Een carnavaleske uitvergroting van wat we zijn

Rond 1988 vielen alle puzzelstukjes in elkaar: media-aandacht, commercie, entertainment, politiek. En, niet onbelangrijk, er was sportief succes. Het Oranjegevoel, geboren in 1966....

Het ultieme Oranjegevoel van 2010 zit in een oranje jurkje dat DutchDress heet en dat door bierbrouwer Bavaria voor 9,99 euro te koop werd aangeboden bij aanschaf van acht blikjes bier. Werd, want de DutchDress is uitverkocht. Er zijn er 200.000 van over de toonbank gegaan en op Marktplaats wordt er zonder gêne 30 euro voor gevraagd.

Vier jaar geleden was de Jagershoed – tevens toeter – van Heineken het succesvolste symbool van het Oranjegevoel, maar dit jaar heeft Heineken met zijn Pletterpet de slag verloren. Het is zaak in een DutchDress plaats te nemen op de tribune of thuis op de bank – mannen in DutchDress worden in kringen rond het Nederlands elftal niet als travestiet gezien, maar als gezellige sfeermakers die de stemming erin weten te brengen.

Zuur voor Heineken, want het merk is een van de hoofdsponsors van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond. ‘Het merk Heineken associeert zich als biermerk van nationale trots al lange tijd met de Oranje-prestaties’, staat er op de site van de KNVB. Dus dan wil je graag de fans met je eigen Pletterpet zien, en niet in de DutchDress van de concurrent.

Het Oranjegevoel.

Wat is het? Sinds sportploegen en sporters voor Nederland aan internationale wedstrijden meedoen, bestaat het, de identificatie van de sporter met zijn land en die van de supporter met de sporter.

Maar pas sinds een jaar of twintig is het Oranjegevoel veranderd in een collectieve theatervoorstelling die in de wereld zijn weerga niet kent. Een heel land kleurt oranje rond een groot voetbaltoernooi en een volk dompelt zich onder in een gezamenlijke roes.

Henk van Houtum, politiek geograaf aan de Radboud Universiteit van Nijmegen, publiceerde de afgelopen jaren veel over nationalisme en de nationale identiteit. Hij is tevens gek van sport. Dat komt mooi uit, want tussen sport – en met name voetbal – en de vragen rond nationalisme en identiteit bestaat een sterk verband.

Of, zoals de Engelse sportsocioloog Richard Giulianotti constateert in zijn boek Game without Frontiers: Football, Identity en Modernity: ‘Voetbal is een van de grote culturele instituties, naast onderwijs en de massamedia, die nationale identiteiten vormgeven en bijeenhouden in landen over de hele wereld.’

Van Houtum: ‘Het is niet zomaar iets. Het is groot.’

Wat zijn we aan het doen, in onze DutchDress met bijpassende Pletterpet?

Van Houtum: ‘Het is een aardige vorm van nationalisme. Een carnavaleske uitvergroting van wat we zijn, of van wat we denken te zijn. Het Oranjegevoel verbindt, verbroedert. Dat is mooi. Het is ons eigen nationaal theater, waarin iedereen zijn rol speelt. De spelers, de trainers, het publiek, de media. Het is een gezamenlijk beleefde droom, waarvan we vinden dat niemand die mag verstoren.’

Van Houtem zegt dat de natiestaat een 19de-eeuws bedenksel is, een verbeelde gemeenschap van mensen. Dus het Oranjegevoel is ook een constructie. Het hoort bij de tradities, beelden en identiteiten die de natie van een fantasie tot iets reëels maken.

Wij houden van Oranje, om zijn daden en zijn doen!

Elf jongemannen, van wie de meesten in het buitenland voetballen, trekken moedig ten strijde tegen de vijand (maandag de vermaledijde Denen) op een grasveld in een arena. Wij hebben tegen de jongemannen gezegd dat zij daar niet voor de kat zijn viool staan te ballen, maar voor de eer van de natie. En niet alleen voor de eer van de natie, ze staan er namens ons.

De identificatie met het voetbalteam is de hang naar erkenning door de rest van de wereld. Maar dan moeten die gasten wel een beetje knap voetballen en winnen, anders ziet de wereld behalve hen ook ons als losers.

Ze staan er om te laten zien wie wij zijn, waarvoor wij staan. Hoewel maar weinig voetballers er de filosoof Peter Sloterdijk op hebben nageslagen, werken ze volgens Van Houtum wel mee aan Sloterdijks idee van de natie ‘als zelfportret’, waarin een volk zichzelf ordent in de barre woestenij van de mondiale ruimte.

De hand op het hart van de voetballer als het volkslied weerklinkt, is zijn ‘nee’ tegen het idee van de dood van de natie, aldus Van Houtum.

En als de scheidsrechter heeft gefloten, laat hij zien hoe dat ‘nee’ er in de praktijk uitziet. Wat ons zoal onderscheidt van die andere slapjanussen en valsspelers op voetbalschoenen.

Onze Jongens van Oranje: creatief, aanvallend, brutaal, vrolijk, vrijmoedig, verrassend: precies het beeld van onszelf dat we graag presenteren aan de wereld.

En tolerant ook nog. Als Ibrahim Afellay de winnende treffer maakt in de finale, is hij geen Marokkaan meer, maar een van onze jongens. Dat is het fijne pragmatisme van de sport en de ruimdenkendheid van het Oranjegevoel. En maar juichen.

Als er naast je op de tribune ook iemand met een Pletterpet staat, schept dat een band. Sterker, het schept duidelijkheid. Van Houtum: ‘Het ordent. Je maakt deel uit van een ‘wij’. Het is herkenning en erkenning. Het is zelfbevestiging. Het stimuleert een goed gevoel over jezelf, het is een zeer aantrekkelijke roes.’

Van Houtum citeert Erasmus, uit Lof der Zotheid: ‘Dwaasheid werkt als een fantasie die de pijn van het alledaagse verzacht.’

Het Oranjegevoel is een nationale maskerade die, als het een beetje meezit met de uitslagen, uitloopt op wat Van Houtum een ’orangasme’ noemt -de culminatie van de collectieve Oranje-extase.

Sinds wanneer doen we dat, die Oranje-orgie?

Op 30 april 1905 speelde het Nederlands elftal zijn eerste interland, tegen België in Antwerpen. Maar het Nederlands elftal heette nog geen Oranje. De jongens speelden niet eens in het oranje, maar in een wit shirt met een rood-wit-blauwe sjerp.

Het oranje shirt kwam pas twee jaar later. ‘Oranje’ als synoniem voor ‘het Nederlands elftal’ stamt van veel later, van het WK in West-Duitsland, in 1974.

Maar je moet ergens beginnen en toen we in 1913 op Houtrust onze eerste zege op de Engelse amateurs boekten, sloop er al iets van Oranjegevoel van de tribunes. Niet alleen de elf helden hadden het perfide Albion aan de zegekar gebonden, maar wij ook. Sinds Michiel de Ruyters tocht naar Chatham waren de Engelsen niet meer zo vernederd.

Van het moderne Oranjegevoel was nog geen sprake, niemand had een DutchDress aan of een Pletterpet op de kop, maar er was potentie, dat was duidelijk.

In 1934 plaatste Nederland zich voor het tweede wereldkampioenschap voetbal, in Italië. Dit schreef De Telegraaf voor de beslissende kwalificatiewedstrijd tegen Ierland: ‘Onze jongens zullen en willen naar Rome. Het legioen – dat zijn de krijschende en brullende en tandakkende toeschouwers! – heeft nu een taak, grootscher en schooner dan ooit. Wij moeten een jubel van geestdrift door het stadion laten gaan, dit legioen moet een voortdurende prikkel zijn voor de geestdrift, de energie en het heilige willen en heilige vuur van de Oranje-jongens in het veld, die vechten voor een ideaal, dat plotseling het ideaal van ons allen is geworden.’

Daar waren ze, de Oranje-jongens. Daar was het gedeelde ideaal. Daar was de gezamenlijke vijand, de ellendige Ieren die in eendrachtige samenwerking tussen de helden op de mat en die op de tribunes van het slagveld moesten worden geveegd (wat lukte: 5-2). Daar was het Oranjegevoel.

Dat werd later nog versterkt toen een legioen van ongeveer zesduizend fans per trein, auto of fiets over de Alpen naar Milaan reisde, voor de strijd tegen de Zwitsers, die helaas te sterk bleken (3-2).

Het was nog een kaal Oranjegevoel; het was crisistijd en aan toeters en bellen bestond nog weinig behoefte, laat staan aan vuvuzela’s. Er was nog geen brede belangstelling voor een andere God dan de enige echte, maar de sport liet zien er klaar voor te zijn, mocht een vervangende religie gewenst zijn.

Volgens sporthistoricus Marnix Koolhaas werd het echte Oranjegevoel geboren op 22 en 23 januari 1966, op de ijsbaan van Deventer. Het was bij het Europees kampioenschap schaatsen voor mannen, Ard Schenk won, Kees Verkerk eindigde als tweede. Op de tribunes zaten voor het eerst in oranje gehulde supporters en na afloop klonk het ‘Hup, Holland Hup’.

Maar het belangrijkste was, dat de wedstrijd live op televisie was te volgen. Er waren oranje helden, er was oranje succes en de verbeelding van de camera vergrootte alles uit en verspreidde de boodschap over het land. Henk van Houtum: ‘Het aansturende effect van de massamedia is enorm belangrijk geweest voor het ontstaan van het Oranjegevoel.’

Met het medium televisie werd ook voor de commercie het Oranjegevoel van groter belang. Net zoals het voor politici en hoogwaardigheidsbekleders voortaan interessant was om prominent op de eerste rang te zitten en het Oranjegeloof ostentatief te belijden. De koningin was in Deventer aanwezig, een hofdame hield keurig de rondetijden voor haar bij.

Het Oranjegevoel wordt volgens Van Houtum van diverse kanten gevoed – meestal uit eigenbelang. ‘Als je een bedrijf hebt, en je wilt aan klantenbinding doen, kan dat prima door te appelleren aan de nationale devotie. Aan Oranje. Maar daarvoor moet die devotie wel worden gevoed, door reclame, door de media, door de entertainmentindustrie.

‘De media hebben er ook belang bij. Niet voor niets heeft het Oranjegevoel een grote vlucht genomen sinds de komst van de commerciële tv. Die gaf de mensen het nieuws dat ze wilden zien.’

Politici en koninklijk volk hebben de argumenten die al gelden sinds de Romeinen: tevreden Oranjefans zijn geen revolutionairen en iets van de successen op het veld straalt altijd door naar de gekozene of gekroonde op de eretribune.

Kroonprins Willem-Alexander eigende zich een tijdlang het Oranjegevoel persoonlijk toe, door van de tribune af te dalen en het op een hossen te zetten met de winnende sporters, alsof hijzelf had gezegevierd.

Rond 1988 vielen alle puzzelstukjes in elkaar: media-aandacht, commercie, entertainment, politiek. En, niet onbelangrijk, er was sportief succes.

Het Nederlands elftal was bij het begin van het WK van 1974 nog geen ‘Oranje’, maar aan het eind wel. Terwijl de oefenwedstrijden voor het toernooi amper bekijks trokken, zat het stadion voor de eerste wedstrijd tegen Uruguay opeens vol met 25 duizend voornamelijk in oranje uitgedoste supporters.

Een paar weken daarna zat bij de finale in München het halve kabinet op het ereterras. En even later ging premier Den Uyl voorop in de polonaise in de tuin van paleis Soestdijk, ter viering van de tweede plaats. Vier jaar later was er weer een finaleplaats, in Buenos Aires.

Het zijn volgens Van Houtum de ‘ijkpunten’ van het Oranjegevoel, ‘66’, ‘74’, ‘78’, ‘88’: zoals ‘1600’ een van de ijkpunten van de natiestaat Nederland is. Het zijn de verhalen die het moderne Oranjegevoel van perspectief voorzien, legitimeren en in een historisch kader plaatsen.

Zonder ‘74’ was ‘88’ nooit het startpunt van het heftige hedendaagse Oranjegevoel geweest.

Want in dat laatste jaar won Nederland in de halve finale van het EK van West-Duitsland: revanche! Naar schatting negen miljoen van de vijftien miljoen Nederlanders vulden straten en pleinen en juichten als het stoplicht op oranje sprong.

Sindsdien is het Oranjegevoel het nieuwe opium van het volk, de ‘extacy van Oranje’ noemt Van Houtum het. De roes is er tijdens schaatstoernooien en de Winterspelen – terwijl zijn kabinet op instorten stond, reisde premier Balkenende nog even snel naar Vancouver om zich op de tribune en in het Holland Heineken House te tonen aan het volk.

En tijdens elk toernooi waarvoor de voetballers van Oranje zich plaatsen komt het terug, steeds heftiger lijkt het wel. Alle actoren doen hun best het Oranjegevoel nog te versterken. Er is media-aandacht voor de kleinste details. De hamstring van Arjen Robben is voorpaginanieuws. Bert Maalderink informeert bij bondscoach Bert van Marwijk naar details die hij zijn eigen vrouw niet zou voorleggen. Volwassen mannen ‘analyseren’ met gewichtig gezicht het karakter van de reservelinksback en de komst van een spelersliefje.

Iedereen speelt met verve zijn rol in het Oranjesprookje, en we kunnen er geen genoeg van krijgen.

Van Houtum: ‘De Oranjeroes duurt tot de uitschakeling, de ontmaskering. Dan zien we onszelf, voor de zoveelste keer beroofd van ons zelfgemaakte sprookje. Het vulde heerlijk, het gaf een heerlijke roes, maar het was verder vrij leeg.’

En dan is het wachten tot we de leegte weer vullen, met de oranjekoek van het EK van 2012.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden