Een harde despoot en een gevoelige idealist

'IK HEB geen grafsteen nodig, maar/ Als jullie er voor mij een nodig vinden/ Zou ik wensen dat erop staat:/ Hij heeft voorstellen gedaan....

Deze tekst van de Duitse communistische dichter Bert Brecht had ook uit de mond kunnen komen van Paul de Groot. Van 1938 tot 1977 stond deze joodse Amsterdammer aan het hoofd van de Communistische Partij van Nederland. Talloze voorstellen heeft De Groot in die 39 jaar aan zijn partij gedaan; onderling tegenstrijdig waren ze, pro- of anti-Russisch, gericht op samenwerking met de sociaal-democraten, of juist fel daartegen, interessant soms, een enkele keer uitgesproken moedig, vaker getuigend van een geestelijke beperktheid die af en toe in de buurt kwam van regelrechte krankzinnigheid. Bijna altijd werden die voorstellen van De Groot door zijn partij overgenomen en uitgevoerd, meestal zonder noemenswaardige discussie.

In zijn lijvige biografie over De Groot, De man die de weg wees, staat de historicus Jan Willem Stutje uitvoerig stil bij diverse kanten van De Groots gecompliceerde persoonlijkheid. Ook gaat hij in op de interactie tussen de partijleider en zijn volgelingen. Stutje is erin geslaagd een helder en concreet beeld te schetsen van de nogal bizarre omgangsvormen onder de Nederlandse communisten. Hij heeft, zegt hij in zijn inleiding, geen sympathie voor zijn hoofdpersoon, maar hij neemt hem wel serieus en probeert zich in zijn motieven in te leven. 'Mijn doel was via zijn levensbeschrijving meer inzicht te geven in het stalinisme.'

Dat is hoog gegrepen. Over het stalinisme is tenslotte veel gepubliceerd en het is niet eenvoudig daaraan een wezenlijk nieuw gezichtspunt toe te voegen. Stutje had hierin wellicht kunnen slagen door De Groots beweegredenen en handelwijze overtuigend te analyseren en te laten zien hoe dit aansloot bij de communistische manier van denken. Jammer genoeg is dat De Groots biograaf niet gelukt. Zijn ontleding van het Nederlandse stalinisme blijft oppervlakkig, en De Groot als persoon is ook na lezing van ruim vijfhonderd bladzijden nog steeds raadselachtig. Het feit dat Stutje zijn eigen pretenties niet weet te realiseren, maakt zijn boek echter niet waardeloos. De man die de weg wees is als biografie een verdienstelijke mislukking. Verklaard wordt er weinig, maar het boek bevat een schat aan materiaal waarmee anderen een poging kunnen wagen het raadsel De Groot dichter bij een oplossing te brengen.

Twee centrale vragen roept de biografie van De Groot op; een politieke en een persoonlijke. De eerste luidt: hoe is het mogelijk dat de Nederlandse communisten, onder wie tal van ontwikkelde arbeiders en (maatschappij)kritische intellectuelen, in meerderheid jarenlang bleven aanlopen achter een partijleider die een grillige, steeds wisselende koers volgde en geen tegenspraak duldde? Die vraag betreft het wezen van het (Nederlandse) stalinisme.

De tweede vraag draait om de persoonlijkheid van die leider. De Groot hoorde met de Albanees Enver Hoxha en de Noord-Koreaan Kim-il Sung tot de laatste verdedigers op aarde van Sovjet-dictator Josef Stalin, wiens misdaden hij nooit onder ogen heeft willen zien. In zijn eigen partij ging hij als een razende tekeer tegen degenen die in zijn ogen van de juiste, door hem al dan niet met hulp van Moskou uitgezette lijn afweken, en hij deinsde niet terug voor karaktermoord. En toch, benadrukt Stutje, was de mens De Groot geen monster, zelfs geen domme apparatsjik, maar een idealist met een intensief gevoelsleven. Stutje weet het bestaan van deze op het eerste gezicht onwaarschijnlijke tegenstelling tussen De Groots zielenroerselen en zijn manier van optreden met feiten te onderbouwen. Maar hoe zulke uitersten in één man konden samengaan, kan hij niet verklaren.

Bij de kritiekloze houding van de CPN-leden en -leiders past enige relativering, want lang niet alle communisten bleven tientallen jaren achter De Groot aanlopen. Breukpunten die velen ertoe brachten afscheid te nemen, waren onder meer het niet-aanvalsverdrag tussen Hitler en Stalin uit 1939, de communistische coup in Praag in 1948, de geheime rede van Chroesjtsjov over de persoonsverheerlijking van Stalin in 1956, de scheuring tussen CPN en Bruggroep twee jaar later, en De Groots laatste, uiteindelijk mislukte poging om de orthodoxie in zijn partij te herstellen in 1977.

Het is voorts nuttig te bedenken dat de CPN niet alleen maar achter de bouwers van de Russische Goelag is aangelopen. Die partij heeft ook politieke daden op haar naam staan waarvoor zij bewondering oogstte: de Februaristaking van 1941 en het verzet tegen de nazi-overheersing; de steun aan de onafhankelijkheid van Indonesië. Ook kwam de CPN tamelijk consequent op voor de belangen van de arbeiders en stelde zij zich (hoewel De Groot ernstig aarzelde) open voor de beweging van eind jaren zestig. In die tijd sloten nogal wat jongeren zich bij de CPN aan, omdat ze zich had losgemaakt van Moskou, ook al was De Groots motief om dat te doen niet kritiek op Stalin en het stalinisme, maar juist op de verwatering onder Chroesjtsjov.

Wat de leden aantrok in de CPN was haar radicaliteit, het compromisloze streven naar een rechtvaardige, klassenloze samenleving. In het gebrek aan compromisbereidheid en het verabsoluteren van het eigen ideaal ligt echter ook een verklaring voor de ontsporingen van de communistische partij. Ze hanteerde een simpel zwart-wit beeld, met aan de ene kant de eigen mensen en aan de andere slechts vijanden. Vooral in perioden dat de CPN onder sterke maatschappelijke druk stond, werd ze een burcht, een belegerde vesting. Alle middelen waren geoorloofd om terug te slaan.

Een funeste rol speelde de van Lenin geërfde opvatting over moraal: er bestond volgens deze Russische revolutionair geen universele moraal, maar alleen een moraal die klassengebonden was en werd uitgedragen door de partij. Onder het stalinisme kwam hier nog een luguber aspect bij: de vijanden, tegenover wie waakzaamheid was geboden, konden zich ook binnen de eigen kring bevinden, waar ze zich heimelijk als agenten van diverse spionagecentra hadden genesteld. Paul de Groot was een hartstochtelijk aanhanger van deze agententheorie, die een van de weinige constanten in zijn politieke denken vormt.

Was Paul de Groot niet toch een op zichzelf oninteressante, door de gezichtsvernauwing van het stalinisme omhooggestuwde en daardoor ook aan de top gebleven paranoïde persoonlijkheid?

Nee, schrijft Jan Willem Stutje, dat is niet het hele verhaal. De Groot kon behalve driftig en opvliegend ook gemoedelijk zijn, en zelfs zorgzaam. Hij had gevoel voor humor, las graag en veel, hield van cabaret en opera. Indrukwekkender dan deze eigenschappen zijn de ontroerende brieven die De Groot begin 1943 schreef aan zijn vrouw Sally en dochter Rosie, die onder zijn ogen door de nazi's waren opgepakt. Het zijn pareltjes, die brieven, echte juwelen.

Een citaat uit de brief aan Rosie - die op dat moment, net als haar moeder, al vergast was. 'Ik zei je dat een mens een doel moest hebben in zijn leven en dat dat doel niet enkel het leven zelf was. Je moest door je leven een spoor achterlaten als je verdwenen was, iets waar de andere mensen het beter door zouden krijgen. Zo heb ik het in mijn jonge jaren mij voorgesteld en zo heb ik ook geleefd, in één gedachte met onze lieve Sally. Maar ik had jou er buiten moeten laten. Ik had je ver weg moeten sturen, bijtijds, omdat jij nog niet vrijwillig gekozen had en ik jouw jonge leven niet aan het onze (Sally en mij) had mogen binden. Ja, en nu is het te laat. Het was mijn egoïsme. Ik kon je eenvoudig niet missen, je was mijn levenslust (. . .) Hoe zal het nu met je zijn?'

Is dit dezelfde Paul de Groot? Ja. Het is bijna niet te bevatten. Misschien een heel klein beetje door de context van de stalinistische partij erbij te betrekken. Een partij waarvoor de Groot zich meteen na de bevrijding in 1945 moest verdedigen tegen de beschuldiging van desertie, omdat hij, na drie keer bijna te zijn gepakt, verraad vreesde en eenzaam onderdook. Een partij waar de tragedie die hij had doorgemaakt, de angst en het verdriet, onbespreekbaar waren, omdat ze niets te maken hadden met de strijd. Zo heeft het waarschijnlijk kunnen gebeuren dat de reële angst voor verraad tijdens de Duitse bezetting een fusie aanging met al eerder aangeleerde waandenkbeelden over alom tegenwoordige vijanden en agenten. In dat stalinistische gedachtenlabyrint is Paul de Groot reddeloos verdwaald. Zo ontwikkelde een gekweld mens zich tot despoot.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.