Een aantijging die zoet is als klaverhoning

Er waren genoeg achttiende-eeuwers die er een gruwelijke hekel aan hadden. Aan de uitbeelding van het banale leven, waar de Hollandse en Vlaamse schilders en tekenaars uit de zestiende en zeventiende eeuw patent op hadden....

Nee, in de ware kunst was de wereld, de natuur, vervolmaakt. De ware kunst perfectioneerde proporties, maakte pukkels onzichtbaar, veranderde zwarte haren in zilverachtig dons en woeste landerijen in zorgvuldig gecultiveerde, elyseese velden.

De achttiende eeuw is een curieuze eeuw. Het is de tijd van Verlichting, van wetenschappelijke vernieuwingen en relatief religieuze rust. Maar ook van intolerantie waar het de kunst betreft, van een dogmatiek die gestoeld is op de voortbrengselen van Rafaël en Michelangelo, een kunst die gemaakt moet worden onder de vlag van het classicisme, en anders zal zij niet zijn.

Ook om deze reden is de tentoonstelling Goethe en Rembrandt in het Rembrandthuis in Amsterdam voorbeeldig. Want in de smaak, vooral de veranderende smaak, van de Duitse wonderschrijver Johann Wolfgang Goethe tekent zich de esthetische worsteling af die de achttiende eeuw in haar greep hield. De worsteling rondom het afstand doen van wie je mooi vónd - de zeventiende-eeuwse meesters - en het omarmen van wie je mooi víndt - de 'hemelse' klassieken. Met daartussen de liefde en bewondering die een kaatsbal is en van geen wijken weet, namelijk die voor Rembrandt.

Bij Goethe komt de strijd mooi naar voren, omdat hij niet alleen een groot kunstliefhebber was en kunst verzamelde, maar ook zelf een verdienstelijk tekenaar was. En in die eigen tekeningen, waarvan er jammer genoeg maar een paar te zien zijn in het Rembrandthuis, is te zien hoe Goethe veranderde: van een 'open', Ruisdael-achtige landschapstekenaar, die zijn bosschages, bomen en wolken met kleine puntjes en arceringen opzet, tot een meer classicistische, haast mathematische observator, die met duidelijke lijnen en vlakken zijn ideaallandschappen componeert. Maar die observator baseert zich wel op Rembrandt. Goethes meest classicistische werk in Amsterdam is een nagetekend landschap met bootje van Rembrandt.

Rembrandt is het beste bewijs dat jeugdliefdes geen nepliefdes zijn. Rembrandt is voor Goethe een herinnering die blijft steken, een aantijging, maar wel een die zo zoet is als honing.

In het Rembrandthuis is een selectie van zestig tekeningen uit Goethes eigen bezit - de mooiste voorzien van naamstempel - en die van Goethes beschermheer en geestverwant, de Weimarer hertog Carl August, te zien. Het is voor het eerst dat deze kostbare bladen, afkomstig uit Goethes woonhuis in Weimar en het Schlossmuseum daar, buiten Duitsland te zien zijn.

Natuurlijk is Rembrandt het brandpunt van de tentoonstelling. Diens 'Faust'-ets inspireerde Goethe tot het schrijven van zijn Faust. Rembrandts 'zinnelijke' talent noopte Goethe tot het tekenen van bijna even zinnelijke parkgezichten. Goethe bewonderde Rembrandts gevoel voor licht en donker en voor 'natuurlijke harmonie'. 'Harmonie vindt de kunstenaar veel eerder in de natuur dan in een marmeren beeld dat daar de weergave van vormt', schrijft Goethe.

Elf jaar later, in 1786, reist Goethe naar Italië. Het is een reis die zijn inzichten op hun grondvesten doet schudden. Twee jaar lang laat hij zich bedwelmen door het Italiaanse landschap. Hij maakt er kennis met de kunstschatten uit de klassieke oudheid. Hij ziet 'de goddelijke' Rafaël, Michelangelo, Giotto, Titiaan en alle andere renaissancistische helden in het 'echt'. In een brief aan hertog Carl August bekent hij zijn ommezwaai naar het classicisme.

De schrijver raadt de hertog aan om af te zien van het aanleggen van een hele Rembrandt-collectie tekeningen. In plaats daarvan adviseert hij op zoek te gaan naar 'betere afdrukken van de belangrijkste bladen'. Perfectionering van wat je hebt, is Goethes adagium, en niet langer alles kopen wat de meester maakte. 'In het bijzonder', schrijft hij, 'voel ik hier in Rome hoeveel interessanter toch de zuiverheid van de vorm en haar duidelijkheid zijn, dan al die karakteristieke ruwheid en zweverige vaagheid.' Toch zijn er veel tekeningen in het Rembrandthuis die deze 'karakteristieke ruwheid en zweverige vaagheid' bezitten. Rondom de bladen van Rembrandt is werk gegroepeerd van Van Ostade, van Van Goyen en van Rembrandtleerlingen als Samuel van Hoogstraten (een opmerkelijk zwaar belijnde Jozef verklaart de dromen van de schenker en de bakker), Ferdinand Bol en Govert Flinck. Maar er zijn er ook die tegemoet komen aan de meer classicistische smaak van de oudere Goethe. Zo hangt er van Jacques de Gheyn een mooi uitgewogen Sebastiaan, wiens lijden slechts door twee pijlen wordt veroorzaakt. Ook Roelant Roghman, die in de jaren vijftig van de zeventiende eeuw in Italië rondreisde, toont een voorkeur voor meer klassieke, harmonieus opgebouwde composities.

Het is niet mogelijk om op basis van de beschrijvingen in de catalogus - hoe uitgebreid deze ook zijn -, vast te stellen, in welk jaar precies de tekeningen en prenten in het bezit van de hertog of van Goethe zijn gekomen. En dat is het enige minpunt van deze tentoonstelling. Want zo valt alleen uit Goethes geschriften af te lezen wanneer de omslag in z'n smaak plaatsvond. Niet in de kunst.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden