Een andere wereld

Stefan Kuiper verdiept zich in de natuurvoorstellingen van Otto Marseus van Schrieck

Ben je kunstrecensent, blijkt er in de 17de eeuw een schilder in je huis te hebben gewoond. Stefan Kuiper verdiepte zich in het Twents Museum in de realistisch-fantastische natuurvoorstellingen van Otto Marseus van Schrieck, alias de Snuffelaer.

Bosgrond met blauwe winde en een pad (1660). Foto RV

Eerst een persoonlijke noot: toen ik onlangs op een en dezelfde dag hoorde dat in de 17de eeuw in mijn huis in het centrum van Amsterdam een schilder had gewoond en dat in diezelfde tijd de classicistische kunstenaar Gerard de Lairesse in de buurt resideerde, appte ik voor de zekerheid m'n huurbaas: 'Vraagje: woonde Gerard de Lairesse misschien in dit huis?'

Het antwoord kwam per ommegaande: 'Niet De Lairesse. Schreck of Schrieck, of zoiets.' Even later volgde een aanvulling: 'Otto Marseus van Schrieck.'

Die naam zei me weinig. Otto Marseus van Schrieck (ca. 1620-1678), zo bleek bij een snelle zoekactie, was de grondlegger van het sottobosco oftewel bosstilleven, een bijna vergeten genre. Hij schilderde donkere, letterlijk laag-bij-de-grondse natuurvoorstellingen vol vlinders, libellen, kikkers en slangen; hij was een kleine, handige meester die op een scherp afgebakend repertoire leunde en bij leven groot aanzien genoot.

Eigenzinnig en reislustig

Zijn werk was in trek bij Italiaanse edelmannen en werd gekopieerd door tijdgenoten onder wie een generatie jongere schilders, met Rachel Ruysch en Matthias Withoos als de bekendsten. Afgelopen zomer was in het Staatliches Museum in het Noord-Duitse Schwerin een overzicht van zijn werk te zien - een zeldzaamheid. Diezelfde tentoonstelling reisde in sterk afgeslankte vorm door naar het Rijksmuseum Twenthe in Enschede.

Ik zag de expositie op beide locaties. De Enschede-presentatie is beter. Ietsje. Ze is geconcentreerder dan die in Schwerin, beter gedoseerd en dus minder repetitief; ze is ook nadrukkelijk modern. Iets té, misschien. De keuze voor kaalgestripte wanden en een aanwezige belettering bij deze donkere en doorleefde schilderijen is weinig gelukkig. De belichting laat soms te wensen over (één schilderij is zo hard uitgelicht dat je er niet naar kunt kijken), maar wie zich daar overheen zet, krijgt een goede indruk van deze raadselachtige kunstenaar en zijn schilderende tijdgenoten (onder wie Jan van Kessel, Maria Sibylla Merian en Peter Paul Rubens). Dat er opeens een echte pipa-pipa-kikker op sterk water opduikt, is natuurlijk ook erg leuk.

Otto Marseus trof me als een eigenzinnige en reislustige kerel. Als jonge man trok hij naar Rome, waar hij deel uitmaakte van de Bentveughels, een schildersgenootschap dat wegens wangedrag menig herbergje werd uitgesmeten en dat Otto Marseus om zijn voortdurende gesnuffel naar reptielen en andere beesten omdoopte tot de 'Snuffelaer'. Al snel groeide Ottone Marcellis, zoals de Italianen hem noemden, uit tot een gevierd man. Aan het groothertogelijk hof van Florence prees men hem hogelijk om zijn sottobosco's. En zijn reputatie hield stand. Toen de puissant rijke en fanatiek kunst verzamelende Toscaanse Prins Cosimo de Medici jaren later Amsterdam aandeed, was het niet het atelier van Rembrandt of Jan van der Heyden, maar dat van 'Signor Ottone' dat hij als eerste bezocht (hij kocht drie schilderijen voor het toen astronomische bedrag van 500 gulden).

Kikkers kussen

Van Schrieck had zich toen gevestigd in Waterrijk, een drassig stuk land even buiten de stadspoorten van Amsterdam (nu Diemen) waar hij zijn onderzoek naar de 'klyne dierkens' voortzette. Samen met de natuuronderzoeker Jan Swammerdam determineerde hij er talloze beesten.

Over Snuffelaers omgang met zijn 'gedrochten' zijn aardige broodjeaapverhalen te vertellen. Volgens een daarvan, opgetekend door de nooit om fantasie verlegen zittende kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken, had Van Schrieck zijn slangen gedresseerd en liet hij ze uren bewegingloos in dezelfde houding liggen, opdat hij ze kon schilderen. Een andere - meer geloofwaardige - anekdote wil dat Van Schrieck dermate tedere gevoelens voor zijn padden koesterde dat hij ze regelmatig kuste. Zulke vertellingen, hoezeer aangedikt ook, illustreren het ongebruikelijke karakter van Van Schriecks fascinatie. Een man die slangen en kikkers hield: hoe eigenaardig!

Van Schriecks liefhebberij viel samen met doorbraken in de entomologie. Onderzoekers als Johannes Goedaert en Swammerdam, vertelt historicus Eric Jorink in de mooie catalogus, ontkrachtten het idee dat vliegen en rupsen spontaan ontstonden uit rottend organisch afval zoals paardenkadavers en overrijp fruit, hetgeen ze opwaardeerde van bijproduct tot volwaardig onderdeel van het Goddelijke plan. Van Schrieck was direct betrokken bij zulk onderzoek. Swammerdams inzichten in de sluipwesp, een parasiet die eitjes legt in het lichaam van een verpoppende rups, zou bijvoorbeeld direct zijn voortgekomen uit observaties die Otto Marseus al schilderend deed. In deze overlap tussen schilderkunst en empirisch onderzoek schuilt een boeiend promotieonderzoek.

In de geest van de snuffelaer

Tegelijkertijd met de Van Schrieck-tentoonstelling is er in het Rijksmuseum Twenthe ook een expositie te zien met werk van hedendaagse tekenaars, De Aard der Dingen. Ook hierin staan 'schepselen' centraal. Er hangt werk van onder anderen Roos Holleman, Kinke Kooi, Anouk Griffioen, Sigrid van Woudenberg en Arno Kramer. De keuze om de expositie naadloos over te laten lopen in die van Van Schrieck is een vondst.

Rijksmuseum Twenthe

In de tentoonstelling in Enschede, waar naast werk van de meester ook kunst hangt van navolgers als Ruysch, Van den Broek en de Italiaanse Van Schrieck-epigoon Paolo Porpora, springen Van Schriecks sottobosco's eruit. De met paddestoelen, distels, kikkers, marters, eekhoorns, vlinders, rupsen en andere loepzuiver geschilderde beesten gevulde bosgezichten zijn duister en ongerijmd op een manier die zijn bewonderaars nooit hebben geëvenaard. Het zijn fantasievoorstellingen, dat ziet een kind. Duinplanten groeien er pardoes in het bos; slangen jagen er op vlinders. Ze fungeerden als een catalogus van toen nog als exotisch beschouwde natuurfenomenen, maar tegelijk waren het aanzetten tot verhaaltjes. Salamander versus brilslang - wie is sterker?

Vooral die slangen zijn bij Van Schrieck een soort Disney-creaties. De kunstenaar schilderde er een heleboel en allemaal stralen ze de slinkse boosaardigheid uit van Kaa uit Jungle Boek. De manier waarop Van Schrieck hun lichamen weergeeft, de ingewikkelde draaiingen ervan, de consequentheid van het patroon van de schubben, is bewonderenswaardig en doet hun kunstmatige karakter vergeten. In zoverre dat er überhaupt al toe deed. Dat de slangen als een soort glimmende fly-overs boven de grond zweven op een manier die elke vorm van zwaartekracht tart: wat boeit het? Over de geloofwaardigheid van zingende beren hoor je immers ook niemand.

Intrigerend is de manier waarop Van Schrieck de schilderijen maakte. Naast de gebruikelijke kwasten en pigmenten kwamen er naar het zich laat aanzien ook sponzen, takjes, slangenhuid en vlindervleugels aan te pas. Met name die breekbare vlindervleugels zie je vaak terug. Ze deden dienst als sjabloon voor fictieve vlinders, maar ook voor onkruid en bloembladeren. Zoals Da Vinci vochtvlekken gebruikte om zijn verbeelding op gang te brengen, zo benutte Van Schrieck een in de verf gedoopt koolwitje om de grondvorm van bijvoorbeeld een plantje op het doek te krijgen. Van Schriecks voorstellingen doen op een manier denken aan de slang die in zijn eigen staart bijt: ze zijn deels gemaakt met wat er op staat afgebeeld.

Tekst gaat verder na de foto.

De grote distel (ca. 1670).

Bewoners van de distel-flat

Twee werken springen eruit: Bosgrond met blauwe ochtendgloriën en een pad (Staatliches Museum in Schwerin) en De grote distel (Alte Pinakothek in München). Laatstgenoemde toont een donkere ruimte met een enorme distel waar vlinders en andere insecten omheen zwermen. Verspreid over en rond de plant, als bewoners van een flat, ziet men een vechtende slang en hagedis, een schildpad, een kikker, een marter en een vreemd uitziende eekhoorn. Een werk als dit verwijten dat het overdadig is, is als een slang verwijten dat hij pootloos is: zijn pootloosheid is wat een slang tot een slang maakt. De overstelpende hoeveelheid details, het hysterische perfectionisme - ze zijn deel van de charme van het schilderij. Zonder hen zou een Van Schrieck geen Van Schrieck zijn.

Op het andere hoogtepunt, Bosgrond met blauwe ochtendgloriën, schilderde hij een zeekool, een winde, een bosmuis, rupsen en, temidden van dit alles, een vadsige pad die met zijn tong - ssshhhhlup! - net een vlinder uit de lucht plukt. Een van de aantrekkelijkheden van het werk is het alternatieve (lage) perspectief. Het herinnert ons eraan dat er onder onze wereld van systeemplafonds en centrale verwarming een andere bestaat, een die donker en vochtig is en waar kleine beesten op elkaar jagen. Het is een bedwelmend schilderij. Wie erdoor gebeten wordt, wil het opnieuw zien.

Otto Marseus van Schrieck (ca. 1620-1678) en de ontdekking van de 'Bybel der natuure', Rijksmuseum Twenthe, t/m 11/3 2018.

Inzet

Meer over