Eén dag cel of bullepees

UIT ONVERDACHTE bron kennen we de uitspraak van gouverneur-generaal A.W.F. Idenburg, die zich in 1912 buitengewoon kwaad maakte over het feit dat een al te kritische journalist van het Bataviaasch Nieuwsblad er was afgekomen met één dag hechtenis....

JAN BLOKKER

Van persvrijheid in de grondrechtelijke zin van het woord is in het oude Indië nooit sprake geweest.

Van zachte wenk tot harde hand is de titel van het proefschrift waarin Mirjam Maters even gedetailleerd als informatief de moeizame relatie beschrijft tussen 'Buitenzorg' en de Nederlandse, de Indonesische en de Maleis-Chinese kranten die in de kolonie verschenen. De harde hand heeft, voorzover bekend, nooit letterlijk tot een bullepees geleid, maar een dag cel werd door het Gezag al gauw beschouwd als een zachte wenk. En dan heeft Maters zich in haar terugblik nog beperkt tot de periode na 1906, dat wil zeggen vanaf het jaar dat het drukpersreglement van 1856 (door Thorbecke nog treffend 'een gewrocht der duisternis' genoemd) in zoverre werd 'geliberaliseerd' dat het artikel met betrekking tot de preventieve censuur eruit verdween.

Vóór die tijd lag de Europese pers in de kolonie - van een Indonesische was nog geen sprake - onder voortdurende overheidscontrole. We kennen de voorbeelden van tijdelijk of ook wel voorgoed stilgelegde drukkerijen, van gevangenisstraffen (onder anderen Daum, maar ook Brooshooft van De Locomotief), van allerlei vormen van afgedwongen zelfcensuur. We kennen ook het voorbeeld van Busken Huet, die zich in 1868 door de minister van Koloniën liet 'kopen' om als hoofdredacteur van de Java Bode enig conservatief tegenwicht te bieden aan al te grote journalistieke vrijzinnigheid.

De pers werd door de autoriteiten in zowel Nederland als Indië gezien als de natuurlijke vijand tegen wie alle middelen geoorloofd waren: juridische, bestuurlijke en economische. Het gros van de repressieve maatregelen werd getroffen tegen redactionele opinievorming.

De Nederlands-Indische dagbladen van de negentiende eeuw waren in maar zeer beperkte mate nieuws-kranten, maar des te scheutiger met het ventileren van oordelen. De hoofdredacteuren schreven hun vingers blauw aan meningen, opvattingen of bedenkingen aangaande de Atjeh-oorlog, maar er is nog nooit een verslaggever naar het omstreden Koetaradja afgereisd, en al zou hij het erop gewaagd hebben: geen schijn van kans dat hij in de buurt was gekomen.

Alle nieuws - afgezien van de gezellige tropenachterklap, of de passagierslijst van de laatste stomer uit patria - was regerings-nieuws, en de regering bewaakte het als een Cerberus. Zwijgplicht voor ambtenaren, informatiestops, scherp toezicht - een hele geheimhoudingscultuur was erop toegerust de persmuskiet en de inktkoelie (de namen zeggen het al) buiten de deur te houden.

De 'verzachting' van het drukpersreglement waarmee Maters haar onderzoek begint, leidde allerminst zoiets als een verlichte episode in - noch van de kant van de overheid (zie Idenburgs bullepees), noch van de kant van de kranten. Newsgetters of primeurjagers zouden de Indische journalisten (in de beste tradities trouwens van de meeste van hun Nederlandse collega's) nooit worden. Ook in kwesties waarvan je zou zeggen dat ze de samenleving in de nieuwe eeuw toch danig hebben beroerd - de agitatie van Multatuli's naneef Ernest Douwes Dekker, de opkomst van de Sarikat Islam, de communistische verkondiging van Sneevliet, de oprichting van de Partai Nasional Indonesia, de muiterij op de Zeven Provinciën - waren ze altijd eerder op opinie uit dan op feiten. Een analyse van wat het journalistieke handwerk in Indië precies voorstelde, lijkt Maters niet tot haar eigenlijke taak te hebben gerekend. Misschien hoefde dat ook niet, maar er blijft wel een element onverklaard dat vermoedelijk geen geringe rol heeft gespeeld in de permanente staat van oorlog tussen het zelfgenoegzame gezag en de kritische buitenstaanders: ik bedoel het feit dat het altijd een strijd is geweest om meningen, en maar zelden het soort gevecht waarbij een dapper leger waarheidszoekers opbokst tegen een bolwerk van geheimhouders. Je zou kunnen zeggen dat de Indische journalisten, voorzover ze in de problemen kwamen, de martelaar werden van hun overtuiging, maar zelden of nooit van hun kennis.

En daar gaat het in laatste instantie toch om; je kunt elke dag schrijven dat Clinton niet deugt voor z'n vak, maar het wordt pas de moeite waard als je zeker weet dat hij meineed heeft gepleegd.

Intussen schetst Maters met grote precisie en consciëntie het mechaniek van de machtsstrijd tussen het gouvernement aan de ene en z'n criticasters aan de andere kant. De wijze waarop ze daar de rol van vooral de Indonesische kranten en krantjes doorheen vlecht, voegt aan de studie een extra interessante dimensie toe: daar is tot dusver immers weinig of geen aandacht aan besteed.

De vraag blijft in hoeverre de hooghartigheid - of was het naïveteit dan wel eenvoudige domheid? - van de Indische overheid zich na 1945 tegen haar heeft gekeerd, toen tijdens het dekolonisatieproces een complete mediaoorlog op wereldschaal moest worden uitgevochten. De vraag valt buiten het bestek van Maters' boek, maar het is aardig haar in het verlengde van haar onderzoek nog eens onder ogen te zien: geconfronteerd met een internationale pers die geen boodschap had aan haatzaai-artikelen, breidel-oekazes of vermilderde drukpersreglementen, legden alle Nederlandse autoriteiten, inclusief de toch redelijk ervaren Van Mook, het qua 'media-intelligentie' op nogal deerniswekkende manier af tegen Soekarno.

Op één punt heeft Maters de verleiding om nog even tot na de oorlog te kijken, niet willen weerstaan. In een slotparagraafje vraagt ze zich af of het Nederlandse persbeleid bij wijze van 'koloniale erfenis' zou kunnen worden doorgetrokken naar de gang van zaken in het Indonesië van zowel Soekarno als Soeharto - en voorzichtig als ze is, komt ze tot de conclusie dat een 'ten dele bevestigend' antwoord op z'n plaats is. En niet alleen omdat de beruchte 'haatzaai'-artikelen uit 1914 door Jakarta al die tijd in ere zijn gehouden. Als het om repressie en de schending van een paar grondrechten ging, is Nederland een uitstekende leermeester geweest.

Mirjam Maters: Van zachte wenk tot harde hand - Persvrijheid en persbreidel in Nederlands-Indië, 1906-1942.

Verloren; 320 pagina's; * 49,-.

ISBN 90 6550 596 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden