Een DAF niet, de Kuip wel

Maar toen waren zijn ‘geheugenplekken’ dan ook zoiets als een wereldwijd concept, om niet te zeggen een internationaal product geworden.

Nora’s Franse plaatsen van herinnering, door de auteur uitverkoren als ‘symbolische entiteiten’ aller tijden, werden tot dusver in veel Europese en Aziatische landen vertaald. Maar bovenal inspireerden ze historici buiten Frankrijk tot variaties op de formule, die verwerkt zouden worden in nieuwe bundels vol eigen, nationale herinneringen. Oostenrijkers zijn bezig met een reeks Orte des Gedachtnisses. Duitsland heeft al zijn Deutsche Erinnerungsorte. En in Nederland verscheen gisteren het eerste (eigenlijk het laatste) deel van een vierdelige serie onder de titel Plaatsen van herinnering. Dank zij de Fransman wordt ieders vaderlandse geschiedenis in ere hersteld en als nieuw ervaren.

Voor Nora betekende het ongelooflijke succes inderdaad een letterlijke zegetocht. Er zullen intussen niet veel historici meer op aarde rondlopen die hun directe omgeving niet afzoeken op lieu de mémoire, of die niet over geschiedconcepten zijn gaan nadenken in termen die ze aan Nora hebben ontleend.

Was zijn vondst typisch Frans?

Als je denkt aan het klassieke Franse schoolboek Le Tour de France par deux enfants (al sinds 1877!) waarin twee weeskinderen heel Frankrijk doorkruisen om in elk departement een memorabele historische plek te bezichtigen en te bewonderen, ligt het antwoord voor de hand: heel erg Frans.

Uit dezelfde tijd dateert trouwens een beroemd kinderboek waaruit je niks hoefde te studeren, en waarbij je des te hartstochtelijker mocht griezelen en snotteren: Sans famille. Ook voor Hector Malot waren de omwegen door Franse dorpen, steden en landstreken en langs zoveel mogelijk glorieuze voorbeelden van Franse landbouw, veeteelt en industrie een opvoedkundige noodzaak. Alleen op de wereld liet zich lezen als een 19de-eeuwse Franse road-movie.

Honderd procent Frans dus.

Maar Fransen zijn de afgelopen decennia natuurlijk net als de rest van de volkerengemeenschap aangetast door het virus van wat wel eens de herinneringscultus is genoemd, en in het koortsachtige licht waarvan de grote ‘historische’ gedenkwaardigheden (het Alésia van Asterix, het Reims van Jeanne d’Arc, het Colombey-les-Deux-Églises van De Gaulle) dreigen te verbleken.

Hoe overdonderend was niet het lieu de mémoire dat in 1997 bij een tunneltje langs de Seine voor prinses Diana werd ingericht? Het beklijfde niet erg, maar daar staat tegenover dat snelle openbare herdenkingen intussen niet alleen allerwegen een vaste vorm hebben gekregen, maar ook een duizelingwekkende omloopsnelheid. Of je nou in Beiroet wordt doodgeschoten, of achter Apeldoorn tegen een boom rijdt, of in Kaapstad zinloos bent gestorven – het rouwbeklag met kaartjes, knuffels en bloementuiltjes schiet meteen massaal toe. Kort maar krachtig.

Werkt dat inflatoir op het geheugenbouwsel van Pierre Nora? Of hebben die spontane uitbarstingen van spijt en verdriet er voorlopig niks mee te maken, en moeten we maar rustig afwachten of in de zesde, geheel herziene druk van Plaatsen van herinnering, deel IV, voor de Linnaeusstraat van Theo van Gogh eenzelfde plek is ingeruimd als nu nog voor de lichttoren in Eindhoven, de bel van Slochteren of Het Lieverdje in Amsterdam? Maar wat zou in dat geval dan uit de vorige druk moeten wijken voor de onheilsstraat die de ‘entiteit’ van het 21ste-eeuwse terrorisme kan symboliseren?

Aangenomen dat toekomstige redacties trouw blijven aan de opdracht van de Leidse (emeritus-)historicus H.L. Wesseling, die als hoofdredacteur van de Nederlandse uitgave in zijn inleiding Nora’s project in alle eerbied ‘enigszins uit de hand gelopen’ noemde, en die daarom voorschreef dat elk Nederlands deel zou bestaan uit veertig hoofdstukken, en niks meer. Onze landgenoot had met zijn opmerking overigens niet alleen de nogal extreme Franse totaallengte (meer dan 5500 bladzijden) op het oog, maar ook het feit dat in Nora’s opvatting een lieu niet alleen een concrete, maar ook een overdrachtelijke ‘plaats’ kon zijn. Voor Nora moesten ook bijvoorbeeld de Citroën DS, of een fles Meursault Genevrières Dessus 1998 tot de onvergankelijke symbolen van de Franse geschiedenis gerekend worden.

Wesseling kwam met zijn medewerkers een aantal heldere uitgangspunten overeen. In de Nederlandse versie is een plaats een plaats en niet soms ook nog iets anders. De DAF-met-het-slimme-pookje kan hier evenmin tot een lieu de mémoire worden verheven als een bord erwtensoep. Veertig hoofdstukken dus per deel. En wat de tijdsindeling betreft: ‘veel aandacht voor het recente verleden’. De delen zullen respectievelijk gewijd zijn aan Oudheid en Middeleeuwen, aan 17de en 18de eeuw, aan de 19de, en ten slotte aan de 20ste. De vier maal veertig, dus honderdzestig onderwerpen die tussen nu en eind 2006 worden gepubliceerd, zijn al geselecteerd.

Hebben de bij elkaar 37 auteurs die het deel over de 20ste eeuw voor hun rekening namen, de instructies gevolgd?

Daar lijkt geen twijfel aan.

Rond de 560 pagina’s (inclusief mini-biografietjes en een register) is een heel ‘dragelijke’ omvang, temeer omdat het boek met z’n veertig onderscheiden onderwerpen vanzelf al afwisselend genoeg is. Een beetje nadeel bij zo’n opzet is altijd een zekere ongelijksoortigheid, zo niet van aanpak dan toch van uitwerking. Je krijgt niet de indruk dat Wesseling met een rood potlood voor taal en stijl als een onverbiddelijke eindredacteur de boel naar z’n eigen hand heeft willen zetten, en dat geldt evenmin voor Wim van den Doel, aan wie de redactie van dit vierde deel werd toevertrouwd. Dus merk je dat het ene onderwerp met een soevereiner pen is benaderd dan het andere.

Hebben de schrijvers zich ook gehouden aan de afspraak over wat een plaats is? Zo te lezen wel, maar de vraag is in hoeverre de keuzes regelrecht door het onbetwistbare belang van een lieu de mémoire zijn ingegeven, of dat men er vanwege z’n historische betekenis moeilijk om een onderwerp heen kon, waarna er een plaats bij is gezocht.

Of Pim Fortuyn – pas in 2001 als kandidaat-politicus landelijk beroemd geworden – überhaupt een plek in dit boek over de 20ste eeuw had verdiend, is al kwestieus. Maar was het ‘Palazzo di Pietro’ aan het Rotterdamse G.W. Burgerplein dan wel het bijpassende lieu de mémoire? Miljoenen Nederlanders hadden vóór de opzienbarende moord nooit van dat woonhuis gehoord, en zullen zich van daarna misschien alleen nog vaag de stapel ansichtkaarten, knuffels en tuiltjes bloemen herinneren – net zo’n stapel als bij het tunneltje langs de Seine waar prinses Diana doodging. Maar moesten we niet rustig afwachten of zo’n plek ooit méér ‘symbool’ zou worden dan we in onze plompverloren opwinding even hebben gedacht?

Neem anders de Amsterdamse Dam van 7 mei 1945 (toen SS’ers vanuit de Grote Club op de ‘bevrijde’ menigte schoten), die in een overigens mooi, stijlvast opstel meer vindingrijk dan vanzelfsprekend is gelieerd aan De tranen der acacia’s van W.F. Hermans. Wie of wat is hier wiens of welks lieu de mémoire?

Is de Beverwijkse Bazaar het eenduidige symbool voor de Nederlandse multiculturaliteit? Mag Ouwerkerk als pars pro toto van de Zeeuwse watersnoodramp gelden? Is de Rotterdamse Kuip een in ons collectieve geheugen bezonken voetbaltempel, of vond de redactieraad dat er iets met (beroeps)sport in moest, en kwam men toen algauw op het Feyenoord-stadion?

Dit zijn allemaal geen ‘kritische’ vragen, maar eerder overwegingen van een meelevende lezer. En die monden misschien uit in de conclusie dat je voor duurzame lieu de mémoire inderdaad een zekere ‘bezonkenheid’ nodig hebt, of noem het een canon-achtige afspraak over wat er echt toe heeft gedaan, en wat bij nader inzien niet veel meer was dan een ongedenkwaardige rimpeling van de vijver. Dus is extra de nieuwsgierigheid geprikkeld naar de delen over een verder verwijderd verleden.

Het is, hoe dan ook, een inspirerend project, dat aan de ene kant associaties oproept met Erflaters van onze beschaving (1938-40) van Jan en Annie Romein, over de selectie waarvan ook eindeloos kon worden gebekvecht, en aan de andere kant met de sterrenstrijd van de Michelingids. Maar dat laatste komt misschien om wat Wesseling in z’n inleiding vertelt over Nora’s invloed op het dagelijks leven in eigen land. Franse gebouwen kunnen tegenwoordig naar een plaats op de monumentenlijst dingen, niet om hun historische of architectonische waarde, maar om hun betekenis als lieu de mémoire. Zo is Fouquet’s aan de Champs Elysées indertijd op de lijst gekomen.

Als je dat als historicus voor mekaar krijgt, heb je inderdaad een zegetocht achter de rug.

Wim van den Doel (red): Plaatsen van herinnering – Nederland in de twintigste eeuw. Bert Bakker; 558 pagina’s; tot 1 januari ¿ 34,95, daarna ¿ 39,95. ISBN 90 351 2856 7.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden