FilmDe filmkunst van het auto-ongeluk

Een auto-ongeluk in de film kent vele gedaanten. Ter ere van David Cronenbergs Crash zetten we ze op een rij

Vanaf deze week is Crash weer te zien, een gerestaureerde versie van de cultklassieker uit 1996. Een film vol gruwelijke auto-ongelukken én seks, die destijds tot verontwaardiging leidde. 

Crash in The Fast and the Furious (2001).Beeld Imageselect

Al is het hoogst uitzonderlijk hoe in David Cronenbergs Crash autobotsingen, seks en geweld samenkomen, met die excentrieke crashes staat de film in een lange, rijke traditie. Sinds de vroegste dagen van de cinema (en die van de auto) zijn films mateloos gefascineerd door op elkaar knallende carrosserieën, piepende banden, ontploffingen en splijtend chroom. Het filmauto-ongeluk is een genre apart: nu eens een murw makend spektakel, dan weer een plotelement dat het verhaal hardhandig een andere kant opduwt. V zet de vijf  paardenmiddelen van het filmische auto-ongeluk op een rij. 

De uitgerekte crash

Wanneer de 1970 Dodge Charter R/T van Dominic Toretto (Vin Diesel) in The Fast and the Furious (2001) door een truck de lucht in wordt geslingerd, filmt regisseur Rob Cohen die crash volledig van buitenaf. Dankzij de montage en het gebruik van slow motion lijkt de auto haast te vliegen, om pas na een handvol buitelingen kreunend en krakend tot stilstand te komen. Zo gaat het vaak met filmautocrashes: ze draaien niet om wat de man of vrouw achter het stuur doormaakt, maar puur om een zo breed mogelijk uitgesmeerde kreukelshow. 

Films kunnen de crash ook vertragen, fragmenteren en herhalen om juist de impact op de personages voelbaar te maken. Alejandro González Iñárritu’s Amores perros (2000) doet dat door dezelfde botsing drie keer te tonen, vanuit evenzoveel perspectieven: dat van de veroorzakers van het ongeluk (twee jongens op de vlucht voor criminelen), dat van het slachtoffer (een fotomodel) en dat van een getuige (een kluizenaar annex huurmoordenaar). Daarmee transformeert de crash tot existentieel drama, tot een kruispunt waarop het bestaan van alle betrokkenen in tweeën wordt gesplitst. 

Of neem de gruwelijke, in de Dordtse Drechttunnel opgenomen crash uit Dana Nechushtans Total Loss (2000). Drie vrienden (Yorick van Wageningen, Roef Ragas en Franky Ribbens) knallen met hun auto op een wegafzetting, slaan tegen de muur van de tunnel en  vliegen over de kop: de auto ontploft, niemand overleeft. Nechustan orkestreert de catastrofe opzwepend (de titel van de film zoeft voorbij het barstende glas), wisselend tussen een koortsachtige montage en vertraagde shots, en blijft intussen heel dicht bij haar personages: je ziet de angst in hun ogen, en ondergaat hem ook. Het knapst is aan dit filmongeluk is nog wel hoe de tijd op losse schroeven komt te staan: de concrete duur van de crash en de eindeloze doodservaring van de personages, het loopt volledig in elkaar over in die tussen leven en dood tollende Volvo.

De koprollende chauffeur

Films kunnen je er op allerlei manieren van doordringen dat een auto-ongeluk ook altijd een persoonlijke tragedie is. Zeer effectief is de lang aangehouden, zijwaartse of frontale close-up van de verongelukkende passagiers: de inzittenden, de auto, de omgeving en de camera zelf, alles gaat samen over de kop. Fysieker kan film haast niet worden.

Een indringend voorbeeld biedt Claude Sautets Les choses de la vie (1970). Veertiger Pierre (Michel Piccoli) weet niet meer welke kant hij met zijn leven op moet. Rijdend in zijn Alfa Romeo besluit Pierre dat hij toch echt voor zijn nieuwe geliefde (Romy Schneider) wil kiezen; laat nou net dat het moment zijn waarop hij in volle vaart op een truck afrijdt, de weg afraast, tegen een boom knalt en uit de auto wordt gekatapulteerd. Regisseur Sautet herhaalt deze cruciale gebeurtenis in de loop van de film meerdere keren, spoelt hem soms ook terug. Maar wat het meest bijblijft, zijn de extreem vertraagde, eindeloos centrifugerende shots van Pierre. In slow motion slingert hij heen en weer achter het stuur, volledig aan het moment overgeleverd. Een menselijke crashtestdummy.

Sautet draaide de scène in twee weken tijd, op een speciaal voor de film gebouwde kruising. De close-up van Pierre werd opgenomen in een half doorgezaagde auto, waarvan het plafond volhing met aan nylon draadjes bungelende objecten - sigaretten, stukken papier - die in het uiteindelijke shot gewichtloos door de autocabine lijken te vliegen. ‘Een choreografie’, zo omschreef Sautet de scène. ‘Een langzame wals naar de dood.’

De onvermijdelijke crash

Vaak wordt een auto-ongeluk aangekondigd. Dat was al zo bij een van de allereerste filmcrashes, uit 1900: alleen de titel al, How It Feels to Be Run Over. Het is de combinatie van die titel en het bedrieglijk onschuldige openingsbeeld (een zonnige, vrijwel verlaten weg) waardoor je als toeschouwer meteen op je hoede bent. Hier gaat het gebeuren, en blijkbaar ga je dat voelen óók. Om het extra spannend te maken, laat de Britse filmpionier Cecil Hepworth eerst een paardenkoets passeren en pas later, in het opwaaiende stof, de auto die de  aanrijding zal veroorzaken. En dan komt het: de auto rijdt recht op de stilstaande camera af en botst bijna tegen het scherm. Of gaat er, zo je wilt, dwars doorheen. 

Waarom laat een film graag weten dat er een ongeluk ophanden is? Natuurlijk om zoveel mogelijk anticiperende spanning op te bouwen. Om de klap goed hard aan te laten komen, ook dat. Maar de beste filmauto-ongelukken zijn vooral een fascinerend spel tussen toeval en lot, tussen voorbestemming en domme pech. 

Neem de gruwelijke crash uit De vierde man (1983), en de vele speldenprikken waarmee regisseur Paul Verhoeven dat ongeluk aankondigt. Wanneer de in Vlissingen verzeilde schrijver Gerard (Jeroen Krabbé) door zijn minnaar Herman (Thom Hoffman) naar het station wordt gereden, gaat het vliegensvlug van voorteken naar voorteken: van de begrafenisauto’s waar de mannen achter belanden (‘Je rijdt langs je eigen begrafenis, Herman’, zegt Gerard als hij de rouwkrans op de kist leest) naar het omineuze totaalshot van een bundel stalen buizen die over de weg wordt getakeld. Als hun Peugeot 504 Cabriolet dan ook nog eens door een vrachtwagen langs een wegafzetting wordt geduwd, is er geen ontsnappen meer aan. Hermans hoofd en de buizen, ze zijn voor elkaar gemaakt. 

De jump crash

De ene filmcrashtraditie schept de andere. Begin deze eeuw werd de jump crash bedacht: een ongeluk werd niet ingeleid, maar de kijker werd er plompverloren door overvallen. De personages zitten gewoon met elkaar te praten, er lijkt geen verkeersvuiltje aan de lucht, tot je opeens via een van de zijruiten (soms ook de voorruit) een tegenligger recht op de auto ziet afkomen. Nog voor het personage goed en wel beseft wat er gebeurt, is de klap een feit en ligt de net nog zo overzichtelijke scène aan gruzelementen. 

Variaties vind je in in uiteenlopende films als Spike Jonze’ surrealistische komedie Adaptation. (2002), de verder weinig memorabele sf-werkjes The Forgotten (2004) en Surrogates (2009), de thriller Disturbia (D.J. Caruso, 2007) en Damien Chazelle’s muzikantendrama Whiplash (2014). Inmiddels is de verrassing er wel een beetje van af, maar de jump crash kan nog altijd effect sorteren. Bijvoorbeeld wanneer het gebeurt in een film die het verder helemaal van menselijke interactie moet hebben, zoals Whiplash, en die lichtjaren verwijderd lijkt van de speciale effecten die zo’n scène überhaupt mogelijk maken. Overigens vraagt het volkomen opgefokte hoofdpersonage van Whiplash er ook wel een beetje om, achter het stuur scheldend in zijn mobiele telefoon. 

Bloed op de voorruit

Een film-auto-ongeluk is nog het indrukwekkendst als het onzichtbaar blijft en goeddeels aan de fantasie van de toeschouwer wordt overgelaten. Zoals de openingsscène van Krzysztof Kieslowski’s Trois couleurs: Bleu (1993), die alleen wat stuiptrekkingen van de auto toont: het linker-achterwiel dat na de klap op de grond ploft, de motorkap die dichtvalt tegen de boom. Méér is ook niet nodig om de verschrikking te suggereren die hoofdpersonage Julie (Juliette Binoche) en haar gezin overkomt.

De onzichtbare crash zou ook wel eens meest ethische verbeelding van het auto-ongeluk kunnen zijn. Die gedachte dringt zich op bij het Iraanse drama Mosaferan (1992), waarin een gezin onderweg is naar een huwelijksfeest en op een bergpas verongelukt. Zoveel vooraankondigingen als regisseur Bahram Beizai van dat ongeluk geeft – de sinistere muziek, voorbijgangers die somber (of juist griezelig lachend) naar de camera kijken, rakelings passerende tegenliggers in haarspeldbochten, enzovoort – zo resoluut slaat hij de fatale kettingbotsing zelf over. Opeens, zonder overgang, is er een vlammenzee, smeltend asfalt, bloedspetters op een gebarsten voorruit. Het voelt haast als een anticlimax: alsof je na zoveel spanningsopbouw ook recht hebt op het ongeluk zelf. Een pijnlijke confrontatie met de filmtoeschouwer als ramptoerist, dat is Mosaferan.

De wegrollende wieldop

Hoe verbeeld je als cineast de doodse stilte na de crash? Een effectief instrument is de losgeschoten wieldop (het kan ook een complete autoband zijn of, zoals in Trois couleurs: Bleu, een uit de kofferbak vallende bal) die wegrolt van de rampplek en even verderop tot stilstand komt en omkiept – liefst in close-up. Het helse lawaai van de botsing krijgt als het ware een fade out dankzij het metalen gerinkel van de wieldop. Bovendien werkt die uit elkaar vallende cirkelbeweging als een krachtig symbool voor het leven dat wegsijpelt uit de inzittenden. Maar het is ook een laatste levensteken van de auto zelf.

De na de crash wegrollende band of wieldop kan behoorlijk afgekloven voelen, maar begenadigde filmmakers weten er geregeld iets bijzonders van te maken. Kijk naar het wiel dat na de cartooneske kettingbotsing uit Jacques Tati’s Trafic (1971) ervandoor gaat, achternagezeten door een met zijn kofferbak happende Volkswagen Kever. Of kijk naar de opvallend koppige, autonome wieldop in de ongelukscène uit The Man Who Wasn’t There (Joel en Ethan Coen, 2001). De uitgebluste kapper Ed Crane (Billy Bob Thornton) en zijn protegé Birdy (Scarlett Johansson) rijden huiswaarts na Birdy’s mislukte piano-auditie, wanneer hij door haar seksuele avances de controle over het stuur verliest. Eds Dodge Luxury Liner De Luxe schiet in slow motion door de lucht, om buiten beeld met een klap op de grond te landen. Vervolgens krijgt die ene ontsnappende wieldop de hoofdrol. ‘De tijd vertraagt, vlak voor een ongeluk’, zegt Ed in de voice-over. Terwijl hij filosofeert over nagels en haren die blijven doorgroeien nadat de ziel het lichaam al lang verlaten heeft, en het beeld overgaat naar zwart, blijft de ufo-achtige wieldop rollen en rollen. Alsof-ie wil doorgaan tot het echt niet meer kan.

Explosies graag

In een interview dat David Cronenberg in 1997 gaf aan de VPRO, vertelde hij dat hij Crash had gefilmd met 35 auto’s en evenzoveel stuntmannen. Ondanks die typische actiefilmtoerusting moesten de crashes iets bijzonders, verrassends en ongewoons worden, aldus Cronenberg. Na een van de eerste voorstellingen kwam een man op hem af die de botsscènes niet realistisch genoeg vond. ‘Hij miste slow motion, bepaalde camera-instellingen, explosies. Hij had zelf nog nooit een ongeluk meegemaakt, dus had hij zijn beeld van ongelukken gebaseerd op films.’

Cronenbergs eigengereide cultklassieker Crash is nog altijd fascinerend en ijzersterk ★★★★★

Mensen die opgewonden raken van auto-ongelukken; dat maakte in 1996 nogal wat los. 

Wat hebben The Lord of the Rings en cultklassieker Crash gemeen? De filmcomponist: Howard Shore

Howard Shore heeft al vijftien films gemaakt met Crash-regisseur David Cronenberg. ‘Nóóit wil de muziek het verhaal ondersteunen.’  

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden