Een barst in het bewustzijn

IN DE POEZIE van de Zweedse dichter Lars Gustafsson zit een tamelijk verontrustende ondertoon van berusting. Hij is, zo te zien, een ordelijk mens, een gedisciplineerd denker, een dichter die niet aan een gedicht begint voordat hij weet hoe het af zal lopen en wat hij ermee wil zeggen....

Michaël Zeeman

En dan nog met lichte hand, zonder zich al te veel om poëtische taal of een herkenbare poëtische vorm te bekommeren. Hij beschrijft, hij constateert en soms redeneert en concludeert hij zelfs. Rustige poëzie is het, poëzie van iemand die zich niet laat meevoeren door zijn plotseling opwellende emoties, of door een overrompelend idee. Ze is bovendien geschreven in een weinig spectaculaire taal: beheerst, nuchter, alledaags. Een nette man, die Gustafsson, een burgerman, vermoedelijk.

Zoveel gemoedelijkheid, zoveel aanvaarding, waar is het goed voor? En levert het meer op dan beschrijvende gedichten, gedichten waarin meer wordt bewerkstelligd dan het boekstaven van het triviale - een aanpak die we uit zoveel van dergelijke in alledaagse taal gevatte constaterende poëzie kennen?

Ja, veel meer, onrustbarend veel meer.

Dat komt door Gustafssons poëtische bronnen en de kennelijke overwegingen die aan zijn poëtische taalopvatting ten grondslag liggen.

Gustafsson is behalve dichter ook filosoof, taalfilosoof. Lange tijd heeft hij afwisselend in Zweden en in Austin, Texas, gewoond; in die laatste plaats bekleedde hij een voorname positie in de academische wijsbegeerte. Als je het eenvoudig wilt houden, kun je zeggen dat de taalfilosofische opvattingen van de analytische wijsbegeerte uit de jaren vijftig en zestig doorklinken in zijn gedichten: ordinary language maakt er de dienst uit, 'alleen wat kan gezegd is het geval' en door middel van poëzie wordt een poging gedaan uit te drukken waar soms bijna geen woorden voor zijn - 'don't think, but look'. Maar het is, vermoedelijk, nog net iets ingewikkelder.

Die opvatting van de filosofie en die speciale poëtica ontspringen bij Gustafsson aan eenzelfde bron; ze zijn geen explicaties van elkaar, maar complementen. Wat de dichter doet, rijmt met de inzichten van de filosoof, de filosofische opvattingen worden bevestigd door wat de dichter vindt en dat komt doordat er een zekere harmonie tussen die beide uitdrukkingsmiddelen optreedt. Zijn filosofie wordt daar niet poëtischer van, noch zijn poëzie filosofischer (dat zou triviaal zijn), maar samen suggereren ze een wereldbeeld of althans een houding.

In Een raadselachtige verdwijning, de royale bloemlezing uit Gustafssons poëzie die J. Bernlef verzorgde, zie je meteen de twee bronnen van zijn dichtwerk: de natuur en de cultuur. Slapper kun je het niet zeggen, globaler evenmin - en dat is nu net wat Gustafssons poëzie, in weerwil van de weidse benadering die eraan ten grondslag ligt, nooit is, slap of globaal. Natuur en cultuur: we zijn geneigd die twee als tegengesteld te zien en in een begrip als 'cultuurlandschap' een geforceerde en dus voorlopige oplossing te zien. Waar de cultuur begint, houdt de natuur op, in ieder geval de vrije natuur - en is er, welbeschouwd, een andere?

Als een dichter zijn inspiratie uit beide put, heeft hij dus iets uit te leggen. Gustafsson gebruikt bovendien vooral de exacte, de technische kant van de cultuur; hij schrijft over oude machines, over het probleem van Euler (logica, wiskunde), vraagstukken uit de akoestiek, astronomie. Je kunt daaraan zo zien dat hij weet waar hij het over heeft. 'In de stad Koningsbergen in Pruisen/ ligt een eiland dat Kneiphoff heet,/ omgeven door twee armen van de Pregel./ Zeven bruggen leiden over die twee armen.' Zo begin je een college in de geschiedenis van de wiskunde, geen gedicht.

In de tweede strofe gaat dat zo verder: 'Zeven bruggen. En ieder slechts één keer./ Het water is nu bijna overal te horen./ Het blinde water, zwart water,/ nachtelijk water. Drie soorten water.'

Zo maak je er, inderdaad, weer een gedicht van, en breng je jongerejaars studenten wiskunde van de wijs. Het ene ogenblik lijkt de schrijver erop uit zijn gedicht te 'verinneweren' door er een college van te maken, een tel later verziekt hij zijn college. De korzelige verstandhouding tussen cultuur en natuur vertaalt zich in eenzelfde stroeve omgang tussen poëzie en wetenschap.

Maar het rare is dat Gustafsson daar iedere keer weer lijkt uit te komen - of beter gezegd: zich daaraan lijkt te onttrekken. Dat kan op het eerste gezicht op een beetje een flauwe manier gebeuren. 'De bruggen in Koningsbergen', laatste strofe: 'Om achtereenvolgens over zeven bruggen te lopen/ en over iedere brug slechts één keer,/ is, zo zegt de mathematicus Euler,/ in feite een achtste brug nodig. Die is er niet./ Dat verdomde ijs, dat maar niet wil bevriezen.'

Dat dat geen flauwe grap is, maar een gelaten constatering, zie je pas als je het gedicht in zijn geheel herleest (er zijn nog vier strofen), en nog weer beter wanneer je heen en weer begint te lezen in de hele bloemlezing. Dan beginnen al die kleine lessen, al die constaterende beschrijvingen, op een akelige manier te interfereren. Wat aanvankelijk vast en zeker scheen, blijkt als los zand aan elkaar te hangen en het is de dichter die probeert daar een vorm aan te geven. Tamelijk wanhopig, meen ik. Onder de rustige toon schemert de beheersing, de zelfbeheersing - en die duidt op alles, behalve op kalmte en zekerheid.

Geen strengere bezweringsmuziek dan die van Johann Sebastian Bach. Ordentelijke lessen in contrapunt op het klavier, met rekenkundige nauwgezetheid geconstrueerd, en litanieën, op het rituele af, in de cantaten en de passies. Gustafsson grijpt die disciplinaire bezweringsformules aan voor een gedicht dat 'De stilte van de wereld voor Bach' heet: wie de titel leest en er even bij stil blijft staan, voelt hoe zich een ijzingwekkend ravijn in zijn hoofd opent. Dus u bedoelt, meneer de dichter, een wereld waarin geen, en geen, en al evenmin. . .? Er is een tijd geweest dat ze er niet waren, die melodieën, die mogelijkheden ons niet ter beschikking stonden.

Dat is onvoorstelbaar; ze 'kloppen' immers zozeer dat ze vast voor Bachs tijd ergens gezweefd hebben, ergens in de tijd, in de ruimte, in de harmonie der sferen. Toch?

Toch niet, en Gustafsson maakt daar gebruik van. De constatering, die aanvankelijk het karakter droeg van een aardig gedachte-experiment, wordt een bom, produceert een barst in het bewustzijn - en op een linke manier wordt een verband geforceerd tussen de cultuur en de natuur. De op zichzelf juiste feitelijke bewering roept een raadsel op. 'Zwaluwen zwermend in de zomerlucht/ schelp waar het kind aan luistert/ en nergens Bach, nergens Bach/ schaatsstilte van de wereld voor Bach.'

In de weergaloos mooie 'Ballade over de voetpaden van Västmanland' gebeurt het omgekeerde. 'Onder het zichtbare schrift van zijwegen,/ grindwegen, boerenwegen, vaak in het midden met een/ kam van gras tussen diepe wielsporen,/ verborgen onder stapels gekapt rijshout,/ nog duidelijk in het kapotgedroogde mos,/ loopt een ander schrift: de oude voetpaden.'

We volgen ze, samen met de dichter, en zo evident als ze zijn - zo man-made, zo 'cultureel' -, ineens onttrekken ze zich aan onze controle, aan ons begrip. 'Wie vormden het pad?', vraagt de verbouwereerde dichter. Hij slaat aan het opsommen, hij vormt zijn plausibele hypothesen - maar het helpt geen barst. 'Allen en niemand.' En vervolgens komt er dan toch een suggestie, en zingt de dichter zich los van het alledaagse, van het betrouwbare zowel als van het verwarrende.

'Allen en niemand. Wij maken het tezamen,/ ook jij, op een winderige dag, wanneer het/ vroeg of laat is op aarde:/ wij schrijven de paden, en de paden blijven bestaan,/ en de paden zijn verstandiger dan wij/ en weten al datgene wat wij zouden willen weten.'

Het is gewoon en het is bijzonder, het is eenvoudig en het is wijs, het is een alledaags gegeven en het is voornaam, het is constaterend en het is troostrijk. De dichter is een wandelaar, de wetenschapper staat voor een raadsel - wat verdwijnt is de zekerheid en hij weet dat daar niets aan te doen is, ja dat je er ook helemaal niks aan moet willen doen.

Probeer dat, zo nuchter als het er staat, maar eens met droge ogen te lezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden