interviewEdouard Louis

Edouard Louis: ‘Als je niet schrijft om de wereld te veranderen, kun je beter helemaal niet schrijven’

Edouard Louis Beeld Christian Werner

Afgezien van Michel Houellebecq slaat geen hedendaagse Franse schrijver internationaal zo aan als Édouard Louis (27). De Volkskrant wist de Franse sterauteur te spreken over geweld, ontlezing en zijn moeizame kennismaking met theater.

Naar eigen zeggen houdt Édouard Louis van nietsdoen. Volgens de nog altijd pas 27-jarige schrijver, die sinds zijn debuutroman zes jaar geleden verscheen steevast – en volgens de meeste critici niet ten onrechte – ‘literair wonderkind’ wordt genoemd, schuilt er diep vanbinnen ‘een enorme luiwammes’ in hem.

‘Om het schrijverschap hangt een zweem van bijzonderheid, alsof schrijvers een soort bovenmenselijke wezens zouden zijn. Maar net als iedereen vind ik het heerlijk om ’s avonds op de bank neer te ploffen en een serie te kijken. Schrijvers zijn mensen als alle anderen. Alleen schrijven we af en toe wat.’

Het is moeilijk voorstelbaar dat Louis veel tijd overhoudt om te Netflixen. Zijn productie is ronduit verbluffend. In 2014 debuteerde hij op de jaloersmakend jonge leeftijd van 21 jaar met Weg met Eddy Bellegueule, een rauwe, sterk autobiografische vertelling over hoe hij als homoseksuele jongen opgroeide in een milieu dat werd gekenmerkt door armoede, geweld en homofobie, tegen het troosteloze decor van het postindustriële uiterste noorden van Frankrijk.

Het boek werd in meer dan 25 talen vertaald en maakte in één klap een literaire sensatie van de schrijver, die echt Eddy Bellegueule (‘Eddy Knappesmoel’) heette, tot hij die naam in 2013 officieel liet veranderen in het chiquere Édouard Louis. Die naamsverandering was het sluitstuk van een metamorfose. Van het armoedige Franse platteland schopte Louis het tot de hoogste echelons van de Parijse culture elite, als levend bewijs dat opwaartse mobiliteit in de Franse Republiek wel degelijk bestaat.

Inmiddels werkt hij aan zijn vierde roman, die naar eigen zeggen een dikke pil wordt. (‘Waar die over gaat? Over heel veel’, zegt hij geheimzinnig. Een blik op zijn auteurspagina op de website van de Parijse dependance van de Columbia University, waar hij writer in residence is, leert dat het boek de geschiedenis van Frankrijk beschrijft aan de hand van drie vrouwen: Louis’ oma, moeder en zus.)

Je zou kunnen zeggen dat hij ondertussen zelfs de Parijse intelligentsia is ontgroeid, zo hoog staat Louis’ ster inmiddels aan het internationale literaire firmament. Schrijft hij een essay voor The New York Times, plaatst die krant dat op de voorpagina. Afgezien van Michel Houellebecq, wiens literaire onheilsprofetieën al decennia hun weg vinden naar een mondiaal publiek, is er geen hedendaagse Franse schrijver die internationaal zo aanslaat als Édouard Louis.

Het moge duidelijk zijn, Louis is hot, en dat is dit voorjaar ook in de Nederlandse theaters te merken. Onlangs ging Weg met Eddy Bellegueule van de Toneelschuur in première, geregisseerd door de jonge Noorse theatermaker Eline Arbo. En vanaf april regisseert Ivo van Hove Ze hebben mijn vader vermoord, naar Louis’ laatste roman, waarin hij opeenvolgende Franse presidenten verantwoordelijk houdt voor de aftakeling van zijn vader, die zich kapotwerkte en kapotdronk.

Reden genoeg voor een gesprek. Maar een gaatje vinden in Louis’ agenda blijkt geen sinecure. Uiteindelijk lukt het op een vrijdagavond, via Skype. Terwijl Louis door de motregen over de Parijse Boulevard du Montparnasse naar huis wandelt – en zich af en toe omstandig verontschuldigt omdat hij per ongeluk tegen een voorbijganger opbotst – gaat hij uitgebreid in op iedere vraag, vriendelijk en bedachtzaam formulerend.

Edouard LouisBeeld Christian Werner

Uw Nederlandse uitgever zei dat hij nog nooit een auteur met zo’n overvolle agenda heeft begeleid.

‘Haha, zei hij dat echt?’

Ja. Zegt u ook weleens ergens ‘nee’ tegen?

‘Meestal. Dit klinkt vast heel banaal, maar als ik op ieder verzoek zou ingaan, zou ik geen tijd meer overhouden om te schrijven. En dat wil ik niet, ik wil niet alleen een soort promotor zijn van mijn eigen oude werk.’

Wie Édouard Louis volgt op zijn zeer actieve Instagrampagina, ziet vooral veel dingen waar hij geen nee tegen zegt. Hij vertaalt poëzie, geeft lezingen van New York tot Berlijn en werkt mee aan een toneelbewerking van zijn tweede roman. In eigen land is hij bovendien een uitgesproken en prominente stem in het publieke debat. Hij staat vooraan bij demonstraties, van gele hesjes tot antiracismebetogingen, en fulmineert geregeld tegen extreem-rechts, het neoliberale beleid van president Macron en la fausse gauche, gematigd linkse partijen die volgens hem de wegbereiders van dat beleid zijn.

Voor Louis liggen schrijven en demonstreren in elkaars verlengde. ‘De gelehesjesbeweging heeft arme Fransen zichtbaar gemaakt, precies zoals de boeken van William Faulkner de arme Amerikanen in het zuiden van de VS zichtbaar hebben gemaakt. Jezelf drie jaar opsluiten om een boek te schrijven is natuurlijk iets anders dan met een spandoek de straat op gaan, maar het doel is hetzelfde: een realiteit tonen die verstopt was, die we voorheen niet zagen.

‘Je hoort schrijvers vaak zeggen dat ze tijdens het schrijven niet aan de lezers denken, omdat dat hun in de weg zou staan. Ik denk juist constant aan de lezers, want ik wil hen beïnvloeden, ik wil hen veranderen. Ik heb liever dat mensen mijn boeken niet lezen dan dat ze na het lezen van mijn werk op een rechtse partij stemmen.’

Louis’ politieke bewustzijn zat er al jong in. Op zijn 10de organiseerde hij een demonstratie tegen een vervelende docent. ‘Ik had een stuk of twintig leerlingen opgetrommeld. Liepen we op het schoolplein te scanderen: ‘Weg met meneer Huppeldepup! Weg met meneer Huppeldepup!’

En? Is meneer Huppeldepup weggegaan?

‘Nee, gelukkig niet. Dat had hij niet verdiend, daar zou ik me bij nader inzien schuldig over hebben gevoeld.’

Het is wellicht een beetje psychologie van de koude grond, maar die enorme zichtbaarheid en productiedrang van u, is dat ter compensatie voor uw jeugd, waarin u zich schaamde voor wie u was?

Lachend: ‘U bent een bekwaam psychoanalyticus. Ik ben geboren als gay in een homofobe familie. Zoals veel homoseksuele kinderen heb ik alles geprobeerd om geaccepteerd te worden. Dat speelt ongetwijfeld een rol. Maar mijn jeugd heeft me vooral op een andere manier gevormd. Ik had als kind geen boek gelezen, nauwelijks een toneelstuk gezien, was niet bekend met de cinema. Toen ik in Parijs aankwam, had ik het gevoel dat ik enorme haast had, dat ik een achterstand had die ik nooit meer zou inhalen.’

Ondertussen bent u omarmd door de Parijse literaire beau monde, een troetelkind haast van de culturele elite. Maakt dat het moeilijker om over de onderkant van de maatschappij te schrijven?

‘Integendeel. Toen ik Eddy Bellegueule was, dat kleine mannetje in de onderklasse van Noord-Frankrijk, was ik zo gewend aan armoede en geweld dat ik dat niet als iets ongewoons ervoer. De omgeving waar ik ben opgegroeid, dat is wat Marx het lompenproletariaat noemde. Wij zagen fabrieksarbeiders als bevoorrechte burgers. Pas toen ik in Parijs ging wonen, werd ik me bewust van de obscene klassenverschillen. Juist door die afstand kan ik erover schrijven. De afstand is een wapen, mijn gereedschap.’

Zit er nog een deel van dat kleine mannetje in Édouard Louis? Of is Eddy Bellegueule verleden tijd, alsof hij is overleden?

‘Ik heb zo hard gestreden om Eddy niet meer te zijn, dat ik daadwerkelijk het gevoel heb dat ik hem niet meer ben. Hij is volledig uit mij verdwenen. Ik heb een andere manier van praten aangeleerd, een andere manier van lachen, ik ben andere kleren gaan dragen. Ik heb mezelf in allerlei opzichten opnieuw uitgevonden. 

‘Maar nu de metamorfose is voltooid, begint het me soms te vervelen Édouard Louis te zijn. Ik zou best weer een nieuwe naam willen aannemen.’

De onmiskenbare leidraad in Louis’ boeken is geweld, een thema dat op uiteenlopende wijzen in zijn werk terugkomt. In Weg met Eddy Bellegueule bijvoorbeeld, als twee klasgenoten de hoofdpersoon op school in elkaar slaan en bespugen. Of in zijn tweede roman Geschiedenis van geweld, waarin een sekspartij tussen de hoofdpersoon en een onbekende Algerijnse jongen uitmondt in een verkrachting. Louis maakte het allebei mee, zijn werk en leven lopen ogenschijnlijk zonder zichtbare scheidslijn in elkaar over.

Dat zijn werk over geweld gaat, is ook de voornaamste verklaring van zijn internationale succes, zegt Louis desgevraagd, nadat hij eerst bescheiden iets heeft gestameld over geluk en een combinatie van factoren. ‘Geweld is iets waarmee bijna iedereen op een zeker moment in zijn leven te maken krijgt. Het is een condition de notre naissance. 

Wat bedoelt u daarmee?

‘Bij onze geboorte worden we ongevraagd het leven in geslingerd, in een land waar we niet voor gekozen hebben, een familie waar we niet voor gekozen hebben, met een naam waar we niet voor gekozen hebben. We zijn een speelbal van mechanismen die groter en ouder zijn dan wijzelf. Voor vrouwen, homo’s, transgenders, zwarten, armen – voor alle mensen die niet voldoen aan de heersende normen, geldt dat ze op een bepaald moment op een gewelddadige manier worden geconfronteerd met hun identiteit. Ik heb niet zo veel op met het begrip ‘universeel’ – de dingen die universeel worden genoemd, worden in werkelijkheid vaak opgelegd door de dominante klasse. Maar als íéts universeel is, is het geweld.

Louis’ eerste artistieke liefde was niet de literatuur, maar het theater. In een omgeving waar lezen als een zinloze en verwijfde bezigheid werd gezien, waren klasse-uitjes naar toneelstukken de enige manier om met verhalen in aanraking te komen. Hij bewondert Ivo van Hove, inmiddels een persoonlijke vriend, sinds hij als middelbare scholier theaterlessen volgde. En op Instagram verklaarde hij zich fan van ‘l’immense Hans Kesting’. Louis is niet bij hun bewerking betrokken, al noemt hij zijn vriendschap met Van Hove ‘in de kern een voortdurende artistieke dialoog’.

Edouard LouisBeeld Christian Werner

Vindt u het moeilijk om uw werk los te laten en aan anderen over te geven?

‘Ik vind het juist een voorrecht als anderen mijn strijd met andere middelen voortzetten. We hebben het vaak op een negatieve manier over toe-eigening, terwijl het ook iets heel moois kan zijn. Ik wil graag dat anderen met mijn verhaal aan de haal gaan.’

Het theater mag dan zijn ‘toegangspoort naar de literatuur’ zijn geweest, het was geen liefde op het eerste gezicht. ‘Vaak had ik helemaal geen zin om te gaan, net als mijn klasgenoten. Er heerste een soort rejet de la culture, een afwijzing van alles wat met cultuur te maken had. Wij werden afgewezen door de hoge cultuur, en dus keerden wij ons op onze beurt van die cultuur af, als wraakoefening.’

Waar kwam die afwijzing vandaan?

‘De meeste werken in de literatuur en het theater spreken maar een heel klein publiek aan: la bourgeoisie blanche, avec leurs petits problèmes. We moeten er niet raar van opkijken dat de rest van de samenleving dan afhaakt. In Frankrijk – en ongetwijfeld ook in Nederland – maken veel mensen zich zorgen om de ontlezing. Daarbij wordt altijd naar het publiek gekeken. Misschien moeten we ons afvragen of het probleem niet bij de lezers ligt, maar bij de schrijvers. We hebben literatuur nodig die de confrontatie met de wereld aan durft te gaan. Als je niet schrijft om de wereld te veranderen, kun je beter helemaal niet schrijven.’

Volkskrant-recensent Herien Wensink gaf vier sterren aan het toneelstuk Weg met Eddy Bellegueule. ‘De voorstelling is in diepste wezen een ode aan het theater, zoals het theater Eddy Bellegueule uiteindelijk een uitweg uit de ellende biedt.’ De tournee loopt nog t/m 7 maart.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden