Een bacchanale vergissing: Kamasoetra is een parodie

Wie zich een rijk en gevarieerd seksleven toewenst, heeft een eeuwenoud handboek tot zijn beschikking. Kamasoetra schotelt 64 standjes voor en vele variaties van strelen, kirren, krabbelen en masseren.

Kamasoetra is al eeuwen het huisboek in ieder gedegen hindoehuishouden, althans, zo wordt geloofd. En het ‘standaardboek over de wetenschap van liefde bedrijven’ biedt de gehaaste, materialistische mens van nu verdieping, in de vorm van (geïllustreerde) verleidings- en hoogtepunttechnieken. Het geeft spirituele grond aan genot, hogere waarde aan lusten.

En toen, vijf weken geleden, berichtten de kranten over een nieuw onderzoek. Een Leidse Sanskrietgeleerde heeft het handboek voor het eerst direct vertaald uit de oorspronkelijke taal. Hij heeft ook andere boeken uit die tijd gelezen, vergeleken en een conclusie getrokken.

De Kamasoetra is een parodie. Het blijkt een persiflage van een bekend Indiaas boek over macht en koningschap. Er wordt in geveinsd dat seks even gewichtig is als het leiden van een land. Kamasoetra is een grap, de Jiskefet van toen, die wij hedonisten bloedserieus als leidraad nemen voor ons slaapkamerleven.

Historische vergissingen kunnen geestig zijn. Neem Michelangelo. Dagelijks lopen er in de San Pietro in Vincoli in Rome tientallen bezoekers langs zijn marmeren kolos van een priemend kijkende Mozes, denkend ‘ach, die hoorns op zijn hoofd, het zal er wel bij horen’. Terwijl hoorns op het hoofd van een bijbelse grootmacht toch niet voor de hand liggen. Een vergissing: een vroege bijbelvertaler koos nét de verkeerde betekenis van het Hebreeuwse woord ‘keren’, dat zowel hoorngroei als lichtstralen betekent. Het goddelijke licht rond Mozes’ hoofd veranderde hem – bij Michelangelo en in een aantal andere voorstellingen – in een koppige bok. En mensen slikken het, tot de dag van vandaag.

De geschiedenis wordt doorgaans serieuzer genomen dan het heden. We bestuderen de geschiedenis alsof alles wat gedaan is met voorbedachten rade was. Toeval, humor en vergissingen worden niet zo snel herkend.

En zo ontstaat nieuwe mythevorming. De tentoonstelling Vom Mythos der Antiken in het statige Kunsthistorisches Museum in Wenen heeft haar eigen Kamasoetra. In vier schilderijen laten renaissance- en barokschilders hét klassieke verhaal van onbekommerd seksueel plezier en losbandigheid zien: een bacchanaal. Feesten, triomftochten en verhalen rondom de god van wijn en vruchtbaarheid worden met veel vol vlees en lome verzadiging uitgebeeld. Vooral de Vlaamse Rubens weet het grenzeloze, bijna verveelde genot goed vorm te geven. Een vrouwelijke satyr zoogt twee baby’s, die de gezichten van oude mannen hebben. Haar dikke borsten worden ruw naar de zijkanten gesjord. De stomdronken bosgod Silenus, leermeester van Bacchus, wordt ondersteund door zijn kinderen. Een oude bok berijdt een zwarte vrouw, door Rubens als toonbeeld van primitief leven beschouwd. Wilde dieren kijken toe. Het is mooi, vies, wild en duister tegelijk, zowel in de afbeelding als in de verf. Kunstenaar Maarten van Heemskerck houdt het iets rustiger met zijn Triomftocht van Bacchus, hoewel hij zich met de wijdbenige naakte acrobatiek en bezopen Bacchus ook wel wat vrijheden toestond. Sebastiano Ricci’s Bacchanaal heeft iets meer van een bloot schoolballet, en Nicolas Poussin doet alsof naakt hangen in een bosveld het meest gracieuze is wat een god zou kunnen doen.

Wij vinden het volkomen normale, zelfs chique voorstellingen. De schilderijen hangen al jaren in statige musea en het zijn immers klassieke verhalen, gangbaar in de oudheid? Mis. In dezelfde zaal hebben de tentoonstellingsmakers een bronzen plaquette gehangen die de schilderijen in een ander licht stelt. Het Senatus Consultum de Bacchanalibus, gedateerd 186 voor Christus, vaardigt in Latijn een algemeen verbod uit op bacchanalen en andere culthandelingen ter ere van de god Bacchus. De Zuid-Italiaanse senaat bepaalt erin dat de rituele handelingen onacceptabel zijn, een bedreiging voor de Romeinse staat, en noch op privégrond, noch in openbare gelegenheid kunnen plaatsvinden. Bacchanalen wáren helemaal niet normaal in de klassieke oudheid.

Wat het museum maar wil zeggen: die oudheid, die zo ruimhartig werd hervonden en onthaald in de Renaissance – zó gretig verwelkomd dat het hele tijdperk er zijn naam aan ontleent, die oudheid kan nog wel eens verkeerd zijn geïnterpreteerd. Of op zijn minst verbogen zijn naar de mores en verlangens van de ontdekkers.

Over die mores is het museum eenduidig. Van de 38 schilderijen en beelden die er te zien zijn, zijn er 27 bewoond door naakte mannen en vrouwen.

De klassieke verhalen waren een mooi excuus om schoonheid, naakt en erotiek te verbeelden. Kijk naar Amor en Psyche. De schoonheid Psyche, symbool voor de ziel, viel voor de charmes van de god Amor, die per ongeluk zijn liefdespijlen op zichzelf had gericht toen hij voor haar een kandidaat zocht. Psyche haalde zich er schoonmoederellende mee op de hals; Amors moeder, liefdesgodin Aphrodite, wilde niet graag van de troon gestoten worden als mooiste. Het komt goed: ze mogen toch trouwen. In Wenen is goed te zien hoe kunstenaars een eigen invulling aan het verhaal gaven. De 18de-eeuwse Pompeo Battoni maakte een mierzoete huwelijksscène, met Aphrodite die genereus haar hand reikt aan het liefdespaar. En de Zwitserse Johann Heinrich Füssli maakte er er eind 18de eeuw een tragisch-gotische versie van, met de lelieblanke, schijnbaar dode Psyche in de armen van haar geliefde, omringd door duisternis.

Andere schilderijen hebben niet eens een liefdesverhaal nodig om verleidelijk verbeeld te worden: Niobe is in haar wanhoop om de moord op haar zeven kinderen verleidelijk als een fee, haar kinderen liggen als slapende adonissen opeengestapeld op een schilderij van Abraham Bloemaert. En zo homo-erotisch als Hercules Antaeus vermoordt, was er in de kunstgeschiedenis vóór beeldhouwer Giambologna zelden een moord gepleegd.

Het Kunsthistorisches Museum maakt één ding duidelijk: de klassieke mythologie krijgt vanaf de vroege Renaissance een decoratieve, aardse lading. De muzen worden sexy danseressen naast een dromende Apollo, de helden uit Ovidius’ Metamorfosen zijn voornamelijk bevallig, de goden worden op een heel nieuwe manier naar de aarde gehaald.

De reputatie van de Renaissance als tijdperk van nieuw menselijk intellect en herontdekking van oude beschavingen lijkt daarmee lichtelijk te gaan glijden. Náákt is wat ze wilden. En aangezien het in die tijd ondenkbaar was om zo maar een vrouw in haar blootje af te beelden (de voorbeelden van naakt zonder historisch, bijbels of mythologisch sausje zijn heel schaars) werden de naaktmodellen verpakt als Danaë, Suzanna, Aphrodite of zelfs Niobe. Dat lijkt overtrokken? Van Titiaans opdrachtgevers, de hertog van Urbino en de Spaanse koning Filips II, is bekend dat ze expliciet om ‘een naakt’ vroegen. Geen woord over Venus of Danaë, gewoon naakt graag.

Wat wel spijtig is: dat het museum niet veel méér zegt dan dat. Terwijl het verhaal over het toe-eigenen en actualiseren van de klassieke oudheid daar niet bepaald ophoudt. Met de goden werd, en wordt nog steeds, op alle mogelijke manieren aan de haal gegaan. In de tentoonstelling is dat slechts met een enkel werk zichtbaar: het prachtige schilderij van de oorlogsgod Mars door Diego Velázquez bijvoorbeeld, die helemaal tegen zijn karakter in een melancholische houding zijn wapens heeft afgelegd en op een stapel doeken is neergeploft.

Maar het gaat veel verder. De klassieke verhalen zijn sinds de Renaissance exemplarisch geworden. De godenmythen en legenden werden archetypen voor ons theater en literatuur – Pygmalion voor My Fair Lady, Pyramus en Thisbe voor Romeo and Juliette, enzovoort. Ze gaan over het menselijk streven en falen en blijken daardoor steeds weer toepasbaar. Dat gebeurt nu in theateruitvoeringen waarin het publiek parallellen met de huidige politieke onrust kan herkennen. Maar dat begón toen, in literatuur en schilderkunst.

Zij, de kunstenaars van de Renaissance, hebben onze interesse in de klassieken aangewakkerd. Shakespeare vertaalde de mythen naar theater, de schilders gaven er beeld aan.

Rafaël actualiseerde klassieke denkers Plato en Aristoteles in de slaapkamer van de paus in het Vaticaan door zichzelf en collega Michelangelo naast hen te plaatsen. Het gaf hem als kunstenaar meteen status. In de literatuur was het Dante Alighieri die zich in zijn La Divina Commedia (1306-1321) liet vergezellen door de klassieke Virgilius.

Rubens was misschien wel de belangrijkste schilder die de oudheid actualiseerde. Hij verbeeldde de mythen, terwijl daarin vaak een duidelijke parallel met de eigen tijd lag. Een serie tapijtontwerpen over Achilles die Maria de’ Medici bij de schilder bestelde, gaat bijvoorbeeld óók over haar relatie tot haar zoon, prins en latere koning van Frankrijk Lodewijk XIII. Met de heldhaftige Trojaanse prins Achilles en zijn onverschrokken moeder Thetis, die hem (bijna) onsterfelijk maakte door hem als baby in de rivier Styx te dopen,trok Rubens een verband en streelde de reputatie van de koningin en haar zoon.

Ook in Nederland werd het verleden ingezet om het heden te duiden. Soms gaat het om mythen, soms om legenden uit de oudheid. In menig stadhuis hangen 17de-eeuwse schilderijen waarin de heroïek van de politici benadrukt wordt. Neem Rembrandts De samenzwering van Claudius Civilis (1661), ooit in het stadhuis op de Dam, nu in het Nationalmuseum in Stockholm. Civilis, de leider van de Batavieren, kwam in opstand tegen het Romeinse gezag. De parallel met het Hollandse verzet tegen de Spaanse koning laat zich makkelijk raden. In andere zalen hingen schilderijen van Ferdinand Bol met dergelijke historische heroïek, in Haarlem hanteerde Jan de Bray het trucje met verschillende schilderijen, in Huis ten Bosch hingen ze ter ere van Frederik Hendrik en Amalia van Solms, enzovoort.

Die ‘geactualiseerde klassieke kunst’ is divers en internationaal. De Weense poging om dit te laten zien is ongekuist, maar niet erg toeschietelijk. We houden nog steeds van Medea, Pyramus, Icarus, Hercules en Orpheus omdat die Renaissancekunstenaars de klassieke figuren ontdekten en lieten zien dat ze menselijk zijn. Mede daarom zijn de verhalen vehikels geworden om ontwikkelingen van nu bloot te leggen. Een iets bredere aanpak in de tentoonstelling was dan ook prettig geweest. Nu doet het wel erg denken aan de wens van koning Filips II aan Titiaan – whatever, als het maar naakt is.

Abraham Bloemaert, Apollo en Diana bestraffen Niobe, 1591.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden