Een hogepriester achter de draaitafels

Kunst hoeft zich niet te houden aan regels. Het mag ze zelfs ter discussie stellen. Maar geldt dat ook voor de universele wetten?...

Jeroen Junte

Daar stond je dan in de platenwinkel. Hoe die artiest heette, vroeg de jongen achter de kassa? Euh...

De melodie dan, hoe ging die?, probeerde hij nog.

Nou ja, die was er dus eigenlijk niet, hè. Maar er kwam wel zo’n roffeltje halverwege, met van die Afrikaanse trommeltjes.

Tja, dan was de laatste strohalm die de winkelbediende kon aanbieden om maar eens te neuzen door de platenbak met die ‘bonkebonke-muziek’ daar in de hoek.

Het viel niet mee om in de begintijd van house op dinsdag (een beetje platenzaak is maandags gesloten) de plaatjes te vinden die je op zaterdag nog zo in vervoering hadden gebracht. Want de makers van deze muziek hulden zich in geheimzinnigheid. Niets dat de aandacht mocht afleiden van de ware boodschap: muziek.

Geen naam die in koeienletters op de hoes stond, laat staan een blitse portretfoto. Er stond zelfs adres of telefoonnummer op de plaat, alleen een logo van een vaag bedrijfje ergens in Londen of Chicago. House, dat was echte muziek, gemaakt op een zolderkamer door echte mensen. Het was een soort punk. Maar dan anders.

Ergens in de jaren negentig veranderde dat. De dj werd belangrijker dan de muziek. Een hogepriester was hij, die vanachter zijn altaar (de draaitafels) de gelovigen (het publiek) in zijn kerk (de dansvloer) in extase bracht met zijn evangelie (de nieuwste houseplaten). Dat hij die houseplaten meestal niet eens zelf had gemaakt, ach een kniesoor die daar op lette.

Steeds groter zwol zijn ego. Niet alleen stond zijn naam op elke flyer en hing zijn foto in elke platenzaak, de dj was alomtegenwoordig. Politieke partij die jongeren wil aanspreken? Dj. Leuke gast nodig in talkshow? Dj. Totdat hij zelfs onmenselijke proporties aannam.

‘This is where I heal my hurts/For tonight/God is a DJ’, zong de Britse band Faithless zonder een spoortje ironie in God is a dj uit 1998. Het duurde vervolgens niet lang meer voordat DJ Tiësto zich als een gekruisigde Messias ging bewegen achter de draaitafels met zijn gespreide armen.

John Lennon kwam er nog mee weg toen hij in 1966 in een olijke bui over zijn band zei: ‘We’re more popular than Jesus.’ The Beatles worden immers nog steeds gezien als de grootste band ooit. Maar voor God zelf spelen, dat gaat zomaar niet. Dus wordt de dj aan alle kanten ingehaald.

Vraag een willekeurige tiener wat hij worden en het antwoord luidt: rapper. En tegenwoordig zijn het gitaarbandjes die de aandacht trekken (de uitgeverijen vechten om het dagboek Pete Doherty) En de dj? Die is weer gewoon de jongen of het meisje die de plaatjes mag draaien.

Jeroen Junte

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden