Een gemeenschap zonder slampampers en nietsnutten

‘Genoeg gepraat.... De NSB is Daad!’, zo luidde de verkiezingsleus van Nederlands meest succesvolle fascistische partij...

Kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog broedde de Nederlandse regering op een achteraf beschouwd bijzonder eigenaardig plan: het verwijderen van vrijwel alle in Nederland wonende Duitsers. Van de ongeveer honderdduizend Duitsers die zich hier destijds bevonden zijn er tussen 10 september 1946 en 1 november 1948 3.500 het land uitgezet, in het kader van Operatie Black Tulip. Deze episode wordt beschreven in een boek met diezelfde titel. De auteurs leggen terecht de nadruk op het willekeurige, vaak schrijnende van deze Nederlandse poging tot verdrijving.

Het toenmalige hoofd van de vreemdelingendienst, Grevelink, waarschuwde de ambtenaren die dit beleid moesten uitvoeren om niet het hart meer te ‘laten spreken dan het verstand’, en zich te wapenen tegen de ‘menigvuldig hartroerende verzoekschriften’. Want ‘de wet is hard, maar het is de wet’. Die kille woorden roepen spontaan associaties op met de houding van medewerkers van de IND tegenover uitgeprocedeerde asielzoekers. In zijn voorwoord bij Black Tulip moedigt Ad van Liempt, eindredacteur van Andere tijden, de lezers aan om oog te hebben voor zulke ‘aspecten (...) met een opmerkelijke actualiteitswaarde’. ‘Want’, aldus Van Liempt, ‘het verleden is dan wel een ver buitenland waar ze alles heel anders doen, maar de fouten van die buitenlanders kunnen toch verdacht veel weg hebben van de onze.’

Het is een spannende stellingname, maar ook een hachelijke. Om verschijnselen van nu te kunnen vergelijken met die uit het verleden is het een absolute voorwaarde om grondig op de hoogte te zijn van allebei, zodat niet alleen overeenkomsten, maar ook verschillen in kaart gebracht en gewogen kunnen worden.

Zo beschouwd lijkt de uitzetting van duizenden Duitsers in de naoorlogse jaren een unieke gebeurtenis die voortvloeide uit de wraakzuchtige stemming tegenover alles wat Duits was na de bevrijding. Dit beleid stond haaks op de normen van de rechtsstaat, want er werd zonder onderscheid des persoons een hele groep getroffen, waarvan sommigen zich ongetwijfeld als felle nazi’s hadden gedragen, maar andere helemaal niet. Sintemaartensdijk en Nijland hebben een stukje genante Nederlandse geschiedenis aan de vergetelheid ontrukt. Maar hun boek blijft aan de oppervlakte en biedt geen basis voor een vergelijking met meer recente pogingen tot het uitzetten van buitenlanders.

Geeft de vuistdikke studie van Robin te Slaa en Edwin Klein over de opkomst van de NSB in de vroege jaren dertig wel aanknopingspunten voor een vergelijking met rechtse populistische groeperingen van nu, zoals de PVV? Ik denk van wel en dat komt, paradoxaal genoeg, doordat de auteurs er zo voortreffelijk in zijn geslaagd om de NSB een gezicht te geven in de context van haar eigen tijd. De reden dat elke associatie van populistische bewegingen met fascisme taboe lijkt (vooral, maar zeker niet alleen in de ogen van de populisten) is immers dat fascisme tegenwoordig een scheldwoord is, synoniem met een uniek politiek Kwaad. Maar zo keken de tijdgenoten van de jonge NSB, die het verdere verloop van de geschiedenis niet kenden er natuurlijk helemaal niet tegenaan. Of, zoals Te Slaa en Klijn het zeggen: ‘Bij het horen van het woord ‘fascisme’ zullen weinigen zich nog realiseren dat deze benaming eens gold als aanduiding voor een nieuwe, revolutionaire ideologie waarin miljoenen Europeanen heilig geloofden.’

De in 1931 door de wegens zijn deskundigheid op het terrein van de waterstaat gewaardeerde ingenieur A.A. Mussert opgerichte NSB (Nationaal Socialistische Beweging) was niet de eerste fascistische partij in Nederland, wel de enige die op een zeker succes kon bogen. Op het hoogtepunt, in 1935, had ze tegen de vijftigduizend leden en bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in dat jaar haalde ze 7,9 procent en 44 Statenzetels, dat is, omgerekend in Kamerzetels van nu, 19 zetels. Een spectaculaire uitslag, niet alleen voor het verzuilde Nederland van toen, ook naar huidige maatstaven.

Wat wilde deze nieuwkomer, wie voelden zich tot haar aangetrokken en waarom? De NSB keerde zich tegen de parlementaire democratie en tegen kapitalisme en socialisme. De beweging streefde naar een autoritair geregeerde staat, waarin het volk zou zijn vertegenwoordigd door corporaties. Kenmerkend waren voorts het leidersbeginsel, en het afwijzen van de principes van gelijkheid en van individuele rechten: het individu diende zich te schikken naar de gemeenschap. De NSB legde er de nadruk op dat ze haar idealen wilde verwezenlijken ‘langs den wettigen weg’.

De partij kon profiteren van een wijd verbreide onvrede over het moeizaam functioneren van de parlementaire democratie. In haar propaganda voedde ze het wantrouwen tegen de gevestigde politiek, waar alleen maar gepraat werd en waar de ‘bonzen’ elkaar de baantjes toespeelden. ‘Genoeg gepraat... De NSB is Daad!’, luidde de verkiezingsleus in 1935. En Mussert verklaarde te dromen van een volksgemeenschap ‘zonder uitbuiters, oplichters, slampampers en nietsnutten’.

Dat een partij met een dergelijk programma in het door de wereldcrisis van 1929 zwaar getroffen Nederland aanhangers kon vinden, weten Te Slaa en Klijn aannemelijk te maken. ‘De goede organisatie van de NSB, de ‘fatsoenlijke’ reputatie van Mussert, de roep om solidariteit, orde en eenheid van het volk, maakte de beweging voor sommigen tot een aantrekkelijk alternatief tegenover de bestaande partijen’.

Profiteren kon de NSB aanvankelijk ook van de successen van Hitler. Diens harde optreden tegen communisten en socialisten en zijn bestrijding van de werkloosheid vonden in het begin ook buiten de kring van de NSB erkenning. Toch werd de band met de Duitse nazi’s (en in mindere mate de Italiaanse fascisten) de NSB al in de dertiger jaren fataal, zoals Te Slaa en Klein overtuigend schetsen. De vurige verdediging van al wat Führer en Duce verrichtten (Neurenberger rassenwetten, aanval op Abessinië) en het toenemend antisemitisme in eigen rijen dreven de beweging na 1935 in het isolement. Ook de voorliefde voor zwarte uniformen, de parades en de eigen fascistengroet Hou zee werden door velen ervaren als een on-Nederlandse poppenkast.

De ontwikkeling van de NSB tot marionet van nazi-Duitsland neemt niet weg dat zij in de eerste jaren leek te kunnen uitgroeien tot een echte volkspartij, een partij die aanhang wist te verwerven onder bijna alle sociale en kerkelijke groepen. Dominees en ex-communisten, vroegere liberalen, katholieken, ondernemers, middenstanders, boeren – ze waren allemaal in de NSB te vinden. Alleen de arbeiders bleven in grote meerderheid hun linkse en confessionele partijen trouw. Dat de NSB lang vóór de in 1946 opgerichte Partij van de Arbeid een partij van de Doorbraak hoopte te worden, is een van de talrijke verrassende inzichten die in De NSB zijn aan te treffen.

Valt er na dit alles iets zinnigs te zeggen over een mogelijke vergelijking tussen de NSB toen, in haar vroege, ‘nationale’ periode, en de PVV nu? Het zijn de verschillen die het zwaarst wegen. De PVV keert zich niet tegen de parlementaire democratie en Wilders heeft het niet over een corporatieve staat of over de volksgemeenschap. De NSB had geen voorliefde voor vrijheid, laat staan voor vrijheid van meningsuiting en kwam bepaald niet op voor de rechten van homoseksuelen of voor gelijkheid van man en vrouw. Anders dan bij de NSB is het niet antisemitisch zijn van de PVV boven elke twijfel verheven. De aanhangers van Wilders lopen niet in zwarte hemden en hun partij kent geen paramilitaire afdeling. Het allerbelangrijkste verschil is uiteraard dat de PVV geen Grote Broer heeft in een buurland dat Nederland bedreigt. Het suggereren van een diepe verwantschap tussen beide groepen wordt daardoor onzinnig.

Toch is het niet zo dat er helemaal geen overeenkomsten zijn aan te wijzen. Het nationalisme, het geloof in de noodzaak van een nationale wedergeboorte is er een. Evenmin als de NSB kent de partij van Wilders interne partijdemocratie en diens positie daar is niet zo heel anders dan die van Algemeen Leider Mussert in zijn beweging. Beide partijen scoren laag op de punten openheid en democratische geloofwaardigheid.

Interessant is dat zowel NSB als PVV opvallen door hun cocktail van uiterst rechtse en linkse programmatische issues (de AOW bij Wilders, winstdeling en pensioenvoorzieningen voor werknemers bij de NSB). Beide groepen zetten zich fel af tegen links en vallen op door in grove taal geuit wantrouwen tegen de gevestigde politiek. Beide roemen hun eigen daadkracht. En last but not least: de campagne van Wilders tegen ‘islamisering’ vertoont gelijkenis met het ‘milde’ antisemitisme van de NSB in haar beginjaren. Nog één keer Te Slaa en Klein: ‘Musserts beweging verwierp officieel het biologisch ‘gefundeerde’ antisemitisme van de nazi’s (...) Verschillende partijgenoten onderbouwden hun groeiende afkeer van Joden daarom met culturele en economische motieven: de meeste Joden beschouwden Nederland niet als hun vaderland en waren erop uit te profiteren van het volk dat hun gastvrijheid verleende’.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden