Edith en Loet Velmans 'We hebben nooit in ons verleden gewoond'

Zij zat als joods meisje in de Tweede Wereldoorlog ondergedoken in Breda, hij was Nederlands krijgsgevangene in een jappenkamp bij de Birmaspoorweg....

Hij was een jongeman van 23 toen hij uit de oorlog kwam. Hij zag geel van de malaria, was vel over bot. 'Een oude man', schrijft hij. Toen zij door Poolse soldaten uit haar onderduik in Breda werd verlost, was ze 20, een meisje nog. Haar moeder, grootmoeder en broer keerden niet terug uit de kampen in Duitsland, haar vader was aan kanker overleden. 'Ik voel me een stuk vlees, totaal alleen.' Zo beschrijft ze haar toestand. 'Ik heb het gevoel dat ik nergens bij hoor.'

Hij schrijft iets soortgelijks in zìjn boek over het leven aan de Birmaspoorlijn: 'Het kamp was mijn school van de dood. Ik leerde er dat doodgaan het ultieme moment van eenzaamheid is. Ruim voor hun laatste stuiptrekkingen waren mijn vrienden al weg uit de wereld om hen heen. Dan was het aan mij, de overlever, om mijn eigen moment van wanhopige eenzaamheid te hebben. Meestentijds leefde ik alsof ik geen gevoel meer had.'

Een leven later verblijven Edith en Loet Velmans, respectievelijk 78 en 80 jaar, in hun appartement aan de chique Upper East Side van Manhattan. Buiten blaast de storm sneeuw en regen, binnen is het geriefelijk. Ze zijn 54 jaar getrouwd, ze hebben een fijn leven. De reis naar New York de avond tevoren vanuit hun huis in Sheffield, Massachusetts, was niet zo fijn – in het barre en boze weer deden ze er zeven uur over. Maar het doet niets af aan het feit dat Amerika, sinds enkele tientallen jaren hun vaderland, een heerlijk land is. Het heeft hun voorspoed en geluk gebracht. Het bestaan is een feest.

Zij: 'Waarom zou de oorlog ons leven verwoest hebben? Waarom? Ik wilde leven toen de oorlog eindelijk voorbij was. We hebben nooit in ons verleden gewoond, nooit. Bewust niet. Vanaf het begin al niet.'

Hij: 'Ik had het overleefd, ik was eruit. Heerlijk, fantastisch. Ik had een enorme levenslust.'

Long way back to the River Kwai is de titel van zijn oorlogsherinneringen. Het boek is net uit, twee maanden geleden. Haar boek over haar oorlog, gebaseerd op dagboekaantekeningen, is er al langer, verscheen in 1997 voor het eerst in het Nederlands. Edith's Story heet het. Ofschoon de oorlogservaringen van beiden ingrijpend van elkaar verschillen, hebben de boeken gemeen dat ze onopgesmukt zijn, zeker voor zo'n beladen onderwerp.

Edith Velmans heeft altijd een obsessie gehad voor dagboeken. Al voor de oorlog hield ze dagelijkse beslommeringen bij op schrift. Het materiaal voor een boek lag er dus. Het was ook niet dat het in een kist in de kelder lag te verschimmelen. 'Ik heb al die jaren heel vaak mijn koffertje geopend', zegt ze. 'Ik herlas mijn stukken, vooral die uit de happy days.'

Het was meer dat ze dacht dat maar weinig mensen er belang in stelden. Zelf wilde ze er niet over praten, over de oorlog. 'Toen het uit me getrokken werd door dierbare Amerikaanse vrienden, merkte ik hoe graag ik het verhaal vertelde en hoezeer de anderen aan mijn lippen hingen.'

Loet Velmans schreef zijn boek voor de kleinkinderen. Dat domweg niet vergeten wordt hoe verschrikkelijk oorlog is. Of eigenlijk directer: dat onthouden wordt hoe ongelofelijk wreed de Japanners zijn.

Japan is zijn obsessie. 'Als ik mijn wekelijkse Economist ontvang, is het eerste waarnaar ik kijk of er een verhaal over Japan in staat.' Hij heeft een bibliotheek over Japan. Zijn boek is ten minste voor een deel een zoektocht naar de motieven van het gedrag van de Japanse kampbewaarders.

Hij was in 1953 alweer in Tokio. Voor zaken. Hij is Japan regelmatig blijven bezoeken. 'Je kunt een goede zakelijke bespreking hebben met Japanners. Je kunt samen een maaltijd hebben. Je kunt heel aardig met ze over vrouw en kinderen praten. Maar contact is niet mogelijk.'

In 1980 besloot Edith Velmans dat ze haar oorlog te boek wilde stellen. Niet alles, niet het gênante. 'Achteraf verbaas ik mij over mijn argeloosheid in de oorlog. Wat was ik oppervlakkig. Terwijl mijn vader zich grote zorgen maakte dat wij als joden steeds meer werden achtergesteld, had ik het druk met de vraag of de jongens mij wel leuk vonden.' Haar dochter, die het boek redigeerde, overtuigde haar ervan dat die zogenoemde gênante passages niet mochten ontbreken.

Ze heeft er lang over gedaan. Ze had een druk sociaal leven en geen haast. Het verhaal van Edith, de Nederlandse uitgave, verscheen bijna achttien jaar nadat ze eraan begonnen was. In Nederland heeft het niet zoveel gedaan. Inmiddels zijn wereldwijd meer dan zevenhonderdduizend exemplaren van het boek verkocht. Er zijn vertalingen in het Engels, Frans, Duits, Spaans, Portugees en Japans.

Loet Velmans heeft ook opmerkelijk lang aan zijn boek gewerkt. Hij heeft in Amerika een grootse carrière gemaakt in de public relations. Hij eindigde als voorzitter van de raad van bestuur van een multinationale pr-organisatie, Hill and Knowlton.

Pas na zijn pensionering had hij tijd. Dat is nu zeventien jaar geleden. 'Ik heb er heel lang over gedaan, heel veel versies geschreven. Het was nooit af.' Ten slotte is hij teruggegaan naar Thailand, naar de plek waar het zich allemaal heeft afgespeeld. Dat hielp het proces vooruit. 'Ik wilde het Lentekamp vinden, waar ik 57 jaar geleden bijna stierf', luidt de eerste zin van het boek.

Vijftig, zestig jaar na dato heeft de oorlog, zo lijkt het, weer zijn plek veroverd in hun leven. Direct na de bevrijding gold een andere regel: niet omkijken. Het gold vooral voor haar.

Edith Velmans: 'Ik wilde erbij horen. Jarenlang had ik nergens bij mogen horen. Nu was het leven echt begonnen. Dus deed ik mee, volop. Er bestond direct na de oorlog een enorme behoefte aan plezier. Soms voelde ik valsheid. Soms was ik verschrikkelijk alleen.

'Ik woonde na de oorlog in mijn Amsterdamse studententijd met drie vriendinnen aan de Passeerdersstraat. Ik was de enige joodse van het stel. Toen mijn boek was verschenen, schreef een van hen: ”Edith, ik begrijp niet dat we het nooit echt hebben geweten.”

'Het kwam doordat het verleden het verleden was. Over het verleden hoefde je niet te spreken. Dat wilde ik ook niet. Het hoefde ook niet. Het leven was begonnen. We wilden maar één ding. We wilden vooruit. Het ging over onze tentamens en over onze boyfriends. Gaan we wel met ze trouwen? Gaan we niet met ze trouwen? Zijn ze eigenlijk wel geschikt voor ons? Daar ging het over. Daar was je mee bezig, in Amsterdam, kort na de oorlog.

'Pas vele jaren later is het een onderwerp geworden. Hier in Amerika gingen ze vragen stellen over de holocaust. Ik word hier een holocaustsurvivor genoemd.Dat ben ik niet. Weten zij veel. Het doet vals aan. Ik zat ondergedoken. Ik ben niet in een kamp geweest. Ik was bevoorrecht.'

Wilden ze niet naar Israël, het nieuwe land voor joden?

Zij: 'Dat hebben we nooit overwogen. Onder Nederlanders had ik maar zelden of nooit antisemitisme ervaren.'

Hij: 'Ik had na de oorlog niet het gevoel dat we een joodse staat nodig hadden om ons veilig te wanen. Ik was krijgsgevangene gemaakt op Java als Nederlandse militair. Niet als jood. Ik was Nederlander, in de ogen van de Japanners zo'n vertegenwoordiger van de laffe kolonialisten.'

Ze trokken in 1951, met twee kinderen, naar dat andere nieuwe land, naar de VS. Het was niet dat Amerika niet een lange geschiedenis van racisme kende. Maar dat raakte hun niet.

Zij: 'Ik voel me thuis hier in New York. Ik voel me thuis in Massachusetts. Ik besef dat we in het kosmopolitische deel van Amerika wonen. Ik weet niet of we op ons gemak zouden zijn in het conservatieve heartland.'

Hij: 'Soms kom je anti-semitisme tegen, of kun je het vermoeden. We woonden op Manhattan. Mijn baas uit die dagen had een buitenhuis aan de Hudson. Hij nodigde ons uit. Hij maakte me daar lid van de golfclub. Van al die honderden leden bleek ik de tweede jood te zijn.'

Beiden hebben de Amerikaanse nationaliteit. Zij: 'Ik wil proberen mijn Nederlands paspoort terug te krijgen.'

Hij: 'We hoeven ons als joden in dit land niet bedreigd te voelen. Maar als Amerikaan voel ik me absoluut niet veilig. Ik hou ernstig rekening met een volgende ramp, met een nieuwe aanslag. Ergens zullen ze toeslaan. Ik geloof niet dat we de radicale anti-Amerikanen tevreden kunnen stellen.'

Zij: 'Er is geen bescheidenheid onder de mensen van Bush. Dat stoort me nog het meest.'

Hij: 'Daarmee ben ik het eens. Toch blijft het een democratisch land, ook onder Bush. Waar ik me zorgen over maak is het extremisme aan de rechterkant. Het is echt verontrustend dat miljoenen mensen hier leven met religieuze opvattingen die extreem anti-modernistisch zijn. 30 Tot 40 procent van de kiezers wil om religieuze redenen dat de abortuswetgeving wordt teruggeschroefd. Het zijn ook de mensen die Sharon steunen en Israël, zonder enige nuance of kritiek.'

Zij: 'Deze regering maakt het niet beter. Ik voel me vreselijk ellendig als ik Bush zie spreken. Al die onwaarachtigheid. Dan kookt mijn bloed. Tot ergernis van Loet, die wil dat ik gematigder ben. Bush heeft de oorlog volkomen uit de hand laten lopen. Het gevolg is dat de moslims de Amerikanen haten.'

Hij: 'Come on, Edith. Dat heeft er niets mee te maken.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden