Een glorieuze droom

Córdoba was de bakermat van de Renaissance, een smeltkroes waarin moslims, joden en christenen vreedzaam samenleefden. Tot in 1009 de rede bezweek in een orgie van religieus fanatisme....

De geur van jasmijn hangt rond het standbeeld van Maimonides. Uit een open raam op het plein in het hart van de oude joodse wijk van Córdoba, klinkt Bob Dylan:

‘Hey, Mr. Tambourine Man, play a song for me

I’m not sleepy and there is no place I’m going to.’

Maimonides staart naar zijn bronzen haremsloffen, diep in gedachten verzonken. Een man met vele talenten, filosoof en jurist. En met vele namen: wij kennen hem als Maimonides, de moslims noemen hem Musa ibn Maymun, zijn joodse naam luidde Moshe ben Maimon.

Hij geldt als een van de inspiratiebronnen voor de Verlichtingsdenkers, net als Averroës – Ibn Rushd zoals zijn Arabische naam luidt – wiens standbeeld even verderop staat, bij de poort van Almódovar, die toegang geeft tot de joodse wijk van Córdoba, de stad die met recht de kraamkamer van onze Renaissance genoemd mag worden.

Córdoba is een geheugenpaleis in het noorden van Andalusië, op de oever van de Río Guadalquivir. Ooit, duizend jaar geleden, was het de grootste stad van Europa, het hart van het westelijke kalifaat. Nu wordt het islamitische rijk waarvan Córdoba de hoofdstad was, door historici geroemd als hét voorbeeld van een glorieuze, multiculturele samenleving. Als een smeltkroes waarin moslims, joden en christenen vreedzaam samenleefden, een stad waar de schatten van de Griekse cultuur konden overleven, waar Aristoteles en Plato in ere werden gehouden, terwijl de rest van Europa in diepe duisternis leefde, gras de straten van Rome overwoekerde en wolven door de straten van Parijs joegen.

Niet ver buiten Córdoba ligt het Medina Azahara, een ruïne die steen voor steen wordt herbouwd. Er komen niet veel bezoekers in de dagen dat wij er ronddwalen. Slechts een enkele Spanjaard neemt de moeite om het paleizencomplex te bezoeken. Meer dan duizend jaar geleden werd het bewoond door de Ommayadenvorsten, door Abdel Rahman en zijn nazaten, vluchtelingen uit Syrië die in deze uithoek van het islamitische rijk hun toevlucht hadden gezocht. Er zouden meer dan dertigduizend mensen hebben gewoond. De stad werd in een orgie van islamitisch fanatisme en geloofsijver met de grond gelijk gemaakt.

De grondlegger van de dynastie, Abdel Rahman I, heeft de laatste jaren mythische proporties aangenomen. Al Dakhil, wordt hij genoemd, ‘de immigrant’, die na een jarenlange odyssee, op de vlucht voor de Abbasiden die zijn familie in Damascus hadden uitgemoord, uiteindelijk de Straat van Gibraltar overstak en in Al Andalus een nieuw rijk stichtte waarin de convívencía, het vreedzaam samenleven, tot norm werd verheven.

Het moet een sprookjespaleis geweest zijn, het Medina Azahara, een lusthof, vertelt een archeoloog als wij tussen de amandelbomen en de bougainvillea, langs de ruïnes naar het paleis van de kalief lopen. ‘De marmeren muren waren bedekt met zilver en goud, de pilaren en bogen die het dak stutten, waren van ivoor, ebbenhout en marmer.’

De restauratie gaat traag. Al decennia is een kleine staf, bijgestaan door vrijwilligers uit de hele wereld, studenten vaak, bezig aan de wederopbouw. ‘Het paleis is grondig verwoest, alle rijkdom gestolen’, vertelt de archeoloog, die zorgvuldig de brokstukken verzamelt, ze afstoft en in kisten opbergt. ‘Met de grond gelijkgemaakt. Niet door de christenen, maar door fanatieke moslims. Niet tijdens de kruistochten, maar al in 1009, precies duizend jaar geleden dus, lang voordat de christenen dit gebied heroverden.’

Het debat of de Koran het Woord van Allah was of de creatie van stervelingen en dus te interpreteren, werd hier met het kromzwaard beslist. Tienduizenden islamitische boeken werden verbrand in de straten van Córdoba. De rede verloor. Het geloof overwon. Allahs woord was voortaan een Openbaring waar een sterveling niet aan mocht twijfelen of over mocht redeneren.

De fundamentalisten kwamen uit Marokko, uit het Atlasgebergte. ‘Barbaarse Berbers’, noemt María Rosa Menocal hen in haar studie over de gouden eeuwen van Andalusië. Ze waren streng in de leer, niet bereid tot een compromis.

‘Wat zou deze barbaren het meest verbaasd hebben’, vraagt zij zich af, ‘toen ze het Medina Azahara binnenvielen en verwoestten? De grote zilveren parel die aan het plafond hing? Het dak van goud, gesteund door marmeren pilaren? De fontein gevuld met kwikzilver waarin het zonlicht weerkaatste? De haremverblijven, de boeken?’

Veel is er niet overgebleven. Eeuwenlang werd het paleizencomplex geplunderd. De stenen, de pilaren, het mozaïek werden geroofd en hergebruikt in de paleizen en kastelen die in Sevilla en Granada verrezen.

Sinds de dood van de dictator Franco herontdekt Spanje zijn geschiedenis en ontstaat er ruimte om de bijdrage van moslims en joden aan de Spaanse cultuur te onderzoeken en te herwaarderen. Joodse wijken en synagogen zoals in Segovia, Toledo, Sevilla en Córdoba worden gerestaureerd.

Wij zwerven door de oude joodse wijk van Córdoba. De synagoge is hersteld als eerboon aan de bijdrage van de sefardische joden aan de Spaanse cultuur, voor het ‘immortal genio del judaismo’ – de onsterfelijke genialiteit van het jodendom.

Verderop in de straat ligt het Casa de Sefarad, het Huis van de Spaanse Joden.

‘Er wonen geen joden meer in Córdoba’, vertelt de conservatrice. ‘Er worden geen diensten meer gehouden in de synagoge. Al eeuwen niet meer. Er is geen rabbijn in Córdoba.’

Waarschijnlijk wonen er nog een paar joden in Sevilla, vermoedt ze. En misschien een paar joodse families in Córdoba. Ze weet het niet.

‘Misschien ben ik ook wel een converso, een bekeerde jood’, zegt ze. ‘Misschien waren mijn voorouders wel joods en werden ze, net als alle joden, gedwongen zich te bekeren tot het christendom.’

Het Casa de Sefarad is een museum, legt ze uit. Net als de synagoge. Een casa de la memoria. Een museum om de herinnering te bewaren aan de joodse gemeenschap die hier vroeger leefde, voordat die in 1492 werd verdreven uit Spanje.

Ze neemt ons mee naar een kamer in het huis, achter, op de patio, die met een davidster is betegeld. Aan de muur hangen geschilderde portretten van ‘de vrouwen van Andalusië’: dichters, filosofen, wiskundigen, medici. Joods, christelijk, moslim. Samen hangen ze aan één wand. Ze speelden een vooraanstaande rol in het multiculturele Córdoba van de 10de tot de 12de eeuw.

Ze dragen dikke bossen haar, onbedekt. Kleren waarin de vormen uitkomen. ‘Zo liepen ze ook over straat’, vertelt de conservatrice. ‘Wallada la Omeya las haar eigen gedichten voor in het openbaar, of in de literaire salons. Haar gedichten had ze op haar kleren geborduurd.

‘De Ommayaden waren tolerant. Christenen mochten processies houden, kerkklokken luiden, hun geloof uitoefenen, zolang ze het gezag van de islam maar accepteerden.’

In het hart van Córdoba staat de Mezquita, die weergaloos mooie herinnering aan een verlichte dynastie, aan twee eeuwen van tolerantie onder de Ommayaden. Ook al is de Grote Moskee nu officieel een kathedraal, eigenlijk al sinds 1236 toen de christenen Córdoba heroverden.

Maar het voelt nog steeds als een moskee: het woud van pilaren, de dubbele bogen van wit en rood marmer, de islamitische gebedsnis van goud; het is een replica van de Ommayaden-moskee in Damascus, ontworpen door architecten uit Byzantium. En middenin die immense, prachtige moskee werd op last van Karel V een kathedraal gebouwd met een gouden hoogaltaar. De minaret op de binnenhof, waar het geurt naar sinaasappel, werd omgebouwd tot kerktoren. Het is een monstrum, een historische vergissing, dat vond keizer Karel uiteindelijk zelf ook.

De Mezquita is het vreemdste bouwwerk dat je je kunt voorstellen: half moskee, half kerk. Nog bizarder dan de Sagrada Familia van Gaudí in Barcelona. Nog mooier. En nog controversiëler. Want de geloofsstrijd is nog lang niet voorbij.

‘Het is een historisch feit dat de kerk van San Vincente onteigend en verwoest werd’, meldt de flyer die je krijgt als je de kathedraal betreedt, ‘om de moskee te kunnen bouwen. Een feit dat de vermeende tolerantie die in Cordoba (onder de Ommayaden) zou hebben bestaan, betwist.’

De meeste historici zijn het er inmiddels over eens dat Abdel Rahman de helft van de kerk van de heilige Vincente kocht en dat de moslims op vrijdag hun gebedsdienst hielden achter een muur die dwars door de kerk liep. Toen de islamitische bevolking van Córdoba groeide, ook omdat veel christenen zich tot de islam bekeerden – al was het maar om te ontsnappen aan de hoge belastingen die christenen en joden moesten betalen – kocht Abdel Rahman ook de andere helft van de kerk voor tachtigduizend dirham, brak hem af en bouwde de Mezquita.

Maar meer dan vijfhonderd jaar na de voltooiing van de Reconquista is de strijd blijkbaar nog steeds niet gestreden.

Maimonides vluchtte uiteindelijk naar Egypte, naar Alexandrië, zoals zoveel joden na hem. Hij vluchtte voor de scherpslijpers binnen de islam.

Maar zijn ideeën zouden worden opgepikt ten noorden van de Pyreneeën en ze zouden de Renaissance in gang zetten. En in Andalusië, in de stad waar hij geboren werd, wordt hij nu gehuldigd, net als dat verre verleden, en die droom van vreedzame coëxistentie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden