Een aimabele Olympiër

Het eerste deel van Samuel Becketts brieven laat zich lezen als een cultuurgeschiedenis van de jaren dertig. Toen al schreef hij adembenemend en veeleisend.Door Michaël Zeeman..

Als het karakter van de brieven die Samuel Beckett (1906-1989) gedurende de jaren dertig van de vorige eeuw schreef in één woord zou moeten worden samengevat is het dit: ernst, ernst in de zin van toewijding, van het serieus nemen van wat de schrijver ervan voor ogen stond.

De schrijver ervan is, als hij de eerste brief die thans in een boekuitgave toegankelijk is, schrijft nog geen 23 jaar oud. Maar hij heeft een toon en een opvatting – en misschien zelfs al een doel. Dat hij de belangrijkste toneelschrijver van zijn eeuw zou worden, kon hij nog niet weten. Maar dat de literatuur niet voor behaagzieke kwezels is, dat wist hij al wel.

Niet dat hij niet geestig is of niet kan relativeren. Integendeel, er is bijna geen brief onder de honderden die nu te lezen zijn, of er staat wel een verfrissende kwinkslag in. Gemeenschappelijke kennissen, een boek dat in de aandacht staat, een parmantige redacteur of schrijver, er is niets en niemand dat aan zijn formidabele formuleerlust ontsnapt. Maar, alweer, ook in zijn kritiek en spotzin weerklinkt zijn snijdend scherpe idee van waar het wat hem betreft in de literatuur om gaat.

Die jaren dertig zijn een doorslaggevend decennium in de biografie van Samuel Beckett. Aan het begin ervan is hij een jonge academicus, op zoek naar een bestemming; aan het eind een bohémien met een uitgewerkt idee in zijn hoofd over wat het soort literatuur is dat hij zou willen schrijven. ‘Ik zit Schopenhauer te lezen’, schrijft hij in 1930 aan zijn dan beste vriend, ‘en iedereen lacht erom. Maar ik lees geen filosofie en mij interesseert het niet of hij gelijk heeft of ongelijk of dat hij een goede of een waardeloze metafysicus is. Een intellectuele rechtvaardiging van ongelukkigheid – de grootste die ooit ondernomen is – is de aandacht waard van iemand die veeleer geïnteresseerd is in Leopardi & Proust dan in Carducci & Barrès.’

Wie Leopardi en Proust zijn weet, bijna honderd jaar later, iedereen; maar Carducci was de beroemdste Italiaanse dichter van zijn tijd en Barrès een spraakmakend Frans romancier en essayist. Beckett heeft ze allevier gelezen – en gekozen.

Over Proust schrijft hij in die jaren juist zelf een boek, een monografisch essay, dat begin jaren dertig zal uitkomen. Hij leest en herleest Proust, niet on-kritisch (of Proust niet nog zo’n kop de herinneringen stimulerende lindenbloesemthee had kunnen nemen, merkt hij ergens op, om te voorkomen dat hij van die lamme, uitgewalste beeldspraak zou bezigen), hij leest en becommentarieert James Joyce, gretig en opnieuw kwistig met kritiek. Dat zal het hele decennium zo blijven – en dat draagt eraan bij, dat dit eerste deel van de uitgave van zijn brieven nu, tachtig jaar later, leest als een cultuurgeschiedenis van die jaren. Een serieuze, dat wel: wie, buiten Italië, is er nu nog vertrouwd met het werk van schrijvers als Giovanni Comisso of Rafaello Franchi? Beckett volgde hen op de voet.

Dat komt doordat hij, grote uitzondering onder Engelstalige intellectuelen en schrijvers, toegang heeft tot een aantal Europese talen. Hij schrijft dan al onberispelijk Frans, behoorlijk goed Duits en voor Italiaanse citaten draait hij zijn hand niet om. Hij heeft juist zijn studie moderne letterkunde aan de universiteit van Dublin achter de rug en ofschoon hij voortdurend onderweg is tussen academische instellingen in Parijs en Dublin – in Parijs verwerft hij een soort docentschap –, tussen familie in Duitsland en kennissen in Italië, is al wel duidelijk dat met die aanpak, de meedogenloos hoge verplichtingen die hij zichzelf oplegt, er voor hem aan geen enkele universiteit een toekomst is weggelegd. Te goed, eenvoudigweg, te serieus, te veeleisend, vooral waar het hemzelf betreft.

Hij begint gedichten en verhalen te publiceren, althans daartoe pogingen te ondernemen. ‘De abominabele oude zak Russell’ – redacteur van The Irish Statesman – ‘retourneerde plichtmatig mijn manuscript met een economisch briefje erbij in de derde persoon, alles bij elkaar in een aanzienlijk ondergefrankeerde enveloppe’, meldt hij een van zijn vrienden als hij weer eens kopij terugkrijgt. ‘Ik voel me licht verlamd door de hoffelijkheid van dit gebaar. Ik zou van het verdomde ding verlost willen worden, hoe dan ook, waar dan ook, maar ik heb geen kennissen bij de minder kieskeurige literaire vuilnisemmers.’

Daar is geen beginnende schrijver aan het woord, gekweld door onzekerheid over zijn eerste probeersels, maar een Olympiër die gelaten neerkijkt op het onderkruipsel dat nog niet doorheeft met wie het te maken heeft.

En tegelijkertijd een aimabel man. De redacteuren die dit eerste deel van zijn correspondentie verzorgden, onthullen dat hij, in de zestig jaar van zijn schrijverschap, meer dan 15 duizend brieven heeft geschreven, dat is zowat iedere dag een. Daar zal maar een fractie van in deze uitgave belanden, want de auteur beschikte dat alleen brieven die betrekking hebben op zijn werk de openbaarheid in mogen. Ook toen hij wereldberoemd geworden was, nadat in de jaren vijftig zijn revolutionaire toneelteksten de wereld hadden veranderd, ja, zelfs nadat hij in 1969 de Nobelprijs voor literatuur had gekregen, weigerde hij vragen over zijn persoonlijk leven. Maar iedere lezer die hem schreef kreeg antwoord, in verschillende gradaties van onleesbare handschriften.

Uiteindelijk zal de briefuitgave ongeveer een zesde beslaan van wat hij op de post heeft gedaan, met parafraseringen van of citaten uit nog eens een derde daarvan. Daaronder zullen, als de zaak is afgerond, vele duizenden voetnoten staan, om figuren en boeken te identificeren en citaten te vertalen. Want naast zijn immense weetgierigheid op het terrein van de literatuur en de kennis die daarvan het gevolg was, vallen in dit eerste deel al zijn gulzige belangstelling en liefde op voor mensen die ook iets kunnen, andere schrijvers, vertalers, schilders, theatermakers. Op die manier zullen wij in de volgende twee delen meer aan de weet komen over zijn vriendschap met die intrigerende schrijfster Jacoba van Velde, die zijn werk in het Nederlands vertaalde. Hier, in dit eerste deel, komen haar schilderende broers al veel voor, Bram en Geer van Velde.

’t Is tegelijkertijd adembenemende en veeleisende lectuur – en dat komt alle twee door die genadeloze eisen die de schrijver zichzelf oplegde. En aan zijn correspondenten stelde.

* * * * *

Martha Dow Fehsenfeld & Lois More Overbeck (eds.): The Letters of Samuel Beckett 1929-1940.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden