleerd tegen de ambities en verlangens van mijn ouders.

Tijdens mijn spaarzame ontmoetingen met Goudsblom vertelde hij weleens dat hij bezig was zijn memoires te schrijven. Als ik hem tegenkwam vroeg ik: 'Wanneer zijn ze er?'

Ze zijn er nu, althans deel 1, getiteld Geleerd, lopend van 1932 tot 1968, het jaar waarin Goudsblom hoogleraar en dus hooggeleerd wordt.

Het eerste deel begint met het hoofdstuk 'Prille schaamte' en dat is veelzeggend. Het woord 'schaamte' komt weliswaar maar vier keer voor in dit boek, maar het is duidelijk dat de herinneringen van Goudsblom voor een aanzienlijk deel over schaamte, overwonnen schaamte en ternauwernood overwonnen schaamte gaan en dat deze drie vormen van schaamte zijn bestaan hebben bepaald, waarmee nog geen antwoord is gegeven op de vraag waarom de ene mens zich meer schaamt dan de andere.

Vuur en beschaving

J. Goudsblom (1932), emeritus hoogleraar sociologie en pleitbezorger van het werk van de Duitse socioloog Norbert Elias, promoveerde in 1960 cum laude op de studie Nihilisme en cultuur. Hij bundelde aforismen in Pasmunt (1958) en Reserves (1998). In 1992 verscheen zijn belangrijkste werk Vuur en beschaving, in 2015 opnieuw uitgebracht. Andere boeken van Goudsblom zijn Het regime van de tijd (1997) en Stof waar honger uit ontstond. Over evolutie en sociale processen (2001). Deze week verscheen het eerste deel van zijn memoires, Geleerd. Memoires 1932-1968.

De eerste jeugdherinnering van Goudsblom is dat hij achter op de fiets bij zijn moeder zit en aan het zingen is. Ze passeren een paar meisjes en een van die meisjes zegt: 'Moet je dat jongetje horen zingen.' Waarop de jonge Goudsblom zich betrapt voelt. De memoires, het leven zelf, beginnen dus volgens Goudsblom - al zal hij zelf vermoedelijk vinden dat ik dat niet zo mag zeggen, omdat hij het over een specifiek leven heeft en niet over alle levens - met schaamte, en wat is dat? Je wordt betrapt of beter gezegd, je voelt je betrapt, zonder dat je een overtreding hebt begaan, achter op de fiets zingen is namelijk geen overtreding.

In dit proefschrift schrijft hij: 'Aan de enige tenslotte, die elke pagina in al zijn vele versies heeft doorgenomen, dank ik bovenal dat zij het nihilisme voor mij steeds meer tot een academisch probleem heeft gemaakt.' Die 'enige' was zijn vrouw: Maria Oestreicher.

Voor mij is het nihilisme nooit een academisch maar altijd een existentieel probleem gebleven, misschien omdat ik niet de juiste vrouw ben tegengekomen. Mijn moeder kwam in de buurt, maar ze stierf voor ze haar taak kon volbrengen. Aan de andere kant is het verschil tussen academisch en existentieel vermoedelijk ook het verschil tussen de academicus en de romanschrijver, zonder dat ik hiermee een waardeoordeel tot uitdrukking wil brengen. Voor de ziel is het ongetwijfeld beter als problemen academisch zijn en niet existentieel. Overigens zou ik stiekem best academicus willen zijn - uiteindelijk identificeer je je met de ambities van je ouders - maar ik ben romanschrijver geworden, omdat ik ooit met man en macht heb gerebelleerd tegen de ambities en verlangens van mijn ouders.


Tijdens mijn spaarzame ontmoetingen met Goudsblom vertelde hij weleens dat hij bezig was zijn memoires te schrijven. Als ik hem tegenkwam vroeg ik: 'Wanneer zijn ze er?'

Ze zijn er nu, althans deel 1, getiteld Geleerd, lopend van 1932 tot 1968, het jaar waarin Goudsblom hoogleraar en dus hooggeleerd wordt.

Het eerste deel begint met het hoofdstuk 'Prille schaamte' en dat is veelzeggend. Het woord 'schaamte' komt weliswaar maar vier keer voor in dit boek, maar het is duidelijk dat de herinneringen van Goudsblom voor een aanzienlijk deel over schaamte, overwonnen schaamte en ternauwernood overwonnen schaamte gaan en dat deze drie vormen van schaamte zijn bestaan hebben bepaald, waarmee nog geen antwoord is gegeven op de vraag waarom de ene mens zich meer schaamt dan de andere.

De eerste jeugdherinnering van Goudsblom is dat hij achter op de fiets bij zijn moeder zit en aan het zingen is. Ze passeren een paar meisjes en een van die meisjes zegt: 'Moet je dat jongetje horen zingen.' Waarop de jonge Goudsblom zich betrapt voelt. De memoires, het leven zelf, beginnen dus volgens Goudsblom - al zal hij zelf vermoedelijk vinden dat ik dat niet zo mag zeggen, omdat hij het over een specifiek leven heeft en niet over alle levens - met schaamte, en wat is dat? Je wordt betrapt of beter gezegd, je voelt je betrapt, zonder dat je een overtreding hebt begaan, achter op de fiets zingen is namelijk geen overtreding.

Een van de kenmerken van een goede stijl is dat je hem onmiddellijk wilt imiteren, dat je hem gaat imiteren zelfs als je dat niet wilt. Al lezend kwam het verlangen in me op om de stijl van Goudsblom te imiteren, die, zoals hij zijn polemiek omschreef, ingetogen is. Een tijdlang noemden critici een dergelijke stijl 'uitgebeend', maar dat woord volstaat niet. Goudsblom vertelt, op een paar momenten na, als duidelijk wordt dat hij iets van trots niet kan onderdrukken, alsof hij niet zeker weet of wat hij vertelt wel de moeite van het vertellen waard is, oftewel met een zekere gêne. Hij dramatiseert niet, hij ontdramatiseert.

Soms is dat jammer, bijvoorbeeld als hij, ongetwijfeld om ethische redenen, besluit niet over zijn dochter Claartje te schrijven: 'Uit deze en andere brieven aan vrienden zou ik breeduit kunnen citeren om over Claartjes vroege kinderjaren te vertellen. Maar daar zijn deze memoires niet voor bedoeld. Ze gaan over mij.'

Over de vader die Goudsblom was noch over de minnaar die hij ook was komen we veel te weten. Wat misschien niet alleen duidt op zelfcensuur. De jonge Goudsblom was, zo blijkt uit deze memoires, vooral goed in smachten. Die keer dat hij eindelijk een meisje aanraakt, komt het tot een ejaculatie praecox: 'Toen we opstonden merkte ik dat ik een zaaduitstorting had gehad, en dat mijn korte kaki broek een grote vlek vertoonde, heel zichtbaar ook voor Wies. Ik meende dat ik me moest verontschuldigen, en zei dat ik limonade had gemorst.' Ook hier weer de begrijpelijke gêne en het onhandige leugentje om bestwil.

Zijn beschrijvingen van zijn relatie met zijn vrouw Maria, die zijn grote liefde moet zijn geweest, zijn uiterst terughoudend. Misschien om dezelfde redenen als waarom hij zijn kinderen uit zijn memories houdt, althans uit dit deel. Goudsblom heeft het roofdier dat de schrijver altijd is - of hij nu romans schrijft of memoires - uitstekend gedomesticeerd, zoals gezegd misschien iets te uitstekend.

Een eigenschap van goede memoires is dat ze het geheugen van de lezer prikkelen en in hem herinneringen wakker roepen die hij bijna vergeten was. Lezend over de prille schaamte van Goudsblom herinnerde ik me hoe mijn zus na haar eerste maanden in Israël op Station Zuid in Amsterdam op mij kwam afgerend om me te omhelzen. Enkele tieners imiteerden haar en ik schaamde me dat ik bij mensen hoorde die hun emoties zo lieten blijken. Ik besloot dat de openbare ruimte geen plek voor het uiten van emoties was; welke plek daar wel goed voor was, wist ik niet. Later kwam ik erachter dat die plek de literatuur was, mits de emotie ingetogen wordt beschreven, vol twijfel of de emotie wel bestaansrecht heeft, wat misschien neerkomt op de vraag of de drager van die emotie wel bestaansrecht heeft.

Hoewel schaamte volgens de psychiater Louis Tas, die in het boek een keer wordt genoemd, gebrek aan empathie met jezelf is, kan niet worden gezegd dat Goudsblom geen enkele empathie met zichzelf heeft. De verlokking van de zelfbeschuldiging, ook een vorm van dramatiseren, is hem vreemd. Zo citeert hij uit Reserves: 'Je slechte ik, dat is niet per se je ware ik, maar wel die kant die zich het liefst in het donker ophoudt en daarom, als er eens iets van aan het licht treedt, een sensatie van 'waarheid' geeft.'

Beeld Valentina Vos

Berusting

Goudsblom geeft in deze memoires de sensatie van 'waarheid' zonder de slechtheid van zichzelf te benadrukken, maar ook zonder onaangenamere kanten van zichzelf volledig te verstoppen, bijvoorbeeld als hij zijn ergernis over het al te luidruchtige ademen van zijn oma niet kan onderdrukken.

Bestaat er een verband tussen schaamte en onthechting? Is schaamte het voorstadium van de onthechting?

Met een nuchtere berusting die vaag aan weemoed doet denken beschrijft Goudsblom zijn carrière: 'Carrièrebewust en -belust was ik niet; mijn keuze voor de universiteit was als een verstandshuwelijk: gesteld voor de keuze tussen mijn alma mater en de krijgsmacht koos ik voor mijn alma mater.'

Voor een verstandshuwelijk schrijft Goudsblom toch opmerkelijk vaak met liefde over zijn academische arbeid, waaruit we mogen concluderen dat ook verstandshuwelijken tot enige liefde kunnen leiden, voor zover we daar nog aan twijfelden.

Alledaagsheid

Af en toe is de alledaagsheid van de herinneringen mij iets té alledaags, maar in tijden van Knausgård zal menig lezer zich op het standpunt stellen dat de alledaagsheid niet genoeg gevierd kan worden, vooral niet als dat in de stijl van Goudsblom is gebeurd.

Regelmatig valt de naam van Norbert Elias, socioloog en leermeester van Goudsblom, auteur van onder andere Het civilisatieproces. Geleerd zou je kunnen lezen als een onderzoek naar wat innerlijke beschaving is, of het iets betekent, en of de auteur van deze herinneringen erover beschikt.

Wat Goudsblom schreef over zijn proefschrift kan ook worden beweerd over dit boek. Ik lees het als een zeer ingetogen polemiek van de auteur tegen zichzelf, wat dus iets anders is dan zelfbeschuldiging. Geleerd stelt de vraag of innerlijke beschaving bestaat, en wat men eraan heeft, als puntje bij paaltje komt. Behoedt zij ons voor misstappen, maakt zij ons gelukkiger?

Als innerlijke beschaving schaamte is, dan is het geluk elders te vinden. In Reserves stond al: 'Gêne: de meest nodeloze vorm van ongelukkigheid.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.